Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1438

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
201209214/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:3075, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2010 heeft het college [appellant] een tegemoetkoming in planschade van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2009 tot en met de dag van uitbetaling, toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209214/1/A2.

Datum uitspraak: 9 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te Sint-Oedenrode (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 augustus 2012 in zaak nr. 12/103 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode.

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2010 heeft het college [appellant] een tegemoetkoming in planschade van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2009 tot en met de dag van uitbetaling, toegekend.

Bij besluit van 29 november 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 augustus 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. K.W.H. Albert, advocaat te Boxtel, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.F.M. van Gurp-Steenbakkers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 juli 2008 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) in werking getreden.

2. Ingevolge artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wro blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet of die ingevolge artikel II, tweede en derde lid, van de wet van 8 juni 2005, Stb. 305, tot wijziging van de WRO (verjaring van en heffing bij planschadevergoedingsaanspraken, alsmede planschadevergoedingsovereenkomsten), nog tot 1 september 2010 kunnen worden ingediend.

Ingevolge het tweede lid geldt artikel 6.2, tweede lid, van de Wro tot 1 september 2010 niet voor aanvragen ingevolge artikel 6.1 van deze wet om tegemoetkoming in schade die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is ontstaan.

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, blijft van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak in ieder geval voor rekening van de aanvrager: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

3. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

4. [appellant] is eigenaar van de woning aan de [locatie] te Sint-Oedenrode (hierna: de woning). Bij brief van 2 oktober 2009 heeft hij verzocht om een tegemoetkoming in de schade die hij stelt te lijden als gevolg van het bestemmingsplan ‘Centrum’ van 30 oktober 2003 (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) en het bestemmingsplan ‘Centrum-herziening 2006’ van 28 september 2006 (hierna: de herziening van het nieuwe bestemmingsplan). Aan dat verzoek heeft hij ten grondslag gelegd dat deze planologische maatregelen het mogelijk hebben gemaakt het nabijgelegen perceel aan de [locatie a] te Sint-Oedenrode (hierna: het perceel) voor een kinderdagverblijf te gebruiken en dat dit ertoe heeft geleid dat zijn woongenot door geluidsoverlast en verlies aan privacy is afgenomen en de waarde van de woning is gedaald.

5. Het college heeft advies gevraagd aan Adviesbureau Van Montfoort te Amersfoort (hierna: Van Montfoort).

In een advies van 22 juli 2010 heeft Van Montfoort eerst een vergelijking gemaakt tussen de planologische mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan en het daaraan voorafgaande bestemmingsplan ‘Kom Sint-Oedenrode van 29 mei 1980 (hierna: het oude bestemmingsplan) en uit deze vergelijking de conclusie getrokken dat het nieuwe bestemmingsplan niet tot waardevermindering van de woning heeft geleid. Daarbij is betrokken dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, bij goedkeuringsbesluit van 1 juni 2004, goedkeuring aan het plandeel van het nieuwe bestemmingsplan met betrekking tot een gedeelte van het perceel heeft onthouden wegens een onjuiste aanduiding van het bouwvlak op het perceel, zodat het oprichten van een gebouw ten behoeve van een kinderdagverblijf op het perceel niet mogelijk was.

Vervolgens heeft Van Montfoort een vergelijking gemaakt tussen de planologische mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan en de herziening van het nieuwe bestemmingsplan. In het advies is uiteengezet dat de planologische verandering het mogelijk heeft gemaakt hogere bebouwing op het perceel op te richten en het perceel ten behoeve van een kinderdagverblijf te gebruiken en dat de toegenomen gebruiksintensiteit, vergeleken met de oude planologische situatie, zal leiden tot meer overlast. Uit deze vergelijking heeft Van Montfoort de conclusie getrokken dat [appellant] door de herziening van het nieuwe bestemmingsplan in een nadeliger positie is komen te verkeren en dat de waarde van de woning ten tijde van de inwerkingtreding van de herziening van het nieuwe bestemmingsplan op 2 augustus 2007 (hierna: de peildatum) van € 330.000,00 naar € 320.000,00 is gedaald. Ten slotte is in het advies uiteengezet dat de helft van de schade binnen het normale maatschappelijke risico valt en voor rekening van [appellant] blijft.

Het college heeft dit advies aan het besluit van 14 september 2010 ten grondslag gelegd en dat besluit in bezwaar met verwijzing naar een advies van de commissie bezwaarschriften van 12 oktober 2011 gehandhaafd.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft verzuimd te motiveren waarom de beroepsgronden geen doel treffen.

