Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1515

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
201208016/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "De Leck en De Bergen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208016/1/R1.

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Santpoort-Zuid, gemeente Velsen,

2. [appellante sub 2] gevestigd te Santpoort-Zuid, gemeente Velsen,

3. [appellant sub 3], wonend te Santpoort-Zuid, gemeente Velsen, en anderen,

en

de raad van de gemeente Velsen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "De Leck en De Bergen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], de vennootschap en [appellant sub 3] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. A. Barada, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, de vennootschap, vertegenwoordigd door mr. F.T. Pardaan, advocaat te Hoofddorp, en de raad, vertegenwoordigd door M.M.W. Pijpers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 15 mei 2013 in zaak nr. 201208016/1/T1/R1 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 9 juli 2012 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 20 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "De Leck en De Bergen" gewijzigd vastgesteld. Aan het ongewijzigde deel van het bestemmingsplan heeft de raad een nadere motivering ten grondslag gelegd.

[appellant sub 1] en de vennootschap hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, hun zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld.

Tegen het besluit van 20 juni 2013 hebben [appellant sub 3] en anderen beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 23 september 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. A. Barada, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, de vennootschap, vertegenwoordigd door haar [bestuurder], bijgestaan door mr. F.T. Pardaan, advocaat te Hoofddorp, en de raad, vertegenwoordigd door M.M.W. Pijpers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Het beroep van [appellant sub 1]

1. De Afdeling heeft in haar tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 9 juli 2012, voor zover het betreft de artikelen 16, lid 16.1, onder o en 1, artikel 16, lid 16.1, onder f, en artikel 3, lid 3.2.2, onder e, van de planregels, niet berust op een deugdelijke motivering en niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak:

a. met inachtneming van hetgeen is overwogen in 3.3 het bestreden besluit, voor zover het betreft artikel 16, lid 16.1, onder o en 1, van de planregels, te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling;

b. met inachtneming van hetgeen is overwogen in 3.4 alsnog toereikend te motiveren waarom hij in het verzoek van [appellant sub 1] om een mestopslag planologisch mogelijk te maken geen aanleiding heeft gezien om de in artikel 16, lid 16.1, onder f, opgenomen maximale oppervlakte van de bedrijfsbebouwing van 2200 m² te vergroten, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling;

c. met inachtneming van hetgeen is overwogen in 3.5 het bestreden besluit, voor zover het betreft artikel 3, lid 3.2.2, onder e, van de planregels, te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

1.1. Bij besluit van 20 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "De Leck en De Bergen" op de volgende onderdelen gewijzigd vastgesteld:

a. artikel 16, lid 16.1, onder o en 1, van de planregels wordt zo gewijzigd dat de afstand tussen het emissiepunt van de rundveestal en de paardenhouderij tot woningen buiten de bebouwde kom minimaal 50 m bedraagt en binnen de bebouwde kom minimaal 100 m;

b. aan artikel 16, lid 16.1, wordt toegevoegd dat de mestopslag maximaal 200 m² mag bedragen en dat de totale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing maximaal 2400 m² wordt;

c. de toegestane bouwhoogte in artikel 3, lid 3.2.2, onder e, van de planregels wordt verhoogd tot 2 m.

1.2. Gelet op de tussenuitspraak is het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 9 juli 2012 gegrond en dient dit besluit, voor zover het betreft de artikelen 16, lid 16.1, onder o en 1, artikel 16, lid 16.1, onder f, en artikel 3, lid 3.2.2, onder e, van de planregels, te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

1.3. Het besluit van 20 juni 2013 is gezien artikel 6:19 van de Awb mede onderwerp van het geding. Het beroep van [appellant sub 1] wordt geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

1.4. [appellant sub 1] heeft in zijn zienswijze te kennen gegeven dat hij zich met het besluit van 20 juni 2013 kan verenigen. Gelet hierop moet het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 1] geacht worden te zijn ingetrokken.

Het beroep van [appellant sub 3] en anderen

2. Het beroep richt zich tegen het bij besluit van 20 juni 2013 gewijzigd vastgestelde artikel 16, lid 16.1, onder o en 1, van de planregels. [appellant sub 3] en anderen betogen dat de raad ten onrechte in dit artikel heeft geregeld dat de afstand tussen het emissiepunt van de rundveestal en de paardenhouderij tot woningen buiten de bebouwde kom minimaal 50 m bedraagt en binnen de bebouwde kom minimaal 100 m. [appellant sub 3] en anderen voeren hiertoe aan dat de aanleiding van de wijziging is gelegen in een fout van de gemeente. [appellant sub 3] en anderen betogen voorts dat met deze wijziging onvoldoende is gewaarborgd dat geen geurhinder zal ontstaan.

