Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1444

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
201209695/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:4826, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juli 2005 heeft het college aan [vof], rechtsvoorganger van [appellant], bouwvergunning verleend voor het oprichten van een hotel op het perceel [locatie] te Vught.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209695/1/A1.

Datum uitspraak: 9 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Vught,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 augustus 2012 in zaak nr. 11/2478 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Vught.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2005 heeft het college aan [vof], rechtsvoorganger van [appellant], bouwvergunning verleend voor het oprichten van een hotel op het perceel [locatie] te Vught.

Bij besluit van 14 juni 2011 heeft het college het door stichting Stichting Vughts Landschap (hierna: de stichting) daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 28 juli 2005 herroepen en de bouwvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 28 augustus 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de Stichting een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2013, waar het college, vertegenwoordigd door C.C.P. van Steen, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is daar de Stichting, vertegenwoordigd door drs. W.J.R.J. Punte, gehoord.

Bij tussenuitspraak van 29 mei 2013, zaak nr. 201209695/1/T1/A1; hierna: de tussenuitspraak), heeft de Afdeling het college opgedragen binnen twaalf weken na de verzending van deze tussenuitspraak het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 14 juni 2011 te herstellen, dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 27 juni 2013 heeft het college het besluit van 14 juni 2011 onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.

[appellant] en de Stichting hebben zienswijzen naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2013, waar [appellant], bijgestaan door E. van der Stoep, en het college, vertegenwoordigd door Van Steen, voornoemd, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting van de Afdeling nog stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak is geconcludeerd dat het besluit van 14 juni 2011 is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), omdat het college ten onrechte niet heeft vastgesteld of het bouwplan ten aanzien van de hoogte in overeenstemming, dan wel in strijd is met het bestemmingsplan, en derhalve of in zoverre bouwvergunning moet worden geweigerd. In de tussenuitspraak is het college opgedragen het gebrek te herstellen, door met inachtneming van artikel 44 van de Woningwet bouwvergunning te weigeren dan wel te verlenen, al dan niet met verlening van vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15 en 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De IJzeren Man" rust op het perceel de bestemming "Horeca".

Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften zijn op of in de als "Horeca" bestemde gronden uitsluitend gebouwen toegestaan ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat de goothoogte van gebouwen niet meer dan 6,6 m en de nokhoogte niet meer dan 11 m mag bedragen.

Ingevolge artikel 12, aanhef en eerste lid, is het college bevoegd vrijstelling te verlenen tot een maximum van 10% van de in het plan voorgeschreven maten voor gebouwen, mits de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.

Ingevolge artikel 2.5.3, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Vught (hierna: de Bouwverordening), moet, indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, meer dan 10 m is verwijderd van een openbare weg, een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te verwachten verkeer.

Ingevolge het tweede lid moet een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld:

a. een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m;

b. zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en

c. op doeltreffende wijze kunnen afwateren.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde ten tijde van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening.

Ingevolge het bepaalde in de aanhef van dat artikel en onder c, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

3. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college uiteengezet dat het bouwplan in strijd is met artikel 8, tweede lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften alsmede met artikel 2.5.3 van de Bouwverordening, zodat de bouwvergunning wegens strijd met artikel 44, eerste lid, aanhef, onderdelen b en c, van de Woningwet geweigerd dient te worden. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet bereid is vrijstelling te verlenen, bedoeld in artikel 19 van de WRO. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat het een overschrijding van de bouwhoogte met meer dan 10% niet acceptabel acht en onvoldoende zekerheid bestaat over de aanleg van de noodzakelijke ontsluitingsweg. De entree van het bouwplan is voorzien aan het verlengde van de Loonsebaan, een dichtgegroeid zandpad. Volgens het college verzet het bestemmingsplan "Buitengebied 2011", dat voor de gronden rondom het perceel geldt, zich tegen het verharden van het verlengde van de Loonsebaan. Daarop rust de bestemming "Natuur" en het mag alleen als voet- en rijwielpad worden gebruikt. Het verharden daarvan is eerst mogelijk na herziening van het bestemmingsplan of het nemen van een projectbesluit, maar een dergelijk plan of besluit is niet in procedure gebracht en voorts is geen verzoek tot herziening van het bestemmingsplan aan de gemeenteraad gedaan, aldus het college.

