Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1547

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
201300809/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:2687, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 26 oktober 2011 heeft het college een besluit genomen op een door [wederpartij] ingediend verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:13
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 3
Wet openbaarheid van bestuur 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2013/244
JOM 2013/752
JG 2013/67 met annotatie van mw. mr. dr. C. Raat
JG 2014/2 met annotatie van mw. mr. E.E. Schaake
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300809/1/A3.

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Ede,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 december 2012 in zaak nr. 11/5316 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Ede

en

het college.

Procesverloop

Op 26 oktober 2011 heeft het college een besluit genomen op een door [wederpartij] ingediend verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).

Bij besluit van 28 februari 2012 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en een dwangsom toegekend ter hoogte van € 160,00 omdat eerst bij besluit van 26 oktober 2011, en daarmee niet tijdig, was beslist op het verzoek.

Bij uitspraak van 18 december 2012 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het beroep van [wederpartij] gegrond verklaard, het besluit van 28 februari 2012 vernietigd, voor zover daarbij de dwangsom op € 160,00 was vastgesteld, en, zelf voorziend, deze dwangsom op € 1.260,00 vastgesteld. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2013, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R. Doorakkers, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij] zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag.

Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, beslist het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk op het verzoek om informatie, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.

2. Bij brief van 2 september 2011 heeft [wederpartij] het college op grond van de Wob verzocht om toezending van, in ieder geval, alle informatie met betrekking tot de aanvraag voor het plaatsen van een antennedrager en alle correspondentie die de gemeente hierover heeft gevoerd, een overzicht van alle verleende kapvergunningen in een straal van 500 meter rondom de antennedrager van de afgelopen vijf jaar en de ruimtelijke plannen behorende bij dit gebied.

In haar brief van 5 oktober 2011 geeft [wederpartij] te kennen: "In mijn brief van 2 september heb ik u informatie gevraagd over een aantal zaken. Tot op heden heb ik deze informatie niet van u ontvangen. (…) werd mij des te meer duidelijk dat het voor mij belangrijk is dat ik over de gevraagde informatie kan beschikken. Ik vraag u dan ook mij alsnog de gevraagde informatie te verstrekken".

Bij besluit van 26 oktober 2011 heeft het college een besluit op het Wob-verzoek genomen.

Tegen dit besluit heeft [wederpartij] op 3 november 2011 een bezwaarschrift ingediend. Daarin merkt zij het volgende op: "U was al veel te laat met het verstrekken van gegevens en ook nu zijn nog niet alle gegevens verstrekt. Ik heb uw college tijdig in gebreke gesteld. De termijn van twee weken was al voor 28 oktober 2011 ruim verstreken. U bent als gevolg daarvan een dwangsom verschuldigd. Zolang u niet alle informatie verstrekt heeft of een besluit heeft genomen over het al dan niet (kunnen) verstrekken van gevraagde gegevens blijft u naar mijn mening ook deze periode nog een dwangsom verschuldigd".

Bij besluit van 28 februari 2012 heeft het college het bezwaar gegrond verklaard, alsnog de gevraagde informatie verstrekt en een dwangsom toegekend ter hoogte van € 160,00, omdat het eerst bij besluit van 26 oktober 2011, en daarmee niet tijdig, heeft beslist op de aanvraag van 2 september 2011. Hierbij is het college ervan uitgegaan dat [wederpartij] hem op 5 oktober 2011 in gebreke heeft gesteld. Het bedrag is gebaseerd op de termijn van acht dagen tussen de periode van twee weken na de ingebrekestelling, te weten 20 oktober 2011, en de verzending op 28 oktober 2011 van het besluit op de aanvraag.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college eerst bij besluit van 28 februari 2012 volledig op de aanvraag van [wederpartij] heeft beslist. Daardoor heeft het college meer dan 42 dagen na de ontvangst van de ingebrekestelling op het verzoek van [wederpartij] beslist, zodat het college de maximale dwangsom van € 1.260,00 is verschuldigd, aldus de rechtbank. Hierbij is de rechtbank ervan uitgegaan dat [wederpartij] het college op 3 november 2011 in gebreke heeft gesteld.

4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het aan [wederpartij] een dwangsom van € 1.260,00 is verschuldigd. Daartoe voert het college aan dat de brief van 3 november 2011 niet kan worden aangemerkt als ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17, derde lid, van de Awb. Daarnaast voert het college daartoe aan dat op 26 oktober 2011 een besluit op het Wob-verzoek is genomen. Door te oordelen dat bij dat besluit niet volledig op de aanvraag was beslist en dat aldus het college nog steeds in gebreke was als gevolg waarvan het dwangsommen verbeurde, heeft de rechtbank een onjuiste uitleg gegeven aan de Awb, aldus het college. Ter zitting heeft het college het betoog in het hogerberoepschrift dat de brief van 5 oktober 2011 evenmin als ingebrekestelling kan worden aangemerkt, ingetrokken.

4.1. Het besluit van 26 oktober 2011 houdt een besluit in van het college op het verzoek van 2 september 2011. Dat met dat besluit niet alle gevraagde documenten zijn verstrekt doet daar niet aan af. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 april 2013 in zaak nr. 201200757/1) eist artikel 4:13, eerste lid, van de Awb louter dat binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn een besluit wordt genomen. De beoordeling of een besluit is genomen, waar het bij de regeling van de artikelen 4:13 van de Awb en volgende om te doen is, staat los van de beoordeling van de juistheid van het genomen besluit. Het doel van artikel 4:17 van de Awb is daarbij met name de burger een effectief rechtsmiddel te bieden tegen trage besluitvorming van bestuursorganen, niet om rechtsbescherming te bieden ter zake van de beoordeling van dat besluit. Voor de bestrijding van de juistheid van het besluit van 26 oktober 2011 stond voor [wederpartij] de mogelijkheid van bezwaar open, van welke mogelijkheid zij ook gebruik heeft gemaakt op 3 november 2011. De rechtbank heeft niet onderkend dat het college reeds bij besluit van 26 oktober 2011 op de aanvraag had beslist, in verband waarmee de termijn van een eventueel te verbeuren dwangsom eindigde op 28 oktober 2011, de dag van verzending van het besluit op de aanvraag. Daarom heeft de rechtbank aldus de brief van 3 november 2011, die dateert van na het nemen van het besluit op de aanvraag, ten onrechte als ingebrekestelling inzake het niet tijdig beslissen op de aanvraag aangemerkt. Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het besluit op bezwaar van 28 februari 2012 heeft vernietigd, voor zover daarbij de dwangsom op € 160,00 is vastgesteld en de rechtbank heeft vastgesteld dat het college een dwangsom heeft verbeurd van in totaal € 1260,00. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 december 2012 in zaak nr. 11/5316, voor zover de rechtbank het besluit op bezwaar van 28 februari 2012 van het college van burgemeester en wethouders van Ede, kenmerk 699108, heeft vernietigd, voor zover daarbij de dwangsom op € 160,00 is vastgesteld en voor zover de rechtbank heeft vastgesteld dat het college een dwangsom heeft verbeurd van in totaal € 1260,00;

III. verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013

280-798