Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1409

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
02-10-2013
Zaaknummer
201301872/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 november 2012, kenmerk BPV/2012/10724, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/1918
JBO 2013/156 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301872/1/R1.

Datum uitspraak: 2 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B] (hierna tezamen en enkelvoud: [appellante sub 1]), gevestigd te Warmenhuizen, gemeente Schagen,

2. [appellante sub 2A], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], en [appellante sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 2]), gevestigd onderscheidenlijk wonend te Warmenhuizen, gemeente Schagen,

en

de raad van de gemeente Schagen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2012, kenmerk BPV/2012/10724, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en [appellante sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juli 2013 waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. A.A. Aartse Tuyn, advocaat te Alkmaar, [appellante sub 2], bijgestaan door J.N.J.B. Horak, en de raad, vertegenwoordigd door M.H. Bakker, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan beoogt een eenduidige planologische regeling te bieden voor een aantal bedrijventerreinen in de gemeente, waarbij de feitelijke situatie, voor zover legaal, wordt vastgelegd.

Het beroep van [appellante sub 1]

3. [appellante sub 1], wier bedrijf is gevestigd aan [locatie 1] op de percelen kadastraal bekend gemeente Warmenhuizen, sectie F, nrs 484, 486, 487, 488, 489 en 545 (hierna: F 484, F 486, F 487, F 488, F 489 en F 545), betoogt dat aan de percelen F 484 en F 488 ten onrechte niet de aanduiding "gemengd" is toegekend. Zij stelt dat dit tot gevolg heeft dat het gebruik van deze percelen niet goed kan worden afgestemd op de omliggende percelen waarop de aanduiding "gemengd" wel rust.

3.1. De raad stelt dat deze twee percelen worden gebruikt als weg en dat de planregeling dit gebruik mogelijk maakt.

3.2. De percelen F 484 en F 488 liggen op gronden met de bestemming "Bedrijventerrein".

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, sub 10, van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen en overkappingen ten behoeve van gemengde functies die zijn genoemd in bijlage 4, ter plaatse van de aanduiding "gemengd".

Ingevolge bijlage 4 bij de planregels zijn de volgende gemengde functies toegestaan binnen de bestemming "Bedrijventerrein":

- kappersbedrijf, schoonheidssalon, fotograaf, foto- en filmontwikkelbedrijf;

- muziek-, dans- en balletscholen;

- sportscholen en naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen vormen van sport en recreatie;

- bibliotheken, musea, ateliers en naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen vormen van cultuur en ontspanning;

- sporthallen;

- bowlingcentra, amusementshallen, schietinrichtingen (binnenbanen), boogbanen;

- overige dienstverlening (onder SBI code 93, genoemd in bijlage 2).

3.3. De Afdeling stelt vast dat de percelen F 484 en F 488 nagenoeg geheel worden omsloten door gronden waaraan de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "gemengd" zijn toegekend. Een klein deel van perceel F 484 grenst aan perceel F 636 waaraan de bestemming "Verkeer" is toegekend. Perceel F 636 is echter ook grotendeels omsloten door gronden waaraan de bestemming "Bedrijventerrein" is toegekend, terwijl op die gronden ook de aanduiding "gemengd" rust. Gelet op het vorenstaande heeft de raad niet deugdelijk gemotiveerd waarom aan de percelen F 484 en F 488 niet de aanduiding "gemengd" is toegekend. De omstandigheid dat de planregeling voor de percelen F 484 en F 488 het bestaande gebruik mogelijk maakt, doet niet af aan het belang van [appellante sub 1] bij meer mogelijkheden voor de inrichting van het bedrijventerrein. De raad heeft niet kunnen toelichten waarom hij die mogelijkheden niet wil bieden.

4. [appellante sub 1] betoogt dat het gehele gebied van de percelen F 484, F 486, F 487, F 488, F 489 en F 545 als "wro-zone - wijzigingsgebied 1" aangewezen had moeten worden.

4.1. De raad betoogt dat uitgezonderd perceel F 545 waarvoor deze bevoegdheid wel geldt, niet wordt voldaan aan de in artikel 6, lid 6.5, onder a, sub 4 en 6, van de planregels gestelde eisen van achtereenvolgens een kavelbreedte van 20 m aan de zijde van de weg en het niet beperken van omliggende bedrijven in de bedrijfsuitoefening.

4.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.5, aanhef en onder a, sub 4 en 6, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders in het gebied met de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 1" het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat de aanduiding "bedrijfswoning" wordt aangebracht ten behoeve van de vestiging van ten hoogste één bedrijfswoning per bedrijf mits:

[…]

4. de kavelbreedte aan de zijde van de weg ten minste 20 m bedraagt;

[…]

6. de omliggende bedrijven niet worden beperkt in de bedrijfsuitoefening;

[…]

4.3. De Afdeling overweegt dat op het perceel F 545 de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 1" rust, zodat het beroep in zoverre feitelijke grondslag mist. Wat betreft de overige percelen heeft de raad onweersproken gesteld dat deze niet voldoen aan de eis van een kavelbreedte aan de zijde van de weg van ten minste 20 m. Voorts heeft de raad aannemelijk gemaakt dat het realiseren van een bedrijfswoning op deze percelen gevolgen kan hebben voor de bedrijfsuitoefening van bestaande omliggende bedrijven. Hierbij is van belang dat op korte afstand van de desbetreffende percelen bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 als bedoeld in de door de raad gehanteerde publicatie "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (hierna: VNG-brochure) zijn gevestigd. De raad heeft in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de belangen van al gevestigde bedrijven dan aan het belang van [appellante sub 1] dat de vermelde wijzigingsbevoegdheid op al haar percelen rust. Het betoog faalt.

5. [appellante sub 1] betoogt dat ten onrechte niet een planregel is vastgesteld dat bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan indien die activiteiten uit een oogpunt van milieubelasting vergelijkbaar zijn met de toegestane activiteiten uit de bedrijfscategorieën 2 en 3.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan rekening houdt met de ruimtelijke gevolgen van de vestiging van bedrijven. Volgens de raad zijn er gezien de lijst van bedrijven in bijlage 2 bij het plan voldoende mogelijkheden voor de vestiging van bedrijven.

5.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, sub 1 en 2, van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bestemd voor:

a. gebouwen en overkappingen ten behoeve van:

1. bedrijven die zijn genoemd in bijlage 2 onder de categorieën 1 en 2, ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2";

2. bedrijven die zijn genoemd in bijlage 2 onder de categorieën 1 tot en met 3.1, ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1";

[…].

In bijlage 2 is de categorale bedrijfsindeling uit de VNG-brochure grotendeels overgenomen.

5.3. Het plan geeft door middel van een indeling in milieucategorieën, gelezen in samenhang met de in bijlage 2 genoemde bedrijfsactiviteiten, een regeling voor de toegestane bedrijvigheid op het bedrijventerrein Warmenhuizen - Noordwest. Volgens de plantoelichting heeft de raad het uitgangspunt gehanteerd de bestaande, legale bedrijvigheid op het bedrijventerrein te bestemmen. Niet in geschil is dat het ter plaatse bestaande gebruik als zodanig is bestemd. Voorts is niet gebleken dat [appellante sub 1] ten tijde van de vaststelling van het plan concrete plannen had om op haar percelen activiteiten te ontwikkelen die niet in bijlage 2 worden genoemd. In hetgeen [appellante sub 1] aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid ervan heeft kunnen afzien om een gelijkstellingsbepaling als door [appellante sub 1] bedoeld op te nemen in de planregels.

Het betoog faalt.

6. [appellante sub 1] betoogt dat aan haar percelen ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" dan wel "Waarde - Archeologie 3" is toegekend. Ter zitting heeft [appellante sub 1] de beroepsgrond met betrekking tot de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" ingetrokken.

6.1. De raad verwijst naar de plantoelichting en betoogt dat de archeologische locatieaanwijzing is gebaseerd op de op 17 juli 2012 vastgestelde Beleidsnota Cultuurhistorie Gemeente Harenkarspel (hierna: beleidsnota).

6.2. Aan de percelen van [appellante sub 1] is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" dan wel "Waarde - Archeologie 3" is toegekend. In de plantoelichting is ingegaan op de beleidsnota. Gezien de schaal van de in de plantoelichting en de beleidsnota opgenomen kaarten is daaruit naar het oordeel van de Afdeling niet af te leiden waarom aan de percelen van [appellante sub 1] al dan niet de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" of "Waarde - Archeologie 3" is toegekend. Verder heeft de raad ter zitting de afweging op perceelsniveau niet kunnen motiveren.

7. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover de aanduiding "gemengd" niet is toegekend aan de percelen F 484 en F 488 en voor zover de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" of de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend aan de percelen F 484, F 486, F 487, F 488, F 489 en F 545, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep is op deze punten gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen over het al dan niet toekennen van de aanduiding "gemengd" aan de percelen F 484 en F 488 en het al dan niet toekennen van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" of "Waarde - Archeologie 3" en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

De Afdeling ziet aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb.

Gelet op het voorgaande is het beroep voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 2]

8. Ter zitting heeft [appellante sub 2] de beroepsgrond over de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf" in relatie tot de verbeelding ingetrokken.

9. [appellante sub 2], wier bedrijf is gevestigd aan de [locatie 2] op de percelen kadastraal bekend gemeente Warmenhuizen, sectie F