4. [appellant] betoogt dat het college het besluit van 14 juni 2011, waarbij het heeft geweigerd bouwvergunning te verlenen, ten onrechte heeft gehandhaafd. Daartoe voert hij aan dat het bouwplan een hoogte heeft waarvoor het college met toepassing van artikel 12, aanhef en eerste lid, van de planvoorschriften vrijstelling kon verlenen. Voorts voert hij aan dat het college zich er ten onrechte op beroept dat het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" zich verzet tegen het verharden van het verlengde van de Loonsebaan. De bestemming die daarin aan die gronden is toegekend, is niet in overeenstemming met een convenant met de gemeente van 11 december 1991 en een concept-realisatieovereenkomst van juli 2011. Tevens stelt hij dat hij ten onrechte niet op de hoogte is gesteld van de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" en wijst hij erop dat dat plan ten tijde van het besluit van 28 juli 2005 nog niet was vastgesteld. Verder stelt hij dat de verantwoordelijk wethouder in de plaatselijke pers heeft aangegeven realisering van het hotel niet te willen uitsluiten en mee te willen werken aan het bouwplan door overeenstemming te bereiken over de ontsluiting van het voorziene hotel.

4.1. Het college heeft zich, overigens eerst bij brief van 27 juni 2013, op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.3 van de Bouwverordening. Vast staat dat de toegang van het voorziene hotel meer dan 10 m is verwijderd van een openbare weg en ten tijde van de aanvraag noch ten tijde van het besluit van 14 juni 2011 een geschikte verbindingsweg aanwezig was, bedoeld in artikel 2.5.3, tweede lid, van de Bouwverordening. Het college heeft zich reeds daarom terecht op het standpunt gesteld dat de bouwvergunning moet worden geweigerd wegens strijd met artikel 44 van de Woningwet.

4.2. Het gestelde over de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" en de daarin aan de gronden rondom het perceel toegekende bestemming "Natuur", kan in deze procedure niet aan de orde komen en wordt derhalve buiten beschouwing gelaten.

4.3. Het convenant waar [appellant] op wijst, voorziet onder voorwaarden onder meer in grondruil met de gemeente en bevordering door het college dat het bestemmingsplan zodanig wordt gewijzigd, dat op het perceel een horecafunctie kan worden gerealiseerd en een vervangende ontsluitingsweg kan worden aangelegd. In de concept-realisatieovereenkomst is opgenomen dat diverse activiteiten ten behoeve van realisering van het hotel in strijd zijn met de ter plaatse vigerende bestemmingsplannen, waaronder een nieuwe ontsluiting voor het hotel, en de gemeente de inspanningsverplichting op zich neemt om daarvoor de noodzakelijke bestuursrechtelijke procedures te doorlopen die onder meer moeten leiden tot de vaststelling van een bestemmingsplan. De overeenkomst is niet tot stand gekomen.

Dat het college in het verleden de intentie had om medewerking te verlenen aan de realisering van een hotel op het perceel met bijbehorende voorzieningen, maakt niet dat het college thans niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling voor het bouwplan te verlenen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de ontsluiting van het voorziene hotel niet planologisch is verankerd. Aan een convenant uit 1991 kan [appellant] niet het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat het college thans nog vrijstelling voor het onderhavige bouwplan zou verlenen. Dat [appellant] en het college met elkaar in onderhandeling waren, dan wel zijn, over een mogelijk nieuwe overeenkomst, maakt dat niet anders. Gelet op de onzekerheid of tussen het college, de raad en [appellant] overeenstemming kan worden bereikt over onder meer de aanleg van de noodzakelijke ontsluitingsweg, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid medewerking aan het bouwplan heeft kunnen weigeren. De Afdeling komt daarom niet toe aan bespreking van het betoog van [appellant] over de hoogte van het bouwplan.

5. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 14 juni 2011 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.

6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 augustus 2012 in zaak nr. 11/2478;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Vught van 14 juni 2011, kenmerk Ruimte/TT/W09-06296/uit/11-50819;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Vught aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 384,00 (zegge: driehonderdvierentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2013

357-672.