Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1431

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
201210556/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:23688, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, haar opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten alsmede een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210556/1/V2.

Datum uitspraak: 30 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellante],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 2 november 2012 in zaken nrs. 12/31431 en 12/31433 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, haar opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten alsmede een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 november 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

3. Hetgeen in het hogerberoepschrift als grieven 1 en 2 is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

4. Ambtshalve wordt als volgt overwogen.

4.1. De staatssecretaris heeft eerder, bij besluit van 21 februari 2012, tegen de vreemdeling een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaren. Nu het bij de afwijzing van de thans voorliggende asielaanvraag uitgevaardigde inreisverbod van dezelfde duur is als het eerdere inreisverbod, is het inreisverbod van 3 oktober 2012 niet op rechtsgevolg gericht en om die reden niet aan te merken als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waartegen ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb beroep kon worden ingesteld (vergelijk: de uitspraak van de Afdeling van 1 augustus 2013 in zaak nr. 201209676/1/V2).

5. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Hetgeen de vreemdeling in haar hogerberoepschrift over het inreisverbod aanvoert, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover hierbij het beroep gericht tegen het inreisverbod ongegrond is verklaard. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het overwogene onder 4.1, de rechtbank alsnog onbevoegd verklaren van het door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, kennis te nemen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 2 november 2012 in zaak nr. 12/31431, voor zover hierin het beroep gericht tegen het inreisverbod ongegrond is verklaard;

III. verklaart de rechtbank onbevoegd van het in die zaak ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, kennis te nemen;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Bossmann

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2013

314-698.