Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1417

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
201204358/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BW3464, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel, voor zover thans van belang, de vreemdeling ongewenst verklaard.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/404
RV20130025 met annotatie van Stronks M.C. Martijn
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204358/1/V3

Datum uitspraak: 1 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 2 april 2012 in zaak nr. 11/21449 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel, voor zover thans van belang, de vreemdeling ongewenst verklaard.

Bij besluit van 29 juni 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 april 2012 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens begrepen: diens rechtsvoorgangers.

2. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag betreffende de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

3. Niet in geschil is dat tussen de vreemdeling, van Nigeriaanse nationaliteit, en zijn partner en hun minderjarige (pleeg)kinderen van Nederlandse nationaliteit, sprake is van gezinsleven, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM. Evenmin is in geschil dat de ongewenstverklaring van de vreemdeling een inmenging, als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 van het EVRM, betekent.

4. In grief 1 klaagt de staatssecretaris, kort samengevat, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de periodes van rechtmatig verblijf, die de vreemdeling ontleende aan de gevoerde verblijfsprocedures en de omstandigheid dat sommige van die procedures lang hebben geduurd zonder dat dit aan de vreemdeling was toe te rekenen, kenbaar bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM had moeten betrekken.

Daartoe voert de staatssecretaris aan dat hem bij de in het kader van artikel 8 van het EVRM te verrichten belangenafweging een zekere beoordelingsruimte toekomt. De rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris in de besluitvorming wel degelijk onder ogen heeft gezien dat de vreemdeling gedurende een periode van twaalf jaar regelmatig rechtmatig verblijf heeft gehad in afwachting van procedures ter verkrijging van een verblijfsvergunning. De vreemdeling heeft echter nimmer op grondslag van een verblijfsvergunning in Nederland verbleven. Aan deze constatering is geen onjuist gewicht toegekend, aldus de staatssecretaris.

4.1. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2010 in zaak nr. 201006726/1/V1, kan uit het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: het EHRM) van 31 januari 2006 in de zaak Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, nr. 50435/99 (www.echr.coe.int) en de beslissing van het EHRM van 14 april 2009 in de zaak Narenji Haghighi tegen Nederland, nr. 38165/07 (www.echr.coe.int), worden afgeleid dat bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM relevant is of op het moment dat de desbetreffende vreemdeling het familie- of gezinsleven is aangegaan dan wel heeft geïntensiveerd al dan niet zekerheid bestond over zijn verblijfsaanspraken in Nederland.

4.2. Uit het besluit van 11 februari 2011, dat is gehandhaafd bij besluit van 29 juni 2011, volgt dat de vreemdeling in 1998 zijn eerste asielaanvraag heeft ingediend, welke aanvraag reeds bij besluit van 3 juni 1999 is afgewezen. De vreemdeling heeft vervolgens nog enkele keren een verblijfsaanvraag ingediend, waarop steeds negatief is beslist. Hij heeft zijn partner in het Asielzoekerscentrum Schalkhaar leren kennen en sinds 2003 voeren zij een gemeenschappelijke huishouding. De vier minderjarige (pleeg)kinderen van de vreemdeling en zijn partner zijn in Nederland geboren.

Nu de vreemdeling nimmer in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, heeft de staatssecretaris in het kader van de belangenafweging terecht gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de vreemdeling het familie- en gezinsleven met zijn partner en (pleeg)kinderen is aangegaan en heeft geïntensiveerd gedurende een periode dat onzekerheid bestond over zijn verblijfsaanspraken in Nederland.

Grief 1 slaagt derhalve.

5. In grief 2 klaagt de staatssecretaris, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de belangen van de overige gezinsleden van de vreemdeling, en dan met name die van de kinderen, onvoldoende bij de besluitvorming heeft betrokken.

In het besluit van 11 februari 2011 is volgens de staatssecretaris wel degelijk uitdrukkelijk ingegaan op de positie van de kinderen, hun leeftijd en de worteling in Nederland. Daarnaast is in dit besluit geconstateerd dat geen sprake is van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven in Nigeria uit te oefenen, waarbij is onderkend dat de kinderen ook in Nederland kunnen blijven en kunnen genieten van hun opgebouwde rechten.

