Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1427

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
201207037/1/A4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juni 2011 heeft het college het verzoek van [appellant] en anderen om met toepassing van artikel 2.1, derde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit milieubeheer) maatwerkvoorschriften te stellen voor het tennispark van de tennisvereniging De IJpelaar aan de Trompenburgstraat 4 te Breda, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3298
Milieurecht Totaal 2013/6066

Uitspraak

201207037/1/A4.

Datum uitspraak: 9 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te Breda,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 juni 2012 in zaak

nr. 11/6422 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2011 heeft het college het verzoek van [appellant] en anderen om met toepassing van artikel 2.1, derde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit milieubeheer) maatwerkvoorschriften te stellen voor het tennispark van de tennisvereniging De IJpelaar aan de Trompenburgstraat 4 te Breda, afgewezen.

Bij besluit van 7 november 2011 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juni 2012 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht het college verzocht om schriftelijk inlichtingen te geven.

Het college heeft deze inlichtingen gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2013, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. K. van der Made, mr. D.L.H.S. van Broekhoven-Gram, P. Schalk en J. Smits, zijn verschenen. Voorts is ter zitting De IJpelaar gehoord, vertegenwoordigd door R. de Bruijn en G. Sitters.

Overwegingen

Activiteitenbesluit milieubeheer

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer voorkomt degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder h, wordt onder het voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu als bedoeld in het eerste lid mede verstaan het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van lichthinder.

Ingevolge het derde lid kan het bevoegd gezag met betrekking tot de verplichting bedoeld in het eerste lid maatwerkvoorschriften stellen voor zover het desbetreffende aspect bij of krachtens dit besluit niet uitputtend is geregeld. Deze maatwerkvoorschriften kunnen mede inhouden dat de door de inrichting te verrichten activiteiten worden beschreven alsmede dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.

Situatie

2. [appellant] en anderen stellen lichthinder te ondervinden van de lichtmasten van het tennispark. Het college heeft geweigerd voor deze lichtmasten maatwerkvoorschriften te stellen als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat aan de grenswaarden van de "Algemene richtlijn betreffende lichthinder, deel 1 (1999) Algemeen en Grenswaarden voor sportverlichting" van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (hierna: de richtlijn) voor verticale verlichtingssterkte van 10 lux op de gevel is voldaan. Het college heeft zich hierbij gebaseerd op onderzoek van Lichtconsult.nl waarvan in het rapport "Lichthindermeting Tennisvereniging De IJpelaar te Breda" van 4 april 2011 (hierna: het rapport) verslag wordt gedaan.

Intrekking beroepsgrond

3. Ter zitting hebben [appellant] en anderen hun beroepsgrond over het aanmerken van hun omgeving als zone "E3 stedelijk gebied" in het rapport ingetrokken.

Hoogte lichtmasten

4. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte er aan voorbij is gegaan dat de lichtmasten hoger zijn dan 15 m. In dit kader voeren zij aan dat vergunning is verleend voor lichtmasten met een hoogte van 15 m. Voorts voeren zij aan dat, zo begrijpt de Afdeling het betoog, de Flora- en faunawet in verband met deze hoogte eisen stelt.

4.1. [appellant] en anderen hebben deze grond en de daaraan ten grondslag liggende feiten voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom het betoog wat betreft de hoogte van de lichtmasten niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellant] en anderen dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen hadden behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

Kader

5. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college naast de richtlijn de brochure "Bedrijven en milieuzonering 2009" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) bij zijn beoordeling van de lichthinder had moeten betrekken. Volgens [appellant] en anderen heeft de rechtbank ook miskend dat het college aanvullend op de toetsing aan de richtlijn een belangenafweging had moeten maken. Zij betogen verder dat op blz. 10 van het rapport is vermeld dat lichthinder binnen wordt ervaren op ongeveer 3 m van het meetpunt, wat - zo begrijpt de Afdeling het betoog - mee moet brengen dat ter zake maatwerkvoorschriften worden gesteld.

