Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1540

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
201300435/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2011 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het nader in dat besluit weergegeven, in afwijking van de aan hem verleende bouwvergunning voor het perceel [locatie] te Boekel (hierna: het perceel) gebouwde, te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300435/1/A1.

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Boekel,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 november 2012 in zaak nr. 12/1393 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Boekel.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2011 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het nader in dat besluit weergegeven, in afwijking van de aan hem verleende bouwvergunning voor het perceel [locatie] te Boekel (hierna: het perceel) gebouwde, te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 10 april 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 november 2012 heeft de rechtbank het door

[appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door drs. F.W. Bello, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 15 september 2009 is aan [appellant] een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet, zoals deze destijds luidde, verleend ten behoeve van het oprichten van een bedrijfsgebouw op het perceel.

Niet in geschil is dat [appellant], in afwijking van deze vergunning, in het bedrijfsgebouw op de begane grond een badkamer heeft gerealiseerd ter plaatse van een vergunde archiefruimte, en op de eerste verdieping drie slaapkamers en een badkamer ter plaatse van een als showroom vergunde ruimte.

Het college was daarom bevoegd om handhavend op te treden.

2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor hetgeen hij in afwijking van de bouwvergunning heeft gebouwd, concreet zicht op legalisering bestaat. Hij voert daartoe aan dat daarvoor een omgevingsvergunning kan worden verleend, nu de bepaling als neergelegd in artikel 7.2.1, aanhef en onder f, onder 4, van de planvoorschriften, die bepaalt dat woningen naar de straatzijde moeten zijn gericht en daarom volgens het college aan het verlenen van een vergunning in de weg staat, op zijn situatie niet van toepassing is. Die bepaling ziet volgens hem alleen op het bouwen van een nieuw hoofdgebouw en niet op een uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw, zoals hier aan de orde, aldus [appellant].

3.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom Boekel 2007" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de Bestemming "Centrum (C)".

Ingevolge artikel 7.1 van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor:

a. detailhandel;

h. wonen, al dan niet in combinatie met de overige bestemmingen.

Ingevolge artikel 7.2.1, aanhef, gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende bepalingen:

f. Voor het oprichten van woningen geldt het volgende:

1. De breedte bedraagt minimaal 6 meter;

2. De inhoud bedraagt minimaal 300 m³;

3. De oppervlakte bedraagt minimaal 100 m²;

4. De oriëntatie dient naar de straatzijde gericht te zijn.

Ingevolge artikel 1, wordt in de planvoorschriften onder "woning" verstaan: een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.

3.2. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de bepaling als opgenomen in artikel 7.2.1, aanhef en onder f, van de planvoorschriften, niet op het geschil van toepassing is. Dat, zoals

[appellant] stelt, het bouwplan niet voorziet in de bouw van een hoofdgebouw, maar in een uitbreiding van het bestaande hoofdgebouw, leidt, wat daarvan zij, niet tot een ander oordeel. Er bestaan, anders dan [appellant] betoogt, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de term "bouwen" in de aanhef van artikel 7.2.1 van de planvoorschriften uitsluitend ziet op de oorspronkelijke bouw van het hoofdgebouw. Daaronder dient dus ook het bouwen van een uitbreiding van het hoofdgebouw te worden verstaan. Een andere opvatting zou de in artikel 7.2.1 gestelde eisen teniet doen, omdat latere uitbreidingen van het hoofdgebouw daar niet aan zouden hoeven voldoen.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het college heeft gevolgd dat geen sprake is van één woning in de zin van de planvoorschriften. Zij heeft daarbij volgens hem miskend dat het nieuwe, voor bewoning geschikte gedeelte aan de achterzijde van het gebouw, deel uitmaakt van de bovenwoning aan de voorzijde en dus naar de straatzijde is gericht. Volgens hem is het om de woning als één geheel te kunnen aanmerken, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet noodzakelijk dat een directe verbinding bestaat tussen de beide gedeelten daarvan. Door het geheel wordt volgens [appellant] aan de definitie van de term "woning" in het bestemmingsplan voldaan.