5.1. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 11 februari 2011, dat bij besluit van 29 juni 2011 is gehandhaafd, op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de vreemdeling, zijn partner en hun (pleeg)kinderen niet is gebleken van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven buiten Nederland, in Nigeria of in een ander land, uit te oefenen. Daarbij heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat de partner en de minderjarige (pleeg)kinderen inmiddels tot Nederlander zijn genaturaliseerd niet betekent dat vestiging in een derde land niet tot de mogelijkheden behoort, te minder nu, gezien de jeugdige leeftijd van de kinderen, nog geen sprake is van zodanige worteling in Nederland dat toekomstmogelijkheden elders voor de kinderen niet aanwezig zijn. Niet valt in te zien waarom de kinderen zich niet zouden kunnen aanpassen in het land van herkomst van hun (pleeg)vader of in een ander land. Bovendien kunnen de vreemdeling en zijn partner er ook voor kiezen dat de partner met de kinderen in Nederland blijft. De familieband kan in dat geval door middel van bijvoorbeeld bezoeken in de vakanties of via moderne communicatiemiddelen worden onderhouden. De omstandigheid dat de partner van de vreemdeling niet wenst mee te gaan naar Nigeria, is een persoonlijke keuze. De staatssecretaris is evenwel niet gehouden een vrije domiciliekeuze voor het kerngezin als geheel te honoreren, aldus de staatssecretaris in het besluit.

5.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de staatssecretaris slechts heeft bekeken of er objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven in Nigeria uit te oefenen, dat hij heeft gesteld dat die er niet zijn en dat hij vervolgens heeft betoogd dat van jonge kinderen mag worden verwacht dat zij zich elders weten aan te passen. Met deze redenering is de staatssecretaris, volgens de rechtbank, voorbij gegaan aan de rechten die de kinderen ontlenen aan hun (verworven) Nederlanderschap en hun verblijf in Nederland sinds hun geboorte, op grond waarvan zij er een gerechtvaardigd belang bij hebben om in Nederland te worden opgevoed en opgeleid. Daarbij is de staatssecretaris naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende ingegaan op de feitelijke omstandigheden waarin de partner en de kinderen van de vreemdeling zich bevinden.

5.3. Bij de door hem in het kader van artikel 8 van het EVRM te verrichten belangenafweging komt de staatssecretaris een zekere beoordelingsruimte toe. Dat laat evenwel onverlet dat de besluitvorming moet voldoen aan de eisen van zorgvuldigheid en motivering die het recht daaraan stelt. De rechter moet met inachtneming van de beoordelingsruimte die de staatssecretaris toekomt toetsen of de besluitvorming aan die eisen voldoet.

5.4. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris bij de "fair balance" die moet worden gevonden tussen enerzijds de belangen van de betrokken personen en anderzijds het betrokken algemeen belang van de staat, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de inmenging in de uitoefening door de vreemdeling, zijn partner en de (pleeg)kinderen van hun recht op gezinsleven gerechtvaardigd is. De staatssecretaris heeft terecht gewicht toegekend aan het feit dat de vreemdeling bij vonnis van 25 januari 2008 onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden en aan het gegeven dat hij weliswaar twaalf jaar in Nederland heeft verbleven, maar nimmer in het bezit is geweest van een vergunning tot verblijf. Voorts heeft de staatssecretaris terecht gewicht toegekend aan de omstandigheid dat, mede gelet op de jeugdige leeftijd van de kinderen, geen objectieve belemmeringen bestaan om het gezinsleven in Nigeria uit te oefenen. De enkele omstandigheid dat de partner van de vreemdeling niet wenst mee te gaan naar Nigeria, betreft een persoonlijke keuze en de staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij een vrije domiciliekeuze voor het kerngezin als geheel niet hoeft te honoreren.

