Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1484

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
201305911/2/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bouwlocaties Tull en 't Waal" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201305911/2/R6.

Datum uitspraak: 1 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker A] en [verzoeker B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), wonend onderscheidenlijk gevestigd te Houten,

verzoekers,

en

1. de raad van de gemeente Houten, en

2. het college van burgemeester en wethouders van Houten,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bouwlocaties Tull en 't Waal" vastgesteld.

Bij besluit van 6 juni 2013 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van 40 woningen binnen het plangebied.

Bij besluit van 31 januari 2012 heeft de raad besloten voornoemde besluiten gecoördineerd voor te bereiden en bekend te maken, zoals bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening.

Tegen de besluiten van 23 mei 2013 en 6 juni 2013 heeft onder meer [verzoeker] beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 september 2013, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. drs. A.W. van Ojen, en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door ing. R.D. de Goede, ing. W.F. de Moed en ing. L. van der Meer, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dura Vermeer Divisie Bouw en Vastgoed, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan voorziet in een planologisch-juridisch kader voor de bouw van woningen aan de noordwestzijde van de kern Tull en 't Waal tegenover het fruitteeltbedrijf van [verzoeker]. In verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen door [verzoeker] ten behoeve van fruitteelt nabij de voorziene nieuwe woningen voorziet het plan onder meer in een zone waarbinnen een driftreductie van 90 procent is vereist.

3. Gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is het verzoek van [verzoeker] om schorsing van het plan gericht tegen de vereiste driftreductie van 90 procent uit artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels. Ingevolge dit artikelonderdeel is het gebruik van gronden ten behoeve van fruitteelt uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "fruitteelt", met dien verstande dat chemische bestrijdingsmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen alleen mogen worden verwerkt met apparatuur met een driftreductieklasse van 90 procent dan wel maatregelen worden genomen die in de zelfde mate de drift tot buiten de aanduiding fruitteelt beperken.

4. Volgens [verzoeker] wordt de bedrijfsvoering van zijn fruitteeltbedrijf ten onrechte beperkt doordat artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels ook van toepassing is op neerwaarts spuiten en het bedrijf geen geschikte apparatuur heeft die de driftreductie bij neerwaarts spuiten voldoende beperkt.

De raad stelt zich op het standpunt dat het plan geen beperking oplevert voor neerwaarts spuiten omdat het zij- en opwaarts spuiten maatgevend is. De voorzitter is evenwel op voorhand van oordeel dat artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels geen onderscheid maakt naar de mate waarin de verschillende spuitrichtingen van invloed zijn op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. Niet valt uit te sluiten dat artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels ook voor neerwaarts spuiten een driftreductie van 90 procent vereist. Voorts is niet komen vast te staan dat [verzoeker] reeds over apparatuur voor neerwaarts spuiten met een driftreductie van 90 procent beschikt. Het standpunt van de raad dat uit inspectie is gebleken dat [verzoeker] hierover beschikt, is door [verzoeker] weersproken met het standpunt dat het gemeentebestuur alleen de apparatuur voor zij- en opwaarts spuiten heeft bekeken. Gelet hierop acht de voorzitter op voorhand aannemelijk dat bedrijfsvoering van [verzoeker] door artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels wordt beperkt.

Voorts is in het verweerschrift en ter zitting naar voren gekomen dat de voorziene woningen niet gebouwd zullen worden totdat de met het plan gecoördineerd vastgestelde omgevingsvergunning voor het bouwen in rechte onaantastbaar is. Nu met de bouw van de woningen wordt gewacht dient het beschermende regime uit artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels vooralsnog geen belang dat de beperking van de bedrijfsvoering van [verzoeker] rechtvaardigt.

Gelet op het vorenstaande is met het verzoek een spoedeisend belang gemoeid en ziet de voorzitter aanleiding het verzoek toe te wijzen en de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Houten van 23 mei 2013 wat betreft artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels, voor zover het betreft de frase ", met dien verstande dat chemische bestrijdingsmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen alleen mogen worden verwerkt met apparatuur met een driftreductieklasse van 90 procent dan wel maatregelen worden genomen die in de zelfde mate de drift tot buiten de aanduiding fruitteelt beperken";

II. gelast dat de raad dan wel het college van burgemeester en wethouders van Houten aan [verzoeker A] en [verzoeker B] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoeden, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Hupkes

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2013

635.