Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1451

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-10-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
201300132/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/406
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300132/1/V4.

Datum uitspraak: 4 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank

's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 18 december 2012 in zaken nrs. 12/37706 en 12/37708 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 december 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het advies van MediFirst (hierna: het advies) niet inzichtelijk en concludent is en dat, nu de staatssecretaris geen nader onderzoek heeft laten doen, hij niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 3:2 van de Awb op hem rustende vergewisplicht. Voor deze overweging heeft de voorzieningenrechter, volgens de staatssecretaris, ten onrechte redengevend gevonden dat uit het advies niet blijkt waarom de vreemdeling kan worden gehoord ondanks de omstandigheden dat hij bij denken en praten over nare gebeurtenissen die hij zegt te hebben meegemaakt emotioneel kan raken, (bij veel spanningen) hoofdpijnklachten kan krijgen, flauw kan vallen en zijn concentratie en het geheugen verminderd kunnen zijn. Aldus heeft de voorzieningenrechter, zo betoogt de staatssecretaris, niet onderkend dat het uitgangspunt is dat elke asielzoeker wordt gehoord, ook als er beperkingen zijn. Nu in het advies helder is omschreven onder welke randvoorwaarden de vreemdeling kan worden gehoord, heeft de voorzieningenrechter ten onrechte geoordeeld dat het advies niet inzichtelijk en concludent is, aldus de staatssecretaris. Voorts heeft de voorzieningenrechter, door te overwegen dat hij niet inziet hoe het advies om de vragen eenduidig te stellen en structuur aan te bieden behulpzaam zou kunnen zijn, volgens de staatssecretaris, nu een deskundigenbericht van de zijde van de vreemdeling ontbreekt, de deskundigheid van MediFirst ten onrechte in twijfel getrokken.

1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 april 2011 in zaak nr. 201009709/1/V2), moet de staatssecretaris, indien en voor zover hij een advies van MediFirst aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er ingevolge artikel 3:2 van de Awb van vergewissen dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

Indien de staatssecretaris heeft voldaan aan de aldus op hem rustende vergewisplicht, kan een vreemdeling de uitkomst van een advies van MediFirst slechts succesvol bestrijden door overlegging van een andersluidend deskundigenadvies.

1.2. De Afdeling heeft eerder, onder meer in haar uitspraken van 14 mei 2013 in zaken nrs. 201201203/1/V4 en 201206071/1/V2, overwogen dat de desbetreffende vreemdeling niet heeft bestreden dat MediFirst het onderzoek overeenkomstig het Protocol Medisch advies Horen en Beslissen heeft uitgevoerd, hetgeen waarborgt dat een advies voldoet aan de vanuit een oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid te stellen eisen, zodat ervan moet worden uitgegaan dat het desbetreffende advies zorgvuldig tot stand is gekomen.

1.3. De staatssecretaris heeft de vreemdeling voor indiening van zijn asielaanvraag medisch laten onderzoeken door MediFirst. De resultaten van dit onderzoek zijn weergegeven in het advies. Het advies vermeldt dat de vreemdeling bij het denken en praten over nare gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt emotioneel kan raken, (bij veel spanningen) hoofdpijnklachten kan krijgen, flauw kan vallen en zijn concentratie en het geheugen verminderd kunnen zijn, maar dat de staatssecretaris de vreemdeling wel kan horen. In antwoord op de vraag met welke beperkingen de staatssecretaris bij het horen rekening moet houden, wordt in het advies vermeld dat de vreemdeling soms geen antwoord kan geven op meervoudige vragen en dat het helpt om de vragen eenduidig te stellen en structuur tijdens het gesprek aan te bieden.

1.4. Uit het advies blijkt dat een verpleegkundige de vreemdeling heeft gezien. Verder is het advies voorzien van zowel de handtekening van deze verpleegkundige als die van een arts. Deze handtekeningen zijn, zoals de vreemdeling heeft gesteld, niet handgeschreven, maar ingescand. Hieraan kan evenwel niet de conclusie worden verbonden dat de verpleegkundige en de arts niet weten dat zij het advies hebben getekend, zodat in zoverre geen grond bestaat voor het oordeel dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daartoe is van belang dat de staatssecretaris ter zitting bij de rechtbank nader heeft toegelicht dat deze wijze van tekenen vaker voorkomt en de vreemdeling geen andersluidende informatie over de werkwijze van MediFirst heeft ingebracht. Dat, zoals de vreemdeling heeft gesteld, het advies een onjuiste datum vermeldt, leidt, nu dit een kennelijke verschrijving betreft, evenmin tot het oordeel dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. Nu uit hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd derhalve niet blijkt dat MediFirst het onderzoek niet overeenkomstig het Protocol Medisch advies Horen en Beslissen heeft uitgevoerd, moet, gezien voormelde uitspraken van 14 mei 2013, ervan worden uitgegaan dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen. De staatssecretaris klaagt derhalve terecht dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat hij heeft voldaan aan de ingevolge artikel 3:2 van de Awb op hem rustende vergewisplicht.

1.5. Voorts betoogt de staatssecretaris terecht dat de deskundigheid van MediFirst mede ziet op randvoorwaarden waaronder het horen van een vreemdeling met medische problemen moet plaatsvinden. Nu de bestuursrechter terzake geen deskundigheid heeft en de vreemdeling de uitkomst van het advies niet door overlegging van een andersluidend deskundigenadvies heeft bestreden, heeft de voorzieningenrechter ten onrechte aanleiding gezien om het advies van MediFirst, om vragen aan de vreemdeling eenduidig te stellen en structuur tijdens het gesprek aan te bieden, in twijfel te trekken.