Daarnaast wijst de staatssecretaris er in zijn hogerberoepschrift terecht op dat de partner van de vreemdeling en de (pleeg)kinderen over de Nederlandse nationaliteit beschikken, dat zij in Nederland derhalve in beginsel aanspraak kunnen maken op verstrekking van een uitkering uit de openbare kas, dat van overheidswege en door maatschappelijke instellingen hulp en ondersteuning bij - bijvoorbeeld - de zorg en opvoeding wordt geboden en dat van de gezinsleden kan worden verlangd dat zij gebruik maken van de mogelijkheid deze aanspraken en hulp te ontvangen. Niet is gebleken dat de partner, ook indien zij een beroep zou moeten doen op deze aanspraken en hulp, niet in staat is om voor haar kinderen te zorgen. Dat de staatssecretaris zulks in het besluit van 11 februari 2011, dat bij besluit van 29 juni 2011 is gehandhaafd, niet uitdrukkelijk tot uiting heeft gebracht, betekent niet dat dit besluit op een ondeugdelijke motivering berust. Voldoende duidelijk is dat de staatssecretaris voor het vinden van een "fair balance" de relevante feiten en omstandigheden onder ogen heeft gezien en daarbij de door de rechtbank genoemde aspecten niet van doorslaggevende betekenis heeft geacht. Het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris niet, althans onvoldoende, op die aspecten is ingegaan, moet derhalve aldus worden begrepen dat volgens de rechtbank aan bedoelde aspecten wel doorslaggevend gewicht toekomt. Voor dat oordeel bestaat, zoals hiervoor is overwogen, geen grond.

Grief 2 slaagt.

6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 29 juni 2011 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

7. In beroep heeft de vreemdeling, samengevat weergegeven en onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 8 maart 2011, C-34/09, Ruiz Zambrano (hierna: het arrest Ruiz Zambrano; www.curia.europa.eu), betoogd dat zijn aanwezigheid noodzakelijk is voor het welbevinden van zijn familie en dat hij voor de kinderen zorgt als zijn partner afwezig is in verband met haar werkzaamheden. Als zodanig bestaat tussen hem en zijn (pleeg)kinderen een afhankelijkheidsrelatie. Indien hij noodgedwongen uit Nederland wordt verwijderd, ziet zijn partner geen andere mogelijkheid dan één of meerdere kinderen onder te brengen in pleeggezinnen buiten Nederland. Dat betekent dat er voor de kinderen geen reële mogelijkheid bestaat om, bij afwezigheid van hun vader, hun rechten uit hoofde van hun Nederlanderschap uit te oefenen, aldus de vreemdeling.

7.1. Zoals is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2012 in zaak nr. 201105729/1/V1, heeft het Hof in het arrest Ruiz Zambrano en het arrest van 15 november 2011, C-256/11, Dereci e.a. (hierna: arrest Dereci; www.curia.europa.eu) bij de beantwoording van de vraag of minderjarige burgers van een lidstaat van de Unie het grondgebied van de Unie moeten verlaten indien aan die ouders het recht wordt ontzegd in de desbetreffende lidstaat te verblijven, uitsluitend relevant geacht of de desbetreffende kinderen door beide ouders (arrest Ruiz Zambrano, punt 44) of één van beide ouders (arrest Dereci, punt 65) te volgen, feitelijk worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten.

De vreemdeling heeft, mede gelet op hetgeen onder 5.4. is overwogen, niet aannemelijk gemaakt dat zijn partner, ook indien zij gebruik maakt van hulp en ondersteuning bij zorg en opvoeding, feitelijk niet geacht kan worden om de zorg voor de kinderen te kunnen dragen. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de kinderen zodanig van de vreemdeling afhankelijk zijn dat zij als gevolg van de besluitvorming van de staatssecretaris geen andere keus hebben dan met hem buiten het grondgebied van de Europese Unie te verblijven.

De beroepsgrond faalt.

8. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

9. Het inleidende beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 2 april 2012 in zaak nr. 11/21449;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Vonk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2013

345-644