6.1. Dit betoog, dat berust op een verkeerde lezing van de aangevallen uitspraak, faalt. In de hierna te bespreken overwegingen van die uitspraak heeft de rechtbank uiteengezet waarom de beroepsgronden geen doel treffen. Dat [appellant] het niet eens is met die overwegingen, laat onverlet dat de rechtbank een oordeel over de beroepsgronden heeft gegeven.

7. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank, door Van Montfoort te volgen in de conclusie dat hij door het nieuwe bestemmingsplan niet in een nadeliger positie is komen te verkeren, heeft miskend dat de bestemming van het perceel bij het nieuwe bestemmingsplan is gewijzigd en dat die wijziging als gevolg van het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 1 juni 2004 in werking is getreden.

7.1. Dit betoog faalt evenzeer. Dat de wijziging van de bestemming van het perceel als gevolg van dat goedkeuringsbesluit in werking is getreden, laat onverlet dat [appellant] door deze wijziging niet in een planologisch slechtere positie is komen te verkeren, omdat - naar hij niet heeft weersproken - bij dat goedkeuringsbesluit tevens goedkeuring aan het plandeel van het nieuwe bestemmingsplan met betrekking tot een gedeelte van het perceel is onthouden wegens een onjuiste aanduiding van het bouwvlak op het perceel, zodat het oprichten van een gebouw ten behoeve van een kinderdagverblijf op het perceel niet mogelijk was. Voorts heeft Van Montfoort in het advies van 22 juli 2010 uiteengezet dat [appellant] door de overige in werking getreden onderdelen van het nieuwe bestemmingsplan, gelet op de onder het oude bestemmingsplan bestaande planologische mogelijkheden van het perceel, niet in een planologisch slechtere positie is komen te verkeren. [appellant] heeft dit niet met een bericht van een andere deskundige bestreden. Bij deze stand van zaken heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in redelijkheid niet het standpunt heeft kunnen innemen dat het nieuwe bestemmingsplan niet tot waardevermindering van de woning heeft geleid.

8. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de conclusie, die Van Montfoort uit de vergelijking tussen de planologische mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan en de herziening van het nieuwe bestemmingsplan heeft getrokken, niet onredelijk of onjuist is te achten. Daartoe voert hij aan dat de planologische verandering het mogelijk heeft gemaakt achter de achtergevelrooilijn een hoofdgebouw te realiseren met een slechts door de gemeentelijke bouwverordening begrensde bouwhoogte. Voorts voert hij aan dat Van Montfoort de toename van de overlast als gevolg van de exploitatie van het kinderdagverblijf heeft onderschat.

8.1. Uit het advies van 22 juli 2010 en het aanvullend advies van 12 januari 2011 blijkt dat Van Montfoort heeft onderkend dat in een deel van het perceel een hoofdgebouw met de door [appellant] bedoelde afmetingen kan worden opgericht. Voorts berust diens betoog over de toename van de overlast voornamelijk op het verschil met de feitelijke situatie onder het oude planologische regime, terwijl het bij het beoordelen van een aanvraag om vergoeding van planschade gaat om de voor de belanghebbende meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van dat regime. Bij de meest ongunstige invulling van die mogelijkheden zijn de planologische nadelen van de herziening van het nieuwe bestemmingsplan volgens Van Montfoort beperkt van omvang. [appellant] heeft niet een bericht van een andere deskundige overgelegd waarin dit gemotiveerd is bestreden. Dat hij het niet eens is met Van Montfoort en kritische kanttekeningen bij diens advies heeft geplaatst, betekent niet dat het door Van Montfoort verrichte onderzoek zo onzorgvuldig of onvolledig is geweest, dat het college de aan dat onderzoek verbonden conclusie niet aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Uit die kanttekeningen blijkt niet van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de waardering van de planologische nadelen.

Het betoog faalt.

9. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de schade als gevolg van de herziening van het nieuwe bestemmingsplan op de peildatum op € 10.000,00 heeft kunnen vaststellen. Daartoe voert hij aan dat dit schadebedrag niet inzichtelijk is gemaakt en te laag is. Voorts voert hij aan dat een door hem geraadpleegde taxateur de schade op een veel hoger bedrag heeft getaxeerd. Ten slotte acht hij van belang dat het college de waarde als bedoeld in de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de WOZ-waarde) van de woning in verband met de feitelijke aanwezigheid van het kinderdagverblijf en de daardoor ontstane overlast op de waardepeildatum van 1 januari 2003 van € 297.000,00 naar € 266.000,00 heeft verlaagd.

