Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1526

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
201209616/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2012:2116, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juli 2005 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het veranderen van een woning in 9 studentenkamers op het perceel [locatie] te Sittard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209616/1/A1.

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Sittard, gemeente Sittard-Geleen (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 30 augustus 2012 in zaak nr. 10/1435 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2005 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het veranderen van een woning in 9 studentenkamers op het perceel [locatie] te Sittard.

Bij besluit van 17 december 2008 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 25 juli 2005 herroepen en onder verlening van vrijstelling bouwvergunning verleend voor het realiseren van 9 studentenkamers op het perceel.

Bij uitspraak van 21 december 2009 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 19 juli 2010 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 25 juli 2005 gemaakte bezwaar opnieuw gegrond verklaard, dat besluit herroepen en onder verlening van vrijstelling bouwvergunning verleend voor het realiseren van 9 studentenkamers op het perceel.

Bij uitspraak van 30 augustus 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 juli 2010 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 3 mei 2013 heeft het college opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2013, waar [appellant A], bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, en het college, vertegenwoordigd door M.J.H. van Cleef, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. R.J.J.M.M. Metsemakers, advocaat te Maastricht, zijn verschenen. Tevens is ter zitting gehoord [vergunninghouder].

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en het college schriftelijke vragen gesteld.

Het college heeft op de vragen gereageerd bij brief van 2 september 2013. Deze is toegezonden aan [appellant] en [vergunninghouder]. [appellant] heeft bij brief van 17 september 2012 (lees: 2013) haar reactie gegeven.

Met toestemming van partijen is afgezien van een verdere behandeling van de zaak ter zitting, waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in het veranderen van een woonhuis in 9 studentenkamers. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Sittard-Zuid". Om realisering van het bouwplan mogelijk te maken heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet Ruimtelijk Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten vrijstelling te verlenen voor het bouwplan. Zij voert daartoe aan dat het geldende bestemmingsplan kamerverhuur niet toestaat en evenmin een ontheffingsmogelijkheid kent. Nu derhalve de planwetgever het realiseren van studentenkamers niet wilde toegestaan, had het college niet kunnen besluiten daarvoor vrijstelling te verlenen, aldus [appellant].

2.1. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten is vereist dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing van het betrokken project is van overeenkomstige toepassing.

2.2. Anders dan [appellant] betoogt, leidt de omstandigheid dat het bestemmingsplan hangende de bezwaarprocedure is gewijzigd en, naar gesteld, in het nieuwe bestemmingsplan "Sittard-Zuid" kamerverhuur niet wordt toegestaan niet tot het oordeel dat het college reeds daarom geen vrijstelling van het bestemmingsplan kon verlenen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het college in zijn verweerschrift bij de rechtbank en ter zitting van de Afdeling heeft verklaard dat de planwetgever heeft beoogd kamerverhuur in zijn algemeenheid niet te willen toestaan, maar in afzonderlijke gevallen ook niet te willen uitsluiten. Het verlenen van vrijstelling krachtens, zoals in dit geval, artikel 19, tweede lid, van de WRO is een discretionaire bevoegdheid van het college. Dit laat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, onverlet dat het besluit waarbij vrijstelling krachtens dat artikel wordt verleend, dient te zijn voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. De rechtbank heeft, in hoger beroep niet bestreden, overwogen dat niet is voldaan aan dat vereiste en dat het college niet krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kon verlenen.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 3 mei 2013 opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist en dat bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

5. [appellant] voert aan dat het college heeft miskend dat, nu in het bestemmingsplan kamerverhuur niet is toegestaan, het bouwplan reeds daarom niet in de omgeving past. Zij voert voorts aan dat in de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat de gemeente rond de nog te realiseren stadscampus wooneenheden voor studenten wil realiseren, zodat buiten dat gebied studentenhuisvesting niet passend is.

5.1. Het college heeft zich, onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing 'Studentenhuisvesting [locatie]' van Plangroep Heggen B.V. van mei 2013, op het standpunt gesteld dat het bouwplan past in de omgeving.

5.2. Gelet op de ruimtelijke onderbouwing die aan het besluit van 3 mei 2013 ten grondslag is gelegd en de nadere toelichting van het college ter zitting van de Afdeling, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college in het besluit van 3 mei 2013 onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan, ondanks dat strijd bestaat met de bestemming, passend is in de omgeving. De enkele omstandigheid dat het bouwplan met het bestemmingsplan in strijd is, maakt, anders dan [appellant] betoogt, niet dat het reeds daarom niet in de omgeving past. Het college diende te beoordelen of dit bouwplan uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening ter plaatse aanvaardbaar is. Dat, zoals [appellant] betoogt, in de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat de gemeente wooneenheden voor studenten met name wenst te realiseren rond de stadscampus, betekent niet dat het college niet in redelijkheid medewerking heeft kunnen verlenen aan de realisering van studentenhuisvesting buiten dat gebied. Het college heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat de gemeente Sittard-Geleen, gelet op het belang van studenten voor de stad, een studentenstad wil worden, daarvoor nog woningen moeten worden gerealiseerd en het perceel gunstig is gelegen tussen het stadscentrum en de nog te realiseren campus. Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt voorts dat het college in het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan niet zal leiden tot een toename van de parkeerdruk op de omgeving van het bouwplan. Zij voert daartoe aan dat het college ten onrechte is uitgegaan van een minimale norm van 0,2 parkeerplaatsen per kamer. Volgens haar worden er hoogwaardige kamers gerealiseerd en is de kans derhalve groot dat de studenten daar na hun studie blijven wonen.

