Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1442

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
201210458/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2012 heeft de burgemeester [appellant] een huisverbod opgelegd voor een periode van tien dagen met betrekking tot de woning aan de [locatie] te Hilversum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210458/1/A3.

Datum uitspraak: 9 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hilversum,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 24 september 2012 in zaken nrs. 526111 / FA RK 12-7609 en 526113 / KG ZA 12-1273 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Hilversum.

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2012 heeft de burgemeester [appellant] een huisverbod opgelegd voor een periode van tien dagen met betrekking tot de woning aan de [locatie] te Hilversum.

Bij mondelinge uitspraak van 24 september 2012 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 september 2012 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven tot het tijdstip waarop deze uitspraak is gedaan. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. N.A. Kock, advocaat te Utrecht, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1 van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: de Wth) wordt in deze wet onder ‘huisverbod’ verstaan, een beschikking houdende een last tot het onmiddellijk verlaten van een bepaalde woning en een verbod tot het betreden van, zich ophouden bij of aanwezig zijn in die woning en een verbod om contact op te nemen met degenen die met de persoon tot wie de beschikking is gericht in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.

Ingevolge artikel 6, derde lid, betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit tijdelijk huisverbod betrekt de burgemeester bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd uitsluitend de in de bijlage bij dit besluit opgenomen feiten en omstandigheden.

Ingevolge het tweede lid hebben de in het eerste lid bedoelde feiten en omstandigheden betrekking op:

a. de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen;

b. het verloop van het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen; en

c. de leefomstandigheden van de persoon, bedoeld onder a, en degene die met deze persoon in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

2. De burgemeester heeft het besluit van 14 september 2012 tot het opleggen van het huisverbod gebaseerd op het Risico-taxatie instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG) van 14 september 2012. Hieruit volgt onder meer dat de vrouw van [appellant] een blauw oog had en dat [appellant] heeft bekend dat hij haar heeft geslagen. Bij dit incident waren kinderen aanwezig. Tevens zijn er signalen van overmatig alcoholgebruik. Voorts heeft [appellant] mogelijk een oorlogstrauma, aldus de burgemeester.

3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de burgemeester het huisverbod niet had mogen opleggen. Hij voert hiertoe aan dat de burgemeester geen goed onderzoek heeft gedaan naar de omstandigheden van het incident. Zo heeft zijn vrouw op 19 september 2012 verklaard dat zij de feiten en omstandigheden onjuist heeft weergegeven. Het incident betrof een uit de hand gelopen ruzie onder invloed van alcohol. Zijn vrouw heeft tevens verklaard dat zij als eerste hem een klap wilde geven. Hijzelf heeft nooit bekend dat hij zijn vrouw heeft geslagen. Derhalve was er geen onmiddellijk gevaar dat het opleggen van een huisverbod rechtvaardigt, aldus [appellant]. Het RiHG is niet onderbouwd. Voorts heeft hij tijdens de zitting bij de voorzieningenrechter het RiHG volledig weersproken. Uit de omstandigheid dat de burgemeester geen verweerschrift tegen het beroep heeft ingediend, leidt [appellant] af dat er geen gegronde redenen waren hem een huisverbod op te leggen. Het huisverbod acht hij niet evenredig en niet proportioneel en heeft ervoor gezorgd dat zijn aanvraag van een verblijfsvergunning is afgewezen. Nu het huisverbod niet opgelegd had mogen worden, had de voorzieningenrechter het besluit daartoe moeten vernietigen zonder de rechtsgevolgen in stand te laten, aldus [appellant].

Voorts voert hij aan dat het doel van het opleggen van een huisverbod het bewerkstelligen van een afkoelingsperiode en het in gang zetten van hulpverlening is. Hulpverlening is hem echter nooit aangeboden, omdat hij na het opleggen van het huisverbod in vreemdelingenbewaring is gesteld, aldus [appellant].

