Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1514

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
201209662/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2012:5707, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2011 heeft de burgemeester de sluiting gelast van de woning van [appellante] en [wederpartij] en daarbij behorende gebouwen aan de [locatie] te Utrecht voor de duur van twaalf maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209662/1/A3.

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 augustus 2012 in zaak nr. 12/1175 in het geding tussen:

[appellante] en [wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders (de Afdeling leest: de burgemeester) van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2011 heeft de burgemeester de sluiting gelast van de woning van [appellante] en [wederpartij] en daarbij behorende gebouwen aan de [locatie] te Utrecht voor de duur van twaalf maanden.

Bij besluit van 14 februari 2012 heeft de burgemeester het door [appellante] en [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 augustus 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] en [wederpartij] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2013, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door N. Verkerk, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

In lijst II zijn hasjiesj en hennep, zijnde softdrugs, vermeld.

Bij de uitvoering van zijn bevoegdheid krachtens artikel 13b, eerste lid, past de burgemeester de Beleidsregel sluiting woningen op grond van artikel 13b Opiumwet toe.

Volgens de Beleidsregel is het toepassen van bestuursdwang erop gericht de handel in of vanuit een lokaal of woning te beëindigen en beëindigd te houden. De toepassing is dan ook meer gericht op de locatie en in mindere mate op de belanghebbende. De maatregel een woning te sluiten wordt alleen ingezet als ultimum remedium in ernstige situaties in het kader van de bestuurlijke aanpak van de georganiseerde drugshandel. Het doel van de maatregel is de bekendheid van de woning als drugspand te doorbreken, de bekendheid van de woning in het drugscircuit te doorbreken dan wel te verhinderen dat de woning (weer) wordt gebruikt ten behoeve van het drugscircuit en de georganiseerde drugshandel.

Een ernstige situatie doet zich volgens de Beleidsregel voor als het aannemelijk is dat drugshandel in georganiseerd verband in of vanuit een woning plaatsvindt of als aanwezigheid van drugs hierop duidt. Indicatoren hiervoor zijn onder meer:

a. de hoeveelheid aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I en/of lijst II van de Opiumwet (dit zal in ieder geval een grotere hoeveelheid moeten zijn dan een hoeveelheid die duidt op eigen gebruik) en andere signalen die duiden op beroeps- of bedrijfsmatigheid, zoals de aanwezigheid van verpakkingsmateriaal, grote sommen geld, weegschaal en assimilatielampen;

b. de mate waarin de woning betrokken is bij de drugshandel in georganiseerd verband;

[…];

d. er is sprake van één of meer (vuur)wapen(s)/verboden wapenbezit als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie;

e. er is een vermoeden van verwijtbaarheid van de bewoner(s)/ betrokkene(n);

f. er is een vermoeden dat de bewoner(s)/betrokkene(n) verkeert/verkeren in kringen van personen met antecedenten (hierbij moet met name gedacht worden aan antecedenten ten aanzien van de Opiumwet of de Wet Wapens en Munitie);

[…].

In de Beleidsregel is voorts neergelegd dat sluiting van een woning voor bewoner(s) een aantasting van een fundamenteel grondrecht is. Anderzijds moet ook bedacht worden dat juist als het om woningen gaat, de impact van drugshandel op de omgeving/omwonenden groot is. Toepassing van de maatregel moet zorgvuldig gebeuren.

Ten aanzien van de sluitingstermijn is bepaald dat deze dient te passen bij het ultimum remedium karakter van het instrument en de ernst van de situatie. Nu de maatregel alleen wordt ingezet bij ernstige situaties is een sluitingstermijn van minimaal zes maanden tot maximaal twaalf maanden redelijk. Hiermee kan maatwerk geleverd worden passend bij de ernst van de situatie. Zo kan bijvoorbeeld bij verzwarende omstandigheden (bijvoorbeeld aanwezigheid van minderjarige(n), combinatie van indicatoren, weging van de indicatoren) de termijn verlengd worden. Een sluitingstermijn langer dan zes maanden dient in het besluit extra gemotiveerd te worden.