5.1. Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat het college een andere afweging, eventueel aan de hand van de VNG-brochure, moest verrichten, faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 augustus 2010 in zaak nr. 201000896/1/M1), kan een college ter beoordeling van de vraag of maatwerkvoorschriften dienen te worden gesteld in redelijkheid aansluiten bij de richtlijn. Bij toepassing van deze richtlijn is bepalend of aan de in de richtlijn gegeven grenswaarden wordt voldaan, en niet - zoals in het rapport is vermeld - dat binnen een woning lichthinder kan worden ervaren.

De beroepsgrond faalt.

Lichtmetingen en toetsing grenswaarden

6. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college er bij zijn besluitvorming ten onrechte van is uitgegaan dat voor hun woningen aan de grenswaarden uit de richtlijn wordt voldaan. Hiertoe voeren zij de volgende argumenten aan.

[appellant] en anderen betogen dat de ter plaatse gemeten waarden niet controleerbaar zijn, omdat ze niet aan hen zijn verstrekt en ook ontbreken in het rapport. Bovendien is er volgens hen ten onrechte aan voorbij gegaan dat de meetapparatuur tijdens de meting op 24 januari 2011 defect was. [appellant] en anderen stellen dat de met deze defecte apparatuur gedane metingen niet opnieuw zijn uitgevoerd en dat de metingen daarom niet betrouwbaar zijn. Ten slotte betogen zij dat de meetpunten onjuist zijn bepaald. Er had volgens hen gemeten moeten worden op het raam.

6.1. Op basis van de ter plaatse gemeten waarden heeft Lichtconsult.nl lichtsterktes berekend en in het rapport vermeld. Dat de ter plaatse gemeten waarden niet aan [appellant] en anderen zijn verstrekt en ontbreken in het rapport, betekent op zichzelf niet dat het college had moeten twijfelen aan de juistheid van de door Lichtconsult.nl berekende lichtsterktes.

6.2. In het rapport staat voorts vermeld dat de metingen op 24 januari 2011 en op 2 maart 2011 zijn uitgevoerd. In een verslag van een op 2 maart 2011 vanwege het college verrichte controle voorafgaand aan de meting is vermeld dat de metingen op 24 januari 2011 zijn afgebroken wegens een defecte luminantiemeter. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de luminantiemeter op 24 januari 2011 is gevallen en dat daarna de metingen niet met die luminantiemeter zijn voortgezet. Op 2 maart 2011 zijn opnieuw metingen uitgevoerd. Daarom zijn volgens het college de meetresultaten betrouwbaar. Er is geen aanleiding aan te nemen dat het college er ten onrechte van uitgaat dat er geen metingen met een defecte luminantiemeter zijn meegenomen in het rapport.

6.3. Gezien het voorgaande bestond voor het college geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de metingen op basis waarvan Lichtconsult.nl de lichtsterktes berekent. Naar aanleiding van het betoog van [appellant] en anderen in hoger beroep heeft het college op basis van deze metingen laten berekenen welke lichtsterktes optreden op de gevel van de betrokken woningen en de resultaten daarvan als inlichtingen ingebracht in deze procedure. [appellant] en anderen hebben weliswaar ter zitting betoogd dat hen niet duidelijk is hoe deze berekening heeft plaatsgevonden en of deze klopt, maar geen argumenten gegeven op grond waarvan niet van de juistheid van die berekening kan worden uitgegaan.

6.4. De berekende lichtsterktes blijven ruim onder de grenswaarden voor de verticale verlichtingssterkte van 10 lux op de gevel die volgens de richtlijn moeten worden gehaald bij een omgeving als hier aan de orde. Gelet hierop, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat voor de woningen van [appellant] en anderen aan de grenswaarden uit de richtlijn wordt voldaan. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college, gelet op het door hem gehanteerde kader, in redelijkheid heeft kunnen afzien van het stellen van maatwerkvoorschriften.

De beroepsgrond faalt.

Slotoverwegingen

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2013

262-764