Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1419

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
201107107/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 mei 2011 heeft het college het uitwerkingsplan "4e uitwerkingsplan Rijnfront" (hierna: het uitwerkingsplan) vastgesteld. Bij besluit van 15 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "2e partiële herziening bestemmingsplan Rijnfront" (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3305
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107107/1/R4

Datum uitspraak: 9 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A en appellant B], hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Rijnsburg, gemeente Katwijk,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2011 heeft het college het uitwerkingsplan "4e uitwerkingsplan Rijnfront" (hierna: het uitwerkingsplan) vastgesteld. Bij besluit van 15 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "2e partiële herziening bestemmingsplan Rijnfront" (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld.

Tegen het uitwerkingsplan hebben [appellant] en [partij A] en [partij B] beroep ingesteld. Deze beroepen zijn geregistreerd onder zaaknr. 201107107/1. Tegen het bestemmingsplan hebben [partij A] en [partij B] beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknr. 201112465/1.

Het college en de raad hebben een verweerschrift ingediend.

[partij A] en [partij B] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 14 juni 2012, waar [partij A] en [partij B], bijgestaan door mr. C.W.H. van den Berg-Spruijt, en het college en de raad, vertegenwoordigd door R.P.W. van Smaalen en A. de Vries, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 31 oktober 2012, nr. 201107107/1/T1/R4 en 201112465/1/T1/R4 heeft de Afdeling de raad en het college opgedragen binnen zestien weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in de besluiten van 15 september 2011 onderscheidenlijk 10 mei 2011 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 13 december 2012 heeft het college het besluit van 10 mei 2011 waarbij het uitwerkingsplan is vastgesteld, nader gemotiveerd.

Bij brief van 31 januari 2013 heeft de raad het besluit van 15 september 2011 waarbij het bestemmingsplan is vastgesteld, nader gemotiveerd.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld naar voren te brengen.

[partij A] en [partij B] en [appellant] hebben zienswijzen naar voren gebracht.

De raad en het college en [partij A] en [partij B] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd verder ter zitting behandeld op 18 juni 2013, waar [partij A] en [partij B], bijgestaan door mr. C.W.H. van den Berg-Spruijt, en het college en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. van Doorn en R.P.W. van Smaalen, zijn verschenen. Voorts is Deltrust Project Holding B.V., vertegenwoordigd door T.J.C. van Dam en mr. A. Knottnerus, als partij gehoord.

Bij brief van 26 september 2013 hebben [partij A] en [partij B] hun beroepen ingetrokken.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak van 31 oktober 2012 heeft de Afdeling onder 8.3 overwogen dat het, in verband met het in het bestemmingsplan "Frederiksoord-Zuid" met het oog op eventuele archeologische waarden opgenomen aanlegvergunningstelstel, niet voldoende duidelijk is of de ontsluitingsweg en de tijdelijke bouwweg kunnen worden aangelegd en dat evenmin is komen vast te staan dat de tijdelijke bouwweg wat de afmetingen betreft geschikt is om als ontsluitingsweg te functioneren en dat over de gronden kan worden beschikt.

De Afdeling heeft de raad en het college onder 31.1 opgedragen nader te motiveren dat de ontsluitingsweg en de tijdelijke bouwweg door het plangebied van het bestemmingsplan "Frederiksoord-Zuid" kunnen worden aangelegd, dat de tijdelijke bouwweg wat de afmetingen betreft geschikt is om als permanente ontsluitingsweg te functioneren en dat over de gronden voor de aanleg van de wegen kan worden beschikt.

2. Bij brief van 11 december 2012 heeft het college het besluit van 10 mei 2011 nader gemotiveerd. Bij brief van 31 januari 2013 heeft de raad het besluit van 15 september 2011 nader gemotiveerd. Het college en de raad hebben vermeld dat aan de gronden van het tracé van de bouwweg in het bestemmingsplan "Frederiksoord-Zuid" geen aanduiding "archeologisch waardevol gebied" is toegekend, zodat geen aanlegvergunning vereist is en de weg past binnen de uit te werken bestemmingen. Het college en de raad hebben voorts vermeld dat de ontwikkelaar kan beschikken over de gronden en dat de ruimte aanwezig is om een weg aan te leggen met de maximaal benodigde breedte.

3. Bij brief van 26 september 2013 hebben [partij A] en [partij B] hun beroepen ingetrokken. Thans is derhalve nog slechts het beroep van [appellant] tegen het uitwerkingsplan aan de orde.

4. [appellant] voert aan dat het volgens de gemeente Katwijk niet mogelijk is om over de definitieve ontsluitingsweg te beslissen, omdat het project Frederiksoord-Zuid nog niet is uitgewerkt, waardoor de precieze locatie van de ontsluitingsweg niet bekend is. Er dient bovendien eerst onderzoek plaats te vinden en het project heeft geen prioriteit. Zij vreest dat de bouwweg op een ongeschikte locatie komt.

4.1. De Afdeling overweegt dat voldoende is dat het plangebied ontsloten is door de tijdelijke bouwweg, mits de afmetingen daarvan toereikend zijn om de geprognostiseerde verkeersstroom te kunnen verwerken. Het is niet vereist dat de tijdelijke bouwweg op dezelfde locatie is gelegen als de definitieve ontsluitingsweg. Onderzoek ten behoeve van de definitieve ontsluitingsweg hoeft thans nog niet te zijn verricht. [appellant] heeft niet onderbouwd dat de bouwweg op een ongeschikte locatie komt.

5. Het beroep is, gelet op hetgeen onder 1 is overwogen, gegrond. Het besluit van 10 mei 2011 dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. De Afdeling zal evenwel, gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen, bepalen dat de rechtsgevolgen ervan geheel in stand blijven.

6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest van 10 mei 2011;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. gelast dat de gemeente Oegstgeest aan [appellant A en appellant B] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2013

433.