9.1. In het advies van 22 juli 2010 is een omschrijving gegeven van de woning en de bijbehorende grond en van de situering van de woning ten opzichte van het perceel. Uit het advies valt af te leiden dat de taxatie van de waarde van de woning ten tijde van de peildatum onder het oude en het nieuwe planologische regime in overleg met een taxateur heeft plaatsgevonden. In dit verband is van belang dat inzichten van een taxateur zijn gebaseerd op kennis en ervaring en een nadere toelichting op deze inzichten niet in alle gevallen kan worden verlangd. Aan de eis dat de gedachtegang duidelijk en voldoende controleerbaar is en het verslag van het onderzoek voldoende basis biedt voor verdere besluitvorming is voldaan.

Het eerste onderdeel van het betoog faalt.

9.2. Dat het in het advies vermelde schadebedrag niet strookt met de taxatie van de door [appellant] geraadpleegde taxateur, betekent niet dat het college dat schadebedrag ten onrechte als uitgangspunt van de besluitvorming heeft genomen. Daartoe is van belang dat die taxatie niet kenbaar van de door Van Montfoort gemaakte vergelijking tussen de herziening van het nieuwe bestemmingsplan en het daaraan voorafgaande planologische regime uitgaat en niet de waarden van de woning op de peildatum vermeldt. Aan die taxatie kan derhalve niet de betekenis worden gehecht die [appellant] daaraan wenst toe te kennen.

Het tweede onderdeel van het betoog faalt evenzeer.

9.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 13 oktober 2004 in zaak nr. 200403890/1), kan de WOZ-waarde van een woning eerst van belang zijn voor de bepaling van de omvang van de te vergoeden schade, indien een bestemmingsplan of een andere planologische maatregel tot een planologische verslechtering heeft geleid ten opzichte van de mogelijkheden onder het daarvoor vigerende regime. Bij het bepalen van de WOZ-waarde wordt niet, zoals bij planvergelijking, gekeken naar de maximale invulling van het planologische regime, maar is vooral de feitelijke situatie bepalend.

Uit de door [appellant] overgelegde stukken valt niet af te leiden dat bij het vaststellen van de WOZ-waarde van de woning acht is geslagen op de criteria die voor een aanvraag om een tegemoetkoming van belang zijn. Dat, zoals [appellant] stelt, de exploitatie van het kinderdagverblijf bij het vaststellen van die waarde is betrokken, leidt niet tot een ander oordeel, omdat daaruit niet valt af te leiden dat tevens rekening is gehouden met de maximale mogelijkheden van het aan de herziening van het nieuwe bestemmingsplan voorafgaande planologische regime. Derhalve treft het beroep op de indicatieve betekenis van de bepaling van de WOZ-waarde voor de hoogte van de waardevermindering van de woning geen doel.

Het derde onderdeel van het betoog faalt evenzeer.

10. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank, door niet onredelijk te achten dat het college de schade met toepassing van artikel 6.2, eerste lid, van de Wro, voor zijn rekening heeft gelaten, heeft miskend dat de planologische verandering in stedenbouwkundig opzicht ongebruikelijk is en tot een grote aantasting van het woongenot heeft geleid.

10.1. Artikel 6.1, eerste lid, van de Wro heeft, anders dan artikel 49 van de WRO, geen betrekking op een vergoeding van schade, maar op een tegemoetkoming in de schade. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 september 2012 in zaak nr. 201113115/1/T1/A2), moet de vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro tot het normale maatschappelijke risico behoort, worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in die zin dat de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde planologische beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel.

10.2. In het advies van 22 juli 2010 heeft Van Montfoort het standpunt ingenomen dat de planologische verandering niet in alle opzichten in de lijn der verwachtingen lag en dat slechts de helft van de schade binnen het normale maatschappelijke risico valt. Daartoe is in dit advies uiteengezet dat het kinderdagverblijf extra geluidsbelasting voor de omgeving met zich brengt en dat [appellant], die slechts aan één zijde van de woning met andere woonbebouwing en de gevolgen ervan te maken kon krijgen, door het kinderdagverblijf meer wordt getroffen, dan met de algemene sociale situatie in overeenstemming kan worden gebracht.

Het college heeft, in navolging van dit advies, de helft van de schade voor rekening van [appellant] gelaten. In de door [appellant] verschafte gegevens en aangevoerde omstandigheden heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college, gezien de motivering van het advies, dit in redelijkheid niet heeft kunnen doen.

Het betoog faalt.

11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2013

452.