3.1. Uit het RiHG volgt dat zowel [appellant] als zijn vrouw te kennen hebben gegeven dat er meer escalaties tussen hen zijn wanneer zij onder invloed van alcohol zijn. [appellant] heeft verklaard dat zij beiden ten tijde van het incident tien biertjes op hadden en dat zij allebei af en toe een jointje roken. Voorts staat in het RiHG dat de vrouw veelvuldig door [appellant] wordt uitgescholden en gekleineerd. Het geweld richt zich tegen haar. Hun kinderen zijn hier volgens het RiHG getuige van. Zij worden onderzocht door het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. De vrouw is na het incident aangetroffen met een blauw oog en zij heeft verklaard dat [appellant] in het verleden haar arm heeft gebroken. Door zijn oorlogsverleden in Bosnië is [appellant] schrikachtig en reageert hij agressief. Wel is het geweld volgens de vrouw de afgelopen jaren in zwaarte en frequentie afgenomen. Zij mag van [appellant] niet alleen naar buiten en zij moet hem laten weten wat ze doet en waar ze is. [appellant] heeft daarentegen verklaard dat hij en zijn vrouw wel eens ruzie hebben, zoals iedereen dat wel eens heeft, aldus het RiHG.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 oktober 2010 in zaak nr. 201002496/1/H3), staat de omstandigheid dat de juistheid van bepaalde punten uit een RiHG niet is bewezen, er niet aan in de weg dat de burgemeester dit aan een huisverbod ten grondslag legt. Degene die het RiHG opstelt, geeft daarin slechts aan welke signalen omtrent huiselijk geweld bij hem bekend zijn en welke risico’s daar naar zijn oordeel uit voortvloeien. Gelet op de aard van het huisverbod, dat altijd in spoedeisende situaties wordt toegepast, is niet vereist dat de juistheid van de punten op het moment van aankruising reeds onomstotelijk vaststaat. Voldoende is dat aannemelijk is dat de aangekruiste punten juist zijn.

3.3. Gelet op de feiten en omstandigheden, zoals die zijn neergelegd in het RiHG, mocht de burgemeester uitgaan van de aanwezigheid van een dreiging van gevaar of een vermoeden daarvan. De burgemeester was daarom bevoegd tot het opleggen van het huisverbod. De omstandigheden dat [appellant] ontkent zijn vrouw te hebben geslagen en dat zijn vrouw later heeft gesteld de feiten en omstandigheden niet juist te hebben weergegeven, maken niet dat de burgemeester ten tijde van het besluit tot opleggen van het huisverbod de in het RiHG opgenomen informatie niet aannemelijk mocht achten. De burgemeester heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van [appellant] om in zijn woning te blijven minder zwaar weegt dan het belang van zijn vrouw en kinderen bij oplegging van het huisverbod. De burgemeester heeft dan ook in redelijkheid het huisverbod kunnen opleggen. De omstandigheid dat de hulpverlening niet op gang is gekomen en dat [appellant] in vreemdelingenbewaring is gesteld, doet aan de rechtmatigheid van het besluit tot oplegging van het huisverbod niet af. De voorzieningenrechter heeft terecht de rechtsgevolgen van het door hem vernietigde besluit in stand gelaten.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt subsidiair dat de voorzieningenrechter bij het opheffen van het huisverbod niet de rechtsgevolgen tot aan diens uitspraak in stand mocht laten, maar dat hij het huisverbod vanaf 19 september 2012 had moeten opheffen. Bij brief van die datum heeft [appellant]’ vrouw de Officier van Justitie te kennen gegeven af te zien van haar aangifte tegen [appellant]. Het belang van zijn vrouw en kinderen is erin gelegen dat [appellant] met zijn gezin zal worden herenigd. De voorzieningenrechter heeft dit miskend. De voorzieningenrechter heeft voorts niet gemotiveerd hoe hij tot het oordeel de rechtsgevolgen in stand te laten is gekomen, aldus [appellant].

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de eerder genoemde uitspraak van 6 oktober 2010), volgt uit het stelsel van de Wth dat de rechter in de eerste plaats moet beoordelen of het huisverbod had mogen worden opgelegd en, in het geval het is verlengd, of het had mogen worden verlengd. Als het huisverbod nog geldt op de dag waarop de rechter zijn uitspraak doet, dient hij vervolgens in verband met artikel 6, derde lid, van de Wth te bezien of zich na de oplegging van het huisverbod feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waaruit blijkt dat de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan zich ten tijde van de beoordeling door de rechter niet langer voordoet, zodat het niet gerechtvaardigd is het huisverbod te laten voortduren.

4.2. De voorzieningenrechter heeft op grond van nieuwe feiten en omstandigheden, zoals opgenomen in de aangevallen uitspraak, geoordeeld dat er geen ernstig vermoeden van een ernstig en onmiddellijk gevaar meer bestond en heeft op grond daarvan het huisverbod opgeheven. Nu het vermoeden ten tijde van de rechterlijke beoordeling niet meer bestond, heeft de voorzieningenrechter terecht besloten dat met ingang van het tijdstip van zijn uitspraak het huisverbod niet langer diende voort te duren. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht de rechtsgevolgen in stand gelaten tot het tijdstip van zijn uitspraak.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2013

176-773.