2.1. De Afdeling heeft in haar tussenuitspraak in 3.3 overwogen dat vast staat dat de voorziene nieuwe bedrijfslocatie voor het agrarisch bedrijf van [appellant sub 1] op het perceel ten zuiden van de Van Dalenlaan 120 is gelegen buiten de bebouwde kom. Vast staat voorts dat op het bedrijf melkkoeien worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) bedraagt de afstand tussen de veehouderij en een geurgevoelig object in dat geval 50 m. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij wordt deze afstand gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelige object tot het dichtstbijzijnde emissiepunt. Voor zover in artikel 16, lid 16.1, onder o en 1, van de planregels is opgenomen dat de afstand tussen het emissiepunt van de rundveestallen tot solitaire woningen 100 m dient te zijn, is dit derhalve niet in overeenstemming met de Wgv. De raad heeft dit ter zitting onderkend en aangegeven dat hij niet heeft beoogd om een grotere afstand in het plan op te nemen dan in de Wgv is voorgeschreven. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit, voor zover het betreft artikel 16, lid 16.1, onder o en 1, van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.1.1. De raad heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak artikel 16, lid 16.1, onder o en 1, van de planregels gewijzigd vastgesteld. De raad is hierbij aangesloten bij de normen opgenomen in de Wgv. Dat de aanleiding van de wijziging is gelegen in een fout van de raad bij de voorbereiding van het besluit van 9 juli 2012 betekent niet dat de raad het artikel niet heeft kunnen wijzigen. [appellant sub 3] en anderen hebben hun stelling dat het plan zal leiden tot geurhinder bij hun percelen voorts niet gemotiveerd. De raad en [appellant sub 1] hebben ter zitting toegelicht dat de gewijzigde planregel er niet toe zal leiden dat de feitelijke afstand tussen de stallen en de woningen van [appellant sub 3] en anderen korter wordt. De omgevingsvergunning voor de bouw van de stallen is reeds aangevraagd en zal volgens [appellant sub 1] niet worden gewijzigd. Anders dan [appellant sub 3] en anderen betogen heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, nu is aangesloten bij de afstandsnormen in de Wgv, ter plaatse van de woningen van [appellant sub 3] en anderen geen sprake zal zijn van geurhinder vanwege het voorziene agrarische bedrijf van [appellant sub 1].

2.2. Voor zover het beroep van [appellant sub 3] en anderen zich voorts richt tegen artikel 16, lid 16.1, onder q, en artikel 3, lid 3.3, van de planregels, geldt dat deze artikelen niet zijn gewijzigd in het besluit van 20 juni 2013. [appellant sub 3] en anderen hebben zich in hun beroep tegen het besluit van 9 juli 2012 niet gericht tegen deze artikelen. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat hetgeen [appellant sub 3] en anderen in dit opzicht aanvoeren, buiten inhoudelijke bespreking blijft.

2.3. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van de vennootschap

3. De Afdeling heeft in haar tussenuitspraak voorts overwogen dat het besluit van 9 juli 2012, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Groen" voor de westelijke strook van het noordelijke deel van het perceel aan de [locatie 1], artikel 4, lid 4.3 en artikel 4, lid 4.2.2, onder a, van de planregels, niet berust op een deugdelijke motivering en niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak:

d. met inachtneming van hetgeen is overwogen in 5.7 alsnog toereikend te motiveren waarom hij aan de westelijke strook van het noordelijke deel van het perceel aan de [locatie 1] de bestemming "Groen" heeft toegekend, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling;

e. met inachtneming van hetgeen is overwogen in 6.3 alsnog toereikend te motiveren waarom hij heeft voorzien in de in artikel 4, lid 4.3, van de planregels opgenomen uitsterfregeling, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling;

f. met inachtneming van hetgeen is overwogen in 8.4 het bestreden besluit, voor zover het betreft artikel 4, lid 4.2.2, onder a, van de planregels, te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

3.1. Bij besluit van 20 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "De Leck en De Bergen" op de volgende onderdelen gewijzigd vastgesteld:

d. de westelijke strook van het noordelijke deel van het perceel aan de [locatie 1] krijgt de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 1";

f. de toegestane bouwhoogte in artikel 4, lid 4.2.2, onder a, van de planregels wordt verhoogd tot 2 m.