6.1. Het college heeft bij de berekening van de parkeerbehoefte de Nota Parkeernormen Sittard-Geleen, die in maart 2012 is vastgesteld, gehanteerd. Uit deze nota volgt dat de daarin opgenomen parkeernormen zijn gebaseerd op de parkeerkencijfers van het CROW, Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek. Volgens de nota dient ten aanzien van kamerverhuur in dit gebied te worden uitgegaan van norm van 0,2 - 0,6 parkeerplaats per kamer. In de ruimtelijke onderbouwing is uiteengezet dat in dit geval bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen de minimale norm van 0,2 parkeerplaats per wooneenheid kan worden toegepast. Mede gelet op de onweersproken opmerking van het college ter zitting dat toepassing van deze norm bij studentenhuisvesting in andere delen van de gemeente niet tot parkeerproblemen heeft geleid, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college bij de berekening van de parkeerbehoefte van het bouwplan niet heeft kunnen uitgaan van deze parkeernorm. Het college heeft hierbij in aanmerking kunnen nemen dat autobezit onder studenten bijzonder laag is en dat, gelet op de beperkte oppervlaktes van de kamers, geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat de studenten na hun studie niet zullen verhuizen.

7. [appellant] betoogt tot slot dat het college niet heeft onderkend dat de afzuiginstallatie, die voor geluidoverlast zorgde, na de aangevallen uitspraak weliswaar is verwijderd, maar terug kan worden geplaatst.

7.1. De verleende bouwvergunning heeft onder meer betrekking op een mechanische afzuiginstallatie. Uit het verrichte akoestisch onderzoek blijkt dat het hoogst gemeten geluidniveau van de afzuiginstallatie, zoals die was geplaatst ten tijde van de aangevallen uitspraak, 41 dB(A) bedroeg op 4,5 m hoogte ter plaatste van de achtergevel van de woning van [appellant]. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het college niet heeft gemotiveerd op welke wijze is voldaan aan de norm van 40 dB(A), zoals vermeld in artikel 2.17 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, waarbij het college in het kader van de beoordeling of sprake is van vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare geluidsoverlast, aansluiting heeft gezocht.

7.2. De achterkant van het perceel van [appellant] grenst aan de achterkant van het perceel waarop het bouwplan wordt gerealiseerd. De afzuiginstallatie was geplaatst op de achterzijde van het dak van de woning op het perceel. [vergunninghouder] heeft ter zitting van de Afdeling verklaard dat hij na de aangevallen uitspraak de afzuiginstallatie heeft verwijderd. De nieuwe plek van de installatie is op het dak aan de voorzijde van de woning op het perceel. De installatie staat volgens hem niet langer in de open lucht, waardoor de installatie minder geluid produceert. Ter zitting heeft het college verklaard dat het, door de verwijdering van de installatie van de plek waar deze voor [appellant] voor geluidoverlast zorgde, geen grond zag de verleende vrijstelling en bouwvergunning in het besluit van 3 mei 2013 niet in stand te laten.

Omdat, zoals het college ter zitting bevestigde, uit de aan de ingediende aanvraag ten grondslag gelegde bouwtekening weliswaar blijkt dat een mechanische afzuiginstallatie wordt geplaatst, maar de plek ervan echter niet op de bouwtekening is ingetekend, zou kunnen worden betoogd dat de vrijstelling en bouwvergunning waarop het besluit van 3 mei 2013 betrekking heeft, het mogelijk maken dat (het emissiepunt van) de afzuiginstallatie weer wordt teruggeplaatst naar de plek waar deze voor [appellant] voor geluidsoverlast zorgt. Het besluit is in zoverre dan ook onzorgvuldig voorbereid.

Bij brief van 2 september 2013 heeft het college een op het besluit van 3 mei 2013 betrekking hebbende bouwtekening overgelegd, waaruit blijkt dat het emissiepunt van de afzuiginstallatie zich bevindt op het dak aan de voorzijde van de woning. Gelet hierop en op het feit dat de woning van [appellant] is gelegen aan de achterzijde van die woning op een afstand van ongeveer 30 m, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de installatie, zoals aangegeven op de bij de brief van 2 september 2013 behorende bouwtekening, niet tot gevolg heeft dat ter plaatse van de woning van [appellant] sprake is van onaanvaardbare geluidsoverlast, zodat de verleende vrijstelling en bouwvergunning, waarop het besluit van 3 mei 2013 betrekking heeft, en zoals nader gepreciseerd in de bouwtekening waarop de brief van 2 september 2013 betrekking heeft, niet in stand zouden kunnen blijven. Wat betreft het betoog van [appellant] dat de installatie niet is geplaatst op de locatie waar deze op de bouwtekening is ingetekend, wordt overwogen dat, voor zover is gebouwd in afwijking van de verleende bouwvergunning dit in deze procedure niet aan de orde is. Dat is een kwestie van handhaving.

8. Het beroep tegen het besluit van 3 mei 2013 is gegrond. De Afdeling ziet, gelet op de brief van het college van 2 september 2013, aanleiding de rechtgevolgen ervan in stand te laten.

9. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen van 3 mei 2013 gegrond;

III. vernietigt dat besluit;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 996,08 (zegge: negenhonderdzesennegentig euro en acht cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Pieters

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013

473.