Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1422

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
201206376/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 maart 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206376/1/V2.

Datum uitspraak: 30 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 31 mei 2012 in zaak nr. 11/12842 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 mei 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. In de enige grief klaagt de staatssecretaris onder meer dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil is getreden door te overwegen dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat het daaraan ten grondslag gelegde algemene beleid inzake het vlucht- en vestigingsalternatief, dat in paragraaf C4/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is neergelegd, onvoldoende is gemotiveerd. Derhalve heeft de rechtbank ten onrechte het besluit vernietigd, aldus de staatssecretaris.

2.1. Uit de stukken noch anderszins kan worden afgeleid dat de vreemdeling de door de rechtbank gehanteerde vernietigingsgrond als beroepsgrond heeft aangevoerd dan wel een feitelijk betoog heeft gevoerd dat met een ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden als zodanig kan worden aangemerkt. Door de motivering van het aan het besluit ten grondslag gelegde beleid ambtshalve te onderzoeken, is de rechtbank dan ook in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb buiten de grenzen van het geschil getreden.

De grief slaagt reeds hierom.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen de staatssecretaris overigens in de grief aanvoert behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 16 maart 2011 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor hem een vestigingsalternatief in Zuid- en Centraal-Somalië bestaat. De staatssecretaris heeft niet onderkend dat uit de door hem overgelegde stukken, waaronder het algemeen ambtsbericht inzake Somalië van de minister van Buitenlandse Zaken van september 2010 (hierna: het ambtsbericht 2010) en de "Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs for Asylum-Seekers from Somalia" van de United Nations High Commissioner for Refugees van 5 mei 2010, blijkt dat zich daar een situatie voordoet waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bescherming biedt en dat het besluit daarom onvoldoende is gemotiveerd, aldus de vreemdeling.

4.1. De Afdeling heeft eerder (bij uitspraak van 10 september 2010 in zaak nr. 201004673/1/V2) overwogen dat de staatssecretaris in het daarin aan de orde zijnde besluit, met verwijzing naar het ambtsbericht 2010, deugdelijk heeft gemotiveerd dat de mate van willekeurig geweld in Zuid- en Centraal-Somalië ten tijde voor de desbetreffende vreemdeling van belang, niet dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat hij, louter door zijn aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liep op de bedreiging waartegen - thans - artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 bescherming biedt.

4.2. Uit de door de vreemdeling ingeroepen stukken, die alle zien op gebeurtenissen in 2010 en 2011, is niet af te leiden dat de situatie in Zuid- en Centraal-Somalië ten tijde van voor hem van belang wezenlijk afweek van de situatie in de periode die in de hiervoor onder 4.1. vermelde uitspraak van 10 september 2010 aan de orde was. Derhalve heeft de staatssecretaris zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich in Zuid- en Centraal-Somalië de situatie voordoet waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 bescherming biedt. Gelet hierop en nu de vreemdeling voorts geen persoonlijke feiten en omstandigheden heeft gesteld waarom hij zich niet in Zuid- en Centraal-Somalië kan vestigen, heeft de staatssecretaris zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat daar voor hem een vestigingsalternatief bestaat.

De beroepsgrond faalt.

5. Aan de overige bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin bestaat nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het besluit waarop deze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 31 mei 2012 in zaak nr. 11/12842;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Walcott-Oliai, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Walcott-Oliai

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2013

555-733