De raad heeft voorts het besluit van 9 juli 2012 nader gemotiveerd, voor zover het betreft de in artikel 4, lid 4.3, van de planregels opgenomen uitsterfregeling voor het gebruik van het noordelijke deel van het perceel ten behoeve van opslag door het bedrijf. De raad heeft toegelicht dat hij ernaar streeft om langs de oostzijde van dit deelgebied een lange, ononderbroken zichtlijn in noord-zuid richting te herstellen. Volgens de raad is dit streven opgenomen in het op 28 januari 2010 vastgestelde Landschapsbeleidsplan. Door het opnemen van de uitsterfregeling kan deze doelstelling worden bereikt. Wanneer op het perceel een ander soort bedrijf wordt gevestigd, kan de inrichting van het perceel in lijn komen met de ambities zoals opgenomen in het landschapsbeleidsplan. De regeling waarborgt de gevestigde rechten van de vennootschap, die de huidige bedrijfsvoering kan voortzetten, en biedt de mogelijkheid dat de opslag op termijn verdwijnt, aldus de raad.

3.2. Gelet op de tussenuitspraak is het beroep van de vennootschap tegen het besluit van 9 juli 2012 gegrond en dient dit besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Groen" voor de westelijke strook van het noordelijke deel van het perceel aan de [locatie 1], artikel 4, lid 4.3, en artikel 4, lid 4.2.2, onder a, van de planregels, te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.

Nadere motivering van het besluit van 9 juli 2012

3.3. De vennootschap betoogt dat de raad nog altijd niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in het plan heeft voorzien in een uitsterfregeling voor het gebruik van het noordelijke deel van het perceel ten behoeve van opslag door het bedrijf. De vennootschap voert hiertoe aan dat het landschapsbeleidsplan niet ziet op zijn perceel. De vennootschap voert voorts aan dat geen sprake is van een kenmerkende zichtlijn, nu deze reeds 48 jaar is onderbroken door zijn perceel. Voorts betoogt de vennootschap dat het plan niet uitvoerbaar is, nu de raad niet in staat zal zijn de waardevermindering van zijn perceel als gevolg van het opnemen van de uitsterfregeling te vergoeden.

3.3.1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling in 6.3 overwogen dat vast staat dat het gebruik van het noordelijke deel van het perceel voor opslag reeds lange tijd plaatsvindt. Voorts staat vast dat de opslag noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van het hoveniers- en loonbedrijf. Verder acht de Afdeling het niet aannemelijk dat het gebruik van dit deel van het perceel voor opslag zal worden beëindigd met toepassing van de in artikel 4, lid 4.3, van de planregels opgenomen uitsterfregeling, nu deze niet kan worden toegepast, zolang binnen een tijdsbestek van een jaar ergens op dit deel van het perceel een vorm van opslag plaatsvindt. In het licht hiervan heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom hij ervoor heeft gekozen om een uitsterfregeling voor dit deel van het perceel op te nemen en hij hieraan niet een bestemming zonder uitsterfregeling heeft toegekend.

