Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1549

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
201301034/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Recreatieterreinen 2010" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301034/1/R2.

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud:

[appellant]), wonend te Elspeet, gemeente Nunspeet,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Nunspeet,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Recreatieterreinen 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. L. Bolier, en de raad, vertegenwoordigd door ir. A. Dickhof, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actualisering van de geldende bestemmingsplannen voor recreatieterreinen in het buitengebied van de gemeente Nunspeet. Voor het perceel van [appellant], waarop de adressen [locatie 1 en 2] zijn gelegen, voorziet het plan, voor zover thans van belang, in de bestemming "Recreatie - Gemengd terrein".

3. [appellant] kan zich niet verenigen met het plan. Daartoe voert hij het volgende aan. [appellant] betoogt dat ten onrechte geen woonbestemming is toegekend aan het pand [locatie 2], terwijl deze woning wel als reguliere zelfstandige woning wordt benut. Hiertoe wijst hij erop dat zelfstandige bewoning van het pand [locatie 2] in het verleden door middel van vergunningen mogelijk is gemaakt en dat deze woning reeds geruime tijd door een derde wordt bewoond. Voorts betoogt [appellant] dat het gebruik van het pand [locatie 2] als zelfstandige burgerwoning werd beschermd door het overgangsrecht van de voorheen geldende bestemmingsplannen "Buitengebied herziening 1996" en "Buitengebied agrarische enclave".

3.1. De raad stelt dat zelfstandige bewoning van de woning [locatie 2] niet is toegestaan en dat het plan daarom in zoverre terecht niet voorziet in een woonbestemming. De raad heeft hierbij verder het uitgangspunt betrokken dat alleen nieuwe woningen worden toegestaan op de locaties zoals opgenomen in het gemeentelijk woningbouwprogramma.

3.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de voor de bestemming "Recreatie - Gemengd terrein" aangewezen gronden onder meer bestemd voor recreatiewoningen en voor wonen in een bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken, ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning".

Ingevolge artikel 6, lid 6.2, onder 6.2.7, geldt dat een bedrijfswoning alleen is toegestaan indien en voor zover per adres aangegeven in de bijbehorende tabel. In de tabel is voor het adres [locatie 1] een maximum aantal bedrijfswoningen van 1 aangegeven en voor het adres [locatie 2] is geen bedrijfswoning aangegeven.

Ter plaatse van de adressen [locatie 1 en 2] is er één aanduiding "bedrijfswoning" op de verbeelding opgenomen.

3.3. Ingevolge artikel 117, eerste lid, van de planvoorschriften van het vóór het voorheen geldende bestemmingsplan geldende plan "Buitengebied herziening 1996" mag het gebruik, dat op het tijdstip van het onherroepelijk worden van het plan van in het plan begrepen gronden en bouwwerken in afwijking van het plan wordt gemaakt, worden voortgezet.

Ingevolge artikel 32, lid 4, van de planvoorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied agrarische enclave", mag het gebruik dat op het tijdstip van het onherroepelijk worden van de goedkeuring van het plan van in het plan begrepen gronden en bouwwerken in afwijking van het plan - behoudens het in dit artikel bepaalde - wordt gemaakt, worden voortgezet en gewijzigd, mits daardoor de afwijkingen van het plan niet worden vergroot. Het bepaalde in de vorige zin geldt niet, indien het betreft een gebruik dat reeds in strijd is met het voor het onderhavige plan geldende bestemmingsplan, dat strijdig gebruik een aanvang heeft genomen, nadat de goedkeuring van dat vorige bestemmingsplan onherroepelijk was geworden, en burgemeester en wethouders voor het in de aanhef van dit lid bedoelde tijdstip een aanvang hebben gemaakt met een procedure ter beëindiging van dat strijdig gebruik en zulks op de gebruikelijke wijze aan overtreder kenbaar hebben gemaakt.

Ingevolge artikel 20, lid 20.4, van de planregels van het thans voorliggende plan, voor zover thans van belang, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet. Ingevolge artikel 20, lid 20.6, van de planregels van dat plan, voor zover thans van belang, is het bepaalde in artikel 20, lid 20.4, niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

3.4. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat het plan voor het pand [locatie 2] ten onrechte niet voorziet in een bestemming die zelfstandige bewoning van dat pand mogelijk maakt, wordt het volgende overwogen. Onder verwijzing naar een in 1972 verleende bouwvergunning heeft [appellant] betoogd dat zelfstandige bewoning van het adres [locatie 2] reeds geruime tijd mogelijk is. Naar de Afdeling vaststelt, kan uit de bij de bouwvergunning uit 1972 behorende bouwtekening, die is overgelegd, alleen worden afgeleid dat vergunning is verleend voor uitbreiding van de woning [locatie 1]. Hieruit kan niet worden afgeleid dat daarmee een zelfstandige burgerwoning is gecreëerd op het adres [locatie 2]. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het adres [locatie 2] een aangebouwd onzelfstandig onderdeel van de eerder opgerichte bedrijfswoning is, waarvan zelfstandige bewoning niet is toegestaan.

Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat het gebruik van het adres [locatie 2] als zelfstandige reguliere woning door het overgangsrecht van voorheen geldende bestemmingsplannen wordt beschermd, wordt het volgende overwogen. De raad is er terecht van uitgegaan dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de peildata van de in de voorheen geldende bestemmingsplannen "Buitengebied herziening 1996" en "Buitengebied agrarische enclave" opgenomen overgangsbepalingen sprake was van zelfstandige reguliere bewoning van het adres [locatie 2]. De raad heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het gebruik van het adres [locatie 2] als reguliere zelfstandige woning niet werd beschermd door het in die plannen opgenomen overgangsrecht. Overigens heeft de raad ter zitting te kennen gegeven tegen het onzelfstandig bewonen van het adres [locatie 2] door de vader van [appellant] geen bezwaar te hebben.

De raad heeft onweersproken gesteld dat het toestaan van een nieuwe woning op het perceel van [appellant] niet verenigbaar is met het gemeentelijk woningbouwbeleid. De raad heeft dan ook in redelijkheid kunnen afzien van een bestemming die reguliere zelfstandige bewoning van het adres [locatie 2] mogelijk maakt. De raad heeft in dit verband in redelijkheid groter gewicht kunnen toekennen aan het belang gediend met genoemd uitgangspunt, dan aan het belang van [appellant] bij het in het plan toestaan van een tweede woning op het plandeel "Recreatie - Gemengd terrein" betreffende bedoeld perceel. De betogen falen.

4. [appellant] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze en de daarop door hem gegeven mondelinge toelichting. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze en de bijbehorende toelichting.

[appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze en mondelinge toelichting in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog faalt.

5. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Vogel-Carprieaux

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013

159-726.