Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1503

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
201201664/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:7528, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2009 heeft het college de marktvergunning van [appellant] geschorst met ingang van 12 november 2009 tot 10 december 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201664/1/A3.

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 december 2011 in zaak nr. 10/4425 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2009 heeft het college de marktvergunning van [appellant] geschorst met ingang van 12 november 2009 tot 10 december 2009.

Bij besluit van 3 juni 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 juni 2010 vernietigd, het bezwaar ongegrond verklaard, en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

[appellant] heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2013, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Uit het in artikel IV neergelegde overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

2. Ingevolge 4, eerste lid, van de Marktverordening Rotterdam 2008 is het verboden een staanplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college.

Ingevolge artikel 7 is het verboden om een andere staanplaats in te nemen dan die, welke overeenkomstig de bij of krachtens deze verordening gegeven regels is toegewezen.

Ingevolge artikel 12 kan het college een marktvergunning, al dan niet voorwaardelijk, intrekken, dan wel telkens voor een nader te bepalen aantal marktdagen of te bepalen periode, al dan niet voorwaardelijk, schorsen, indien de vergunninghouder:

(...)

d. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;

e. het marktpersoneel belemmert in de uitoefening van zijn taak dan wel door het marktpersoneel gegeven aanwijzingen niet naleeft;

f. direct of indirect de goede gang van zaken op de markt in gevaar brengt of verstoort;

(...).

Ingevolge artikel 13 kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet een vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen en de staanplaats te ontruimen indien hij:

a. zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;

b. de marktmeester dan wel de bij besluit van het college aangewezen toezichthoudende personen belemmert in de uitoefening van hun functie dan wel gegeven aanwijzingen niet naleeft;

c. direct of indirect de goede gang van zaken in gevaar brengt of verstoort.

3. Volgens het college heeft [appellant] op 11 november 2009 de goede gang van zaken op de markt bewust en ernstig verstoord door in strijd met de regels een niet aan hem toegewezen plaats in te nemen. Het college heeft de door [appellant] ingenomen staanplaats met nummer 423 daarom ontruimd, waarbij [appellant] luidkeels zijn ongenoegen kenbaar heeft gemaakt, aldus het college. Op grond van deze ontruiming, en omdat [appellant] reeds eerder in de maand juli van het jaar 2009 is geschorst voor een periode van drie maanden voor wangedrag en het eveneens verstoren van de goede gang van zaken op de markt, heeft het college de marktvergunning van [appellant] bij besluit van 9 december 2009 met ingang van 12 november 2009 tot 10 december 2009 geschorst.

4. Volgens [appellant] heeft de rechtbank door zijn bezwaar tegen het besluit van 9 december 2009 ongegrond te verklaren niet onderkend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten zijn marktvergunning te schorsen voor een maand. Hij voert voorts aan dat deze schorsing voor een maand in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat een sanctie voor vier weken voor alle Rotterdamse markten voor de ene marktkoopman op meer dagen neerkomt dan voor de andere koopman.

4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college op grond van artikel 12, aanhef en onder f, van de marktverordening bevoegd was om de vergunning van [appellant] te schorsen en dat het college in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken door een schorsing met de duur van een maand op te leggen. Het college heeft daartoe in aanmerking mogen nemen dat [appellant] op 11 november 2009 de goede gang van zaken op de markt heeft verstoord en dat de marktvergunning van [appellant] in juli 2009 voor een periode van drie maanden is geschorst wegens wangedrag en eveneens wegens verstoring van de goede gang van zaken op de markt. Niet is gebleken dat het college zijn bevoegdheid heeft aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend. Dat de schorsing voor een maand in strijd is met het gelijkheidsbeginsel heeft [appellant] voor het eerst aangevoerd in hoger beroep. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak en er geen reden is waarom dit betoog niet bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 49, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, kan de Afdeling, indien zij het hoger beroep gegrond verklaart, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die deze partij lijdt.

Reeds omdat de Awb niet de mogelijkheid biedt schadevergoeding toe te kennen ingeval het hoger beroep ongegrond wordt verklaard, dient het verzoek van [appellant] om toepassing van artikel 8:73 van de Awb te worden afgewezen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013

176-671.