3.3.2. Het perceel van de vennootschap aan de [locatie 1] is gelegen in de door de raad gewenste zichtas in noord-zuidrichting, zoals beschreven in het Landschapsbeleidsplan. In dit plan staat dat een van de doelstellingen is dat de oorspronkelijke identiteit van het Velsense landschap wordt versterkt, waarbij wordt gestreefd naar een landschap waarin de ontstaansgeschiedenis van het gebied beleefbaar is. De raad heeft toegelicht dat de zichtas hiervan deel uitmaakt. Voorts heeft de raad toegelicht dat de gemeente financiële middelen beschikbaar heeft gesteld om de in het landschapsbeleidsplan omschreven ambitie te realiseren. Dat, zoals de vennootschap stelt, op de kaart behorende bij dit plan geen pijl staat die wijst naar zijn perceel, betekent niet dat dit plan geen betrekking heeft op zijn perceel nu deze pijlen, zoals de raad heeft toegelicht, indicatief zijn. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de zichtas door de opslag op het noordelijk deel van het perceel van de vennootschap wordt onderbroken. Vast staat voorts, zoals volgt uit 5.5 van de tussenuitspraak, dat de opslag op het noordelijke deel van het perceel niet in overeenstemming was met het voorheen geldende plan, maar dat de rechtbank Haarlem heeft overwogen dat het college van burgemeester en wethouders hiertegen niet handhavend kan optreden. Vanwege deze uitspraak heeft de raad er niet voor gekozen om voor de opslag van materialen op het noordelijk deel van het perceel in het geheel geen regeling in het plan op te nemen. De raad heeft zich evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze opslag niet gewenst is, nu hierdoor de gewenste zichtas wordt onderbroken. Dat volgens de vennootschap de zichtas reeds lange tijd wordt onderbroken, betekent niet dat de raad niet in redelijkheid het herstel van deze zichtas gewenst heeft kunnen achten. De raad betoogt terecht dat door het opnemen van de uitsterfregeling is gewaarborgd dat het huidige gebruik van het noordelijke deel van het perceel ten behoeve van de opslag kan worden voortgezet. De raad heeft zich voorts in zijn nadere motivering van het besluit van 9 juli 2012 terecht op het standpunt gesteld dat het gebruik van dit deel van het perceel voor opslag zal worden beëindigd met toepassing van de uitsterfregeling wanneer op het perceel een ander soort bedrijf wordt gevestigd. De raad heeft gelet hierop voldoende gemotiveerd waarom hij ervoor heeft gekozen om een uitsterfregeling voor dit deel van het perceel op te nemen en hij hieraan niet een bestemming zonder uitsterfregeling heeft toegekend.

3.3.3. Anders dan de vennootschap ten slotte betoogt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan vanwege de uitsterfregeling niet financieel uitvoerbaar is. Daargelaten de vraag of in dit geval financiële schade ontstaat vanwege het opnemen van deze regeling, bestaat in ieder geval geen aanleiding voor het oordeel dat deze schade zodanig groot zal zijn dat de raad tot een andere afweging had moeten komen.

3.3.4. Gelet op hetgeen is overwogen in 3.3.2 en 3.3.3 heeft de raad in zijn nadere motivering alsnog deugdelijk gemotiveerd waarom hij heeft voorzien in een uitsterfregeling voor het gebruik van het noordelijk deel van het perceel ten behoeve opslag. De Afdeling zal daarom met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in zoverre in stand blijven.

Besluit van 20 juni 2013

3.4. Het besluit van 20 juni 2013 is gezien artikel 6:19 van de Awb mede onderwerp van het geding. Het beroep van de vennootschap wordt geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

3.5. De vennootschap heeft in haar zienswijze te kennen gegeven dat zij zich met het besluit van 20 juni 2013 kan verenigen. Gelet hierop moet het van rechtswege ontstane beroep van de vennootschap geacht worden te zijn ingetrokken.

Proceskosten

4. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] en de vennootschap op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 3] en anderen bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] gericht tegen het besluit van 9 juli 2012 gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Velsen van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Leck en De Bergen", voor zover het betreft:

a. artikel 16, lid 16.1, onder o en 1, van de planregels;

b. artikel 16, lid 16.1, onder f, van de planregels;

c. artikel 3, lid 3.2.2, onder e, van de planregels;

d. de bestemming "Groen" voor de westelijke strook van het noordelijke deel van het perceel aan de [locatie 1];

e. artikel 4, lid 4.3, van de planregels;

f. artikel 4, lid 4.2.2, onder a, van de planregels;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van de raad van de gemeente Velsen van 9 juni 2012, voor zover vernietigd onder II.e in stand blijven;

IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] gericht tegen het besluit van 9 juli 2012 voor het overige ongegrond;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 3] en anderen gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Velsen van 20 juni 2013 geheel ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Velsen tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten:

a. aan [appellant sub 1] tot een bedrag van € 1652 (zegge: zestienhonderdtweeënvijftig euro euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. aan [appellante sub 2] tot een bedrag van € 1742,56 (zegge: zeventienhonderdtweeënveertig euro en zesenvijftig cent), waarvan € 1652 (zegge: zestienhonderdtweeënvijftig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Velsen aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 1] en € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor [appellante sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Schaaf

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013

523