4.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de bovenwoning aan de voorzijde van het gebouw en de nieuw gerealiseerde woning aan de achterzijde, niet als één woning kunnen worden aangemerkt.

Daarbij heeft zij terecht in aanmerking genomen dat in zowel de bovenwoning aan de straatzijde, als in het gerealiseerde woongedeelte aan de achterzijde, alle noodzakelijke voorzieningen zoals een woonkamer, een keuken, douche, toilet en slaapkamers aanwezig zijn, die beide woningen voor zelfstandige bewoning geschikt maken. Er is dus niet voldaan aan de definitie van de term "woning" in het bestemmingsplan, omdat het geheel geschikt en bestemd is voor de huisvesting van meer dan één huishouden. Dat [appellant] voornemens is beide woongedeelten uitsluitend met zijn eigen gezin te bewonen, doet daaraan niet af.

Beide woningen vormen dus afzonderlijke woningen als bedoeld in artikel 7.2.1, onder f, van de planvoorschriften. Nu ten aanzien van de woning aan de achterzijde vaststaat dat de oriëntatie daarvan niet op de straatzijde is gericht, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien om het betoog van [appellant], dat het gebouwde past in het bestemmingsplan en daarvoor dientengevolge een omgevingsvergunning kan worden verleend, te volgen.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat het handhavend optreden in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Hij voert daartoe aan dat op diverse andere adressen in de Kerkstraat ook woningen aanwezig zijn die niet op de straatzijde zijn georiënteerd. Verder heeft het college volgens hem vergunning verleend voor de schuin achter zijn pand gelegen woning op het perceel Meester van Hooffstraat 12 te Boekel, welke woning evenmin op de straatzijde is georiënteerd.

5.1. Met betrekking tot de door [appellant] genoemde woning op het perceel Meester van Hooffstraat 12 te Boekel heeft het college gesteld, hetgeen ook uit de bestemmingsplankaart valt af te leiden, dat dit perceel, in tegenstelling tot dat van [appellant], ingevolge het bestemmingsplan de bestemming "Wonen" heeft. Derhalve gelden voor dat perceel de bij de bestemming "Centrum" behorende planvoorschriften, waaronder die waarbij is bepaald dat woningen op de straatzijde moeten zijn georiënteerd, niet.

Met betrekking tot het door [appellant] genoemde perceel Kerkstraat 8, heeft het college in het besluit op bezwaar gesteld dat de zes aldaar gerealiseerde, in 2011 vergunde appartementen alle op de straatzijde zijn georiënteerd. [appellant] heeft die stelling niet weerlegd.

Wat betreft het door [appellant] genoemde perceel Kerkstraat 14 heeft het college gesteld dat het op 16 mei 2007 bouwvergunning heeft verleend voor het uitbreiden van een woning op het perceel Kerkstraat 14a. Het destijds geldende bestemmingsplan "Kom Boekel 1989" bevatte echter, in tegenstelling tot het geldende bestemmingsplan, volgens het college niet de eis dat woningen op de straatzijde moeten zijn georiënteerd. [appellant] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat, zoals hij stelt, de desbetreffende vergunning onder de werking van het thans geldende bestemmingsplan is verleend.

Onder de gegeven omstandigheden heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college van het handhavend optreden had dienen af te zien wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat zich overige bijzondere omstandigheden voordoen, die het college in redelijkheid hadden moeten doen afzien van het handhavend optreden. In hetgeen hij heeft aangevoerd, te weten dat bewoning van de woning aan de achterzijde van het gebouw anders dan het college stelt, niet tot verrommeling leidt, hij voorts te goeder trouw was omdat hij dacht dat het bestemmingsplan de woning toestaat en hij verder bij de bouwaanvraag de indeling voor een woning niet heeft aangegeven, vanwege de veel hogere bouwkosten daarvan, zijn dergelijke bijzondere omstandigheden niet gelegen. Daarnaast geldt dat nu [appellant] zelf het risico heeft genomen om te bouwen in afwijking van de verleende vergunning, de gevolgen daarvan voor zijn rekening dienen te blijven.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Bolleboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013

641.