Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1524

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
201205380/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201205380/1/V2.

Datum uitspraak: 9 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 22 mei 2012 in zaken nrs. 12/14758 en 12/14760 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 mei 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ambtshalve wordt als volgt overwogen.

3. Ten aanzien van het door de vreemdeling overgelegde nadere stuk dat van vóór de aangevallen uitspraak dateert heeft hij geen in rechte te honoreren verklaring gegeven waarom hij dat stuk redelijkerwijs niet al in beroep heeft kunnen overleggen. Het kan derhalve niet bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken. Hetzelfde geldt voor de stukken die van ná de aangevallen uitspraak dateren en die informatie bevatten over gebeurtenissen van na de datum van die uitspraak, nu de aangevallen uitspraak ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 dwingend als object van hoger beroep is aangewezen.

4. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

4.1. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

4.2. De vreemdeling heeft eerder, op 4 januari 2011, een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 19 september 2011 is deze aanvraag afgewezen. Het besluit van 2 mei 2012 is van gelijke strekking als dat van 19 september 2011, zodat op het tegen het besluit van 2 mei 2012 ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is.

4.3. Over de door de vreemdeling overgelegde stukken die voortbouwen op het in de eerdere procedure ongeloofwaardig geachte asielrelaas en de stukken die verband houden met zijn Facebook-activiteiten heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat zich geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden voordoen.

4.4. Aan de onderhavige aanvraag heeft de vreemdeling voorts ten grondslag gelegd dat hij is bekeerd tot het christendom. Ter staving van deze stelling heeft hij een brief van de Rafaël Gemeenschap Almere van 5 mei 2012 overgelegd. In die brief is vermeld dat de vreemdeling tijdens zijn verblijf in het asielzoekerscentrum Almere regelmatig de kerk van die gemeenschap en bijbelstudies heeft bezocht. De brief bevat voorts het verzoek om de vreemdeling opnieuw te plaatsen in dat asielzoekerscentrum, in verband met de door hem opgebouwde kring van bekenden en vrienden.

4.4.1. Uit die brief blijkt niet dat de vreemdeling is bekeerd tot het christendom. De inhoud van die brief is dan ook geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als hiervoor onder 4.1. bedoeld. De voorzieningenrechter is ten onrechte overgegaan tot toetsing van het besluit van 2 mei 2012.

5. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond. De grieven behoeven geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Nu, zoals uit het vorenoverwogene volgt, in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen, zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts hetgeen is aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat het hier gaat om een geval als omschreven in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45, is er voor toetsing van het besluit van 2 mei 2012 geen plaats. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep reeds hierom ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 22 mei 2012 in zaak nr. 12/14758;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Bosma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2013

284-657