Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1470

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
201302875/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 januari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kern Westervoort" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302875/1/R2.

Datum uitspraak: 9 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Westervoort,

en

de raad van de gemeente Westervoort,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kern Westervoort" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2013, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door J.J. Eikens, werkzaam bij de gemeente, en M.A.A. Geerts, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actualisering van het voorheen geldende bestemmingsplan voor de kern van Westervoort, waarbinnen onder meer het winkelcentrum en de stationsomgeving zijn gelegen.

3. [appellant] kan zich niet verenigen met de in het plan aan zijn perceel [locatie] toegekende bestemming "Bedrijf". Daartoe voert hij het volgende aan.

Volgens [appellant] voorziet het plan ten onrechte niet langer in de mogelijkheid op zijn perceel volumineuze detailhandel, waaronder autohandel moet worden verstaan, te voeren. Door deze beperking van de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel wordt hij onevenredig in zijn belangen getroffen, nu zijn perceel zich bij uitstek leent voor een garagebedrijf en autohandel, aldus [appellant].

Voorts wijst [appellant] erop dat de raad ten onrechte stelt dat het beperken van de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel ten opzichte van het voorheen geldende plan passend is in deze tijd. Deze beperking vormt een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn ingevolge artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens beschermde eigendomsrecht, aldus [appellant].

3.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels, voor zover thans van belang, zijn de voor de bestemming "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven ter plaatse van de aanduiding: ‘bedrijven ten hoogste tot en met categorie 2’ voor bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, nutsvoorzieningen, buitenopslag van goederen en bestaande bedrijfswoningen, met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.

Ingevolge artikel 1, lid 1.19, van de planregels, wordt onder bedrijf verstaan een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.

Ingevolge artikel 1, lid 1.40, van de planregels, wordt onder detailhandel verstaan het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

Blijkens de verbeelding bij het plan is aan het perceel [locatie] naast de bestemming "Bedrijf" de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’ toegekend.

3.2. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Kern 2000" was aan het perceel [locatie] de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" toegekend. Ingevolge artikel 10 van de planregels van dat plan waren de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor bedrijven die worden genoemd in categorie 1 of 2 van de in de bijlage bij de planregels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten, en voor bedrijven die naar de aard gelijk te stellen zijn met dergelijke bedrijven. De handel in auto’s en motorfietsen was niet opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten en was derhalve onder het vorige plan niet toegestaan.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat met het thans voorliggende plan de gebruiksmogelijkheden van het perceel [locatie] worden beperkt ten opzichte van het voorheen geldende plan. Voor zover [appellant] wijst op de vermelding van zijn perceel als autohandelbedrijf in de plantoelichting van het voorheen geldende plan, wordt overwogen dat de toelichting niet juridisch bindend is en dat daaraan geen doorslaggevende betekenis toekomt. Nu de gebruiksmogelijkheden van het perceel [locatie] ten opzichte van het voorheen geldende plan niet worden beperkt, kan evenmin sprake zijn van een ongerechtvaardigde inbreuk op het eigendomsrecht van [appellant]. Het betoog faalt.

4. [appellant] wijst op verschillende percelen gelegen in de nabijheid van zijn eigen perceel, waarop volgens hem bedrijfsactiviteiten plaatsvinden die ingevolge het thans voorliggende plan niet zijn toegestaan. De voorbereiding van het plan is ten aanzien van deze bedrijven onzorgvuldig verlopen, nu deze bedrijven op verschillende manieren in het plan zijn opgenomen, aldus [appellant].

[appellant] betoogt voorts dat verschillende voorheen illegale bedrijven ten onrechte als zodanig in het plan zijn bestemd. Volgens hem gaat daarvan een verkeerd signaal uit.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat naar aanleiding van de inventarisatie voor alle bedrijfsactiviteiten in het plangebied een passende regeling is getroffen en dat in geen enkel geval zonder verdere reden een voorheen illegaal bedrijf als zodanig in het plan is bestemd.

4.2. Op de percelen waarop [appellant] heeft gewezen zijn verschillende vormen van bedrijvigheid aanwezig. De raad heeft uiteengezet dat afhankelijk van de bestaande bedrijfsactiviteiten, die door middel van een inventarisatie in kaart zijn gebracht, verschillende bestemmingen aan de desbetreffende percelen zijn toegekend. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij bedrijfsactiviteiten in een woonomgeving in beginsel niet passend acht en dat daarom waar mogelijk is gekozen voor het aan de desbetreffende percelen toekennen van de bestemmingen "Wonen" en "Gemengd". Met deze bestemmingen heeft hij beoogd het voortzetten van de bestaande legale bedrijfsactiviteiten mogelijk te maken. Binnen de bestemmingen "Wonen" en "Gemengd" is volumineuze detailhandel niet toegestaan. Alleen aan het perceel Slagt 8 is de bestemming "Bedrijf" toegekend, omdat gelet op de voorgeschiedenis van de bedrijfsactiviteiten op dat perceel het beëindigen van de bedrijfsbestemming niet mogelijk bleek. Binnen de bestemming "Bedrijf" is volumineuze detailhandel evenmin toegestaan. Voor zover de bedrijfsvoering van de in het plangebied aanwezige bedrijven de beperkingen van de daaraan toegekende bestemmingen te buiten gaat, zal daartegen handhavend worden opgetreden, aldus de raad.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de raad de genoemde bestemmingen niet in redelijkheid aan de desbetreffende percelen heeft kunnen toekennen. Evenmin geeft hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte bedrijfsactiviteiten die voorheen niet waren toegestaan, als zodanig in het plan heeft bestemd. Voor het oordeel dat het plan in zoverre onzorgvuldig is voorbereid bestaat dan ook geen aanleiding. Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat het plan onzorgvuldig is voorbereid, nu het besluit het plan vast te stellen is gebaseerd op gebrekkig onderzoek. Ook is volgens hem ten onrechte geen verslag van het onderzoek naar de bestaande bedrijfsactiviteiten in de kern van Westervoort opgesteld of is anderszins inzichtelijk gemaakt op welke wijze de inventarisatie hiervan is verricht.

5.1. De raad heeft toegelicht dat een inventarisatie van de bestaande bedrijfsactiviteiten in de kern van Westervoort heeft plaatsgevonden door middel van een veldonderzoek, waarbij de verschillende bedrijven in kaart zijn gebracht. Bij deze inventarisatie is rekening gehouden met de op dat moment bestaande planologische mogelijkheden voor die bedrijven. Voorts heeft de raad toegelicht dat van deze inventarisatie geen zelfstandig verslag is verschenen, maar dat de in het voorliggende bestemmingsplan voor de verschillende bedrijven opgenomen planologische regelingen een weerslag vormen van de inventarisatie.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de inventarisatie onzorgvuldig is gedaan. De raad heeft bij het nemen van het bestreden besluit dan ook in redelijkheid van de inventarisatie kunnen uitgaan. In zoverre bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Dat geen zelfstandig verslag van de inventarisatie is opgesteld maakt dat niet anders, nu de resultaten van de inventarisatie in het plan zijn verwerkt en daarmee voldoende inzichtelijk zijn gemaakt. Het betoog faalt.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Broekman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2013

159-726