1.6. Nu het advies er niet toe strekt dat de staatssecretaris de vreemdeling niet of nog niet kan horen, heeft de voorzieningenrechter, bij gebreke aan een andersluidend deskundigenadvies, eveneens niet onderkend dat de staatssecretaris terecht ervan is uitgegaan dat de vreemdeling geen medische beperkingen heeft die aan het horen in de weg staan.

1.7. Voorts geven de verslagen van de gehoren er geen blijk van dat de vreemdeling tijdens de gehoren desalniettemin niet in staat was verklaringen af te leggen en vragen te beantwoorden. Blijkens het verslag van het eerste gehoor is aan de vreemdeling gevraagd of hij lichamelijk en geestelijk in staat was het gehoor te laten plaatsvinden, waarop de vreemdeling bevestigend heeft geantwoord. Ook tijdens het nader gehoor is aan de vreemdeling gevraagd of hij lichamelijk en geestelijk in staat was het gehoor te laten plaatsvinden, welke vraag de vreemdeling bevestigend heeft beantwoord. Voorts blijkt uit het verslag van het nader gehoor dat tijdens het nader gehoor verscheidene pauzes zijn ingelast en herhaaldelijk aan de vreemdeling is gevraagd of hij in staat was het gehoor voort te zetten, welke vraag hij steeds bevestigend heeft beantwoord. Dit is ook aan de vreemdeling gevraagd en door hem bevestigend beantwoord nadat hij, naar hij stelt, niet in slaap is gevallen, zoals het verslag van het nader gehoor vermeld, maar flauw is gevallen. Daarnaast kan uit de verslagen van de gehoren worden opgemaakt dat de vragen eenduidig zijn gesteld en dat er structuur tijdens de gehoren is aangeboden. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter ook niet onderkend dat de staatssecretaris voor zijn besluitvorming niet ten onrechte op de door de vreemdeling afgelegde en in die verslagen weergegeven verklaringen, is afgegaan.

1.8. De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 30 november 2012 toetsen in het licht van daartegen door de vreemdeling voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

3. In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat het besluit van 30 november 2012 niet zorgvuldig is voorbereid nu niet is voldaan aan artikel 13, derde lid, aanhef en onder a, in samenhang gelezen met punt 10 van de considerans, van de Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van de Europese Unie van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB 2005 L 326; hierna: de richtlijn), omdat bij het horen en het nemen van een beslissing op zijn asielaanvraag onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische klachten.

3.1. In punt 10 van de considerans van de richtlijn wordt vermeld dat het essentieel is dat de beslissingen betreffende asielverzoeken worden genomen op basis van feiten en in eerste instantie door autoriteiten waarvan het personeel op het gebied van asiel- en vluchtelingenzaken een adequate kennis heeft of de nodige opleiding ontvangt.

3.2. Ingevolge artikel 13, derde lid, aanhef en onder a, van de richtlijn nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een persoonlijk onderhoud plaatsvindt in zodanige omstandigheden dat een asielzoeker de gronden voor zijn asielverzoek uitvoerig uiteen kan zetten. Met het oog hierop dienen de lidstaten erop toe te zien dat de persoon die het persoonlijke onderhoud afneemt voldoende bekwaam is om rekening te houden met de persoonlijke of algemene omstandigheden die een rol spelen bij het asielverzoek, met inbegrip van de culturele achtergrond en kwetsbaarheid van de asielzoeker, voor zover dat mogelijk is.

3.3. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2011 in zaak nr. 201012225/1/V2 geldt voor de staatssecretaris op grond van artikel 3:2 van de Awb een algemene verplichting om bij de voorbereiding van een besluit op zorgvuldige wijze de nodige kennis te vergaren over de voor het nemen van het besluit relevante feiten en omstandigheden. Hierin ligt besloten dat de staatssecretaris dient te beschikken over voldoende kennis om te kunnen beoordelen welke feiten en omstandigheden relevant zijn in het specifieke geval en op welke wijze de informatie op zorgvuldige wijze kan worden verkregen.

3.4. Artikel 13, derde lid, aanhef en onder a, van de richtlijn legt op de Staat weliswaar een algemene zorgplicht bij het horen van een asielzoeker waarbij de Staat erop dient toe te zien dat de persoon die het persoonlijke onderhoud afneemt voldoende bekwaam is om rekening te houden met de persoonlijke en algemene omstandigheden die een rol spelen bij het asielverzoek, maar voorziet niet in enige nadere invulling daarvan. Artikel 13, derde lid, aanhef en onder a, in samenhang gelezen met punt 10 van de considerans, van de richtlijn kent aan een vreemdeling dan ook geen andere rechten en waarborgen toe dan waarin artikel 3:2 van de Awb reeds voorziet. Gelet op hetgeen onder 1.4. en 1.7. is overwogen en nu de vreemdeling niet nader heeft onderbouwd dat de staatssecretaris in strijd met artikel 3:2 van de Awb heeft gehandeld, faalt de beroepsgrond.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 18 december 2012 in zaak nr. 12/37706;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Loo

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2013

418-775