Afwijking van het beleid kan noodzakelijk zijn indien zich bijzondere feiten of omstandigheden voordoen. Toepassing van deze maatregel is immers maatwerk. Bijzondere persoonlijke omstandigheden van betrokkenen, zoals de mate van zelfredzaamheid kunnen hier bijvoorbeeld in meegenomen worden, aldus de Beleidsregel.

2. Ten tijde hier van belang werd de woning gehuurd door [wederpartij] en [appellante]. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellante] van maart 2011 tot en met december 2011 wegens verblijf in het buitenland niet in de woning aanwezig was. In februari 2011 is de politie een strafrechtelijk onderzoek begonnen naar de [zoon] van [wederpartij] en de kleinzoon van [appellante]. Volgens de politie verbleef hij vanaf februari 2011 al langere tijd dagelijks in de woning.

3. De burgemeester heeft de sluiting van de woning met daarbij behorende gebouwen gelast, omdat deze volgens hem zijn gebruikt voor grootschalige, georganiseerde handel in hennep en hennepproducten, hetgeen een ernstige situatie in de zin van de Beleidsregel oplevert. Volgens de burgemeester doen zich de indicatoren a, b, d, e en f voor. Aan dat standpunt heeft hij een proces-verbaal van de politie van 8 september 2011 ten grondslag gelegd. Daaruit volgt dat de politie in het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar [zoon] op 5 juli 2011 de woning en bijbehorende schuur heeft doorzocht en daarbij 24,78 kg henneptoppen, diverse zogenoemde sealbags, een plak hasjiesj van 100 gr, 40 gr wit poeder, contante geldbedragen van in totaal ruim € 10.000,00, drie weegschalen en een imitatievuurwapen heeft aangetroffen. Verder zijn op die dag in de voor de woning geparkeerde auto van [zoon] een gebruiksklaar vuurwapen met bijbehorende munitie, elf scherpe patronen, vier telefoons en vijf simkaarten voor telefoons aangetroffen. Dat het om georganiseerde drugshandel gaat, blijkt volgens de burgemeester - naast de grote hoeveelheid drugs en hetgeen overigens bij de doorzoekingen is aangetroffen - voorts uit het gegeven dat uit telefoontaps en observatie van de politie is gebleken dat [zoon] samen met [persoon] is betrokken bij de kweek en handel in hennep, en de drugs op 4 juli 2011 in de woning zijn afgeleverd en door [wederpartij] in ontvangst zijn genomen. Tevens heeft de burgemeester in aanmerking genomen dat in de voormalige woning van [zoon] restanten zijn aangetroffen van een geoogste hennepkwekerij.

Bij het bepalen van de sluitingsduur heeft de burgemeester met name de geconstateerde grootschaligheid van de overtreding van de Opiumwet, het georganiseerde verband waarin dit heeft plaatsgevonden en het aantreffen van een vuurwapen meegewogen. Volgens hem is een sluiting van twaalf maanden noodzakelijk om te bewerkstelligen dat in de woning daadwerkelijk geen verdovende middelen meer aanwezig kunnen zijn ten behoeve van de handel, zodat herhaling wordt voorkomen. Hierbij heeft hij in aanmerking genomen dat het algemeen bekend is dat er risico’s zijn verbonden aan georganiseerde hennephandel en de toepassing van daadwerkelijk geweld in of bij de woning dient te worden voorkomen.

De omstandigheid dat [appellante] ten tijde hier van belang niet in de woning aanwezig was, maakt volgens de burgemeester niet dat hij niet tot sluiting van de woning voor twaalf maanden heeft kunnen overgaan, aangezien zij mede verantwoordelijk is voor wat er in de woning gebeurt. Daarnaast is volgens hem niet gebleken dat zij niet zelfredzaam is.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester niet bevoegd was tot toepassing van de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet over te gaan, dan wel deze bevoegdheid heeft misbruikt, nu ten tijde van het besluit de illegale situatie reeds vijf maanden was beëindigd en het doel dat volgens de Beleidsregel met het sluiten van een woning wordt beoogd, niet meer behaald hoefde te worden. Daartoe voert zij aan dat [zoon] op 5 juli 2011 is aangehouden en zich wegens zijn detentie sindsdien niet meer in de woning heeft begeven, zodat er geen kans op herhaling bestond. Verder zijn tussen de huiszoeking en het besluit van 28 november 2011 geen drugs in de woning aanwezig geweest en heeft geen drugsgerelateerde overlast plaatsgevonden. Voor zover de woning bekend was als drugspand of in het drugscircuit, was dat ten tijde van dat besluit niet meer het geval, aldus [appellante].

4.1. [appellante] heeft niet betwist dat in de woning en schuur op 5 juli 2011 24,78 kg henneptoppen en 100 gr hasjiesj zijn aangetroffen. Deze hoeveelheden overschrijden ruim de toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik. De burgemeester heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat de aangetroffen softdrugs voor handel waren bestemd, hetgeen wordt ondersteund door de overige bevindingen van de politie. Gelet hierop heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2010 in zaak nr. 201003280/1/H3, terecht overwogen dat de burgemeester bevoegd was krachtens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet sluiting van de woning te gelasten.

Uit de Beleidsregel volgt dat de burgemeester deze bevoegdheid alleen aanwendt bij ernstige situaties, hetgeen zich voordoet als aannemelijk is dat drugshandel in georganiseerd verband in of vanuit een woning plaatsvindt of als aanwezigheid van drugs hierop duidt. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester zich, gelet op de aangetroffen handelshoeveelheden softdrugs, de sealbags, de weegschalen, het vuurwapen en de contante geldbedragen alsmede de onder 3. vermelde niet bestreden bevindingen uit het politieonderzoek naar [zoon], in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aannemelijk was dat de woning en daarbij behorende gebouwen waren betrokken bij georganiseerde drugshandel. De burgemeester heeft overeenkomstig de Beleidsregel tot sluiting daarvan kunnen overgaan.

4.2. Evenals de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat deze bevoegdheid niet aan de burgemeester is komen te ontvallen, dan wel dat hij daarvan in redelijkheid geen gebruik had mogen maken, als gevolg van het tijdsverloop tussen de doorzoekingen op 5 juli 2011 en het besluit van 28 november 2011. De rechtbank heeft in dit verband terecht van belang geacht dat, zoals de burgemeester in het besluit van 14 februari 2012 heeft toegelicht, hij eerst op 8 september 2011 het dossier van de politie heeft ontvangen en vervolgens uit zorgvuldigheid meermalen aanvullende vragen aan de opsporingsinstantie heeft gesteld. Voorts zijn [wederpartij] en [appellante] in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen. Onder deze omstandigheden, mede gelet op de ingrijpende strekking van een woningsluiting, heeft de rechtbank de termijn tussen de doorzoekingen en het besluit van 28 november 2011 terecht niet onredelijk lang geacht.

De rechtbank is eveneens terecht tot het oordeel gekomen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het doel van de maatregel, in dit geval gelegen in het verhinderen dat de woning weer wordt gebruikt ten behoeve van de georganiseerde drugshandel, op 28 november 2011 niet meer kon worden bereikt. De burgemeester heeft in redelijkheid geen gewicht hoeven toekennen aan de omstandigheid dat [zoon] ten tijde van het besluit was gedetineerd, reeds omdat de burgemeester op het voortduren van die detentie geen invloed had. Voorts was, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, [wederpartij], van wie in het proces-verbaal van de politie wordt vermeld dat zij een telefoongesprek met[zoon] heeft gevoerd en drugs van een derde in ontvangst heeft genomen, op dat moment nog in de woning aanwezig. De burgemeester heeft zich onder deze omstandigheden ten tijde van het besluit van 28 november 2011 in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet vaststond dat de woning niet meer gebruikt zou worden voor georganiseerde drugshandel. Gelet hierop behoeft de vraag in hoeverre de woning op dat moment nog bekend was als drugspand of in het drugscircuit geen beantwoording. Verder is voor de toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet niet vereist dat zich daadwerkelijk drugsgerelateerde overlast in de omgeving van de woning voordoet, nu die bepaling primair ziet op het tegengaan van drugshandel.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot een sluiting van twaalf maanden. Volgens haar is de belangenafweging van de burgemeester onbegrijpelijk en is het opleggen van de maximale sluiting onevenredig. Daartoe voert zij aan dat haar niets valt te verwijten, haar fundamentele grondrechten worden geschonden, zij reeds op hoge leeftijd is, ten tijde van het besluit de illegale situatie reeds was beëindigd en uit steunbetuigingen van buurtbewoners blijkt dat er geen impact van drugshandel op de omgeving of omwonenden is. Daarnaast heeft de burgemeester bij het bepalen van de sluitingsduur ten onrechte geen gewicht toegekend aan de omstandigheid dat in de woning geen harddrugs zijn aangetroffen, aldus [appellante].

5.1. Volgens de Beleidsregel bestaat aanleiding een sluitingstermijn van meer dan zes maanden op te leggen in geval van verzwarende omstandigheden, zoals een combinatie van indicatoren. In dit geval heeft de burgemeester verschillende in de Beleidsregel genoemde indicatoren aan het besluit ten grondslag gelegd. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester met name uit de aanwezigheid van de grote hoeveelheid softdrugs, het vuurwapen en de drugsgerelateerde antecedenten van [zoon] in redelijkheid de conclusie heeft kunnen trekken dat de situatie in dit geval dermate ernstig was dat een sluiting van twaalf maanden nodig was om te voorkomen dat de woning opnieuw zou worden gebruikt voor de georganiseerde drugshandel. Zoals hiervoor onder 4.2. is overwogen, hoefde hij daarbij geen doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de omstandigheid dat [zoon] ten tijde van de besluitneming gedetineerd was en zich op dat moment geen aantoonbare drugsgerelateerde overlast voordeed.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de maatregel om een woning te sluiten is gericht op de woning en niet op de bewoners, zodat voor de duur van de sluiting geen onderscheid kan worden gemaakt tussen [wederpartij] en [appellante], al naar gelang hun persoonlijke verwijtbaarheid. De burgemeester heeft, gelet op de ernst van de situatie, het algemeen belang dat is gediend met beëindiging van de drugshandel door sluiting van de woning in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van [appellante] bij het ongestoord kunnen uitoefenen van haar woongenot en privéleven. De rechtbank heeft in dat verband terecht overwogen dat de burgemeester in de persoonlijke omstandigheden van [appellante] in redelijkheid geen aanleiding hoefde te zien om in afwijking van zijn beleid af te zien van een sluiting voor de duur van twaalf maanden, nu zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet zelfredzaam zou zijn en als gevolg van haar leeftijd slechts op deze woning was aangewezen.

Dat in de woning geen harddrugs zijn aangetroffen, maakt evenmin dat de burgemeester niet in redelijkheid een sluiting van twaalf maanden heeft kunnen gelasten. In de Beleidsregel is er uitdrukkelijk voor gekozen bij de termijn van de sluiting geen onderscheid te maken tussen middelen van lijst I, zijnde harddrugs, en middelen van lijst II, zijnde softdrugs, van de Opiumwet. De reden daarvan is dat bij toepassing van de maatregel om een woning te sluiten dermate ernstige situaties aan de orde zijn dat, ook als het gaat om softdrugs, hiervan een ondermijnende werking op de samenleving uitgaat, aldus de Beleidsregel. De rechtbank heeft dat beleid terecht niet kennelijk onredelijk geacht.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013

611.