Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1461

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
201301659/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:142, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 februari 2012 heeft het algemeen bestuur een aantal wijzigingen in de Legger Waterkeringen vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/395

Uitspraak

201301659/1/A4.

Datum uitspraak: 9 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van 11 januari 2013 in zaak nr. 12/1290 in het geding tussen:

[appellante]

en

het algemeen bestuur van waterschap Rivierenland.

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2012 heeft het algemeen bestuur een aantal wijzigingen in de Legger Waterkeringen vastgesteld.

Bij uitspraak van 11 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het algemeen bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 augustus 2013, waar [appellante] is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet draagt de beheerder zorg voor de vaststelling van een legger, waarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. Van de legger maakt deel uit een overzichtskaart, waarop de ligging van waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones staat aangegeven.

Ingevolge artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet stelt het algemeen bestuur tevens de legger vast waarin onderhoudsplichtigen of onderhoudsverplichtingen worden aangewezen.

2. De bij het besluit van 10 februari 2012 vastgestelde wijzigingen in de legger zijn het gevolg van de verbetering en versterking van een drietal dijkvlakken van primaire waterkeringe[appellante] heeft bezwaren tegen de wijzigingen voor zover deze zien op het dijkvak van de Lekdijk bij Zederik. Als gevolg van de wijzigingen bevindt zich een deel van het perceel van [appellante] in de beschermingszone van de Lekdijk.

3. [appellante] betoogt dat het algemeen bestuur niet bevoegd was tot het vaststellen van de legger voor zover deze betrekking heeft op haar perceel. Hiertoe stelt zij dat het waterschap niet de eigendom heeft van haar perceel.

3.1. Voor het antwoord op de vraag of het algemeen bestuur bevoegd was tot het vaststellen van de legger is niet relevant of het waterschap ook de eigendom heeft van de gronden ten aanzien waarvan de legger geldt. De bevoegdheid van het algemeen bestuur tot het vaststellen van de legger ten aanzien van de Lekdijk vloeit voort uit de omstandigheid dat dit een waterstaatswerk is. Ingevolge artikel 5.1 van de Waterwet was het algemeen bestuur bevoegd ten aanzien daarvan een legger vast te stellen.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de in de legger opgenomen beperkingen ten aanzien van bouwen en beplanting op en het gebruik van haar perceel een schending van haar eigendomsrecht oplevert.

4.1. Ingevolge artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Deze bepalingen tasten op geen enkele wijze het recht aan dat een staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

4.2. Anders dan waarvan [appellante] uitgaat, wordt haar grond niet onteigend. Het vastleggen van een bredere beschermingszone in de legger heeft wel tot gevolg dat ten aanzien van een deel van haar perceel ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 beperkingen in het gebruik gelden.

In zoverre de vaststelling van de legger is aan te merken als aantasting van het recht op ongestoord genot van het eigendom van [appellante], heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat dit een regulering is van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het vastleggen van de beschermingszone in de legger als doel heeft de bescherming en instandhouding van de Lekdijk als primaire waterkering, zodat met het vaststellen van de legger, anders dan [appellante] heeft gesteld, het algemeen belang is gediend. Met die regulering is voorts een goede balans bereikt tussen de bescherming van de belangen van het individu en het algemeen belang. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het vaststellen van de legger niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het algemeen bestuur ten onrechte niet de door haar als gevolg van het besluit van 10 februari 2012 geleden schade heeft vergoed.

5.1. De vergoeding van eventueel geleden schade valt buiten de omvang van dit geding. De Waterwet kent daarvoor in artikel 7.14 een eigen regeling. Het betoog faalt reeds daarom.

6. Hetgeen [appellante] voor het overige heeft aangevoerd, onder meer dat op dan wel in nabijheid van haar perceel ten onrechte grond tot 1.20 m diep is vergraven, sloten zijn gedempt en een hekwerk is geplaatst van drie m hoog, behoeft geen bespreking, omdat dit geen betrekking heeft op het besluit van 10 februari 2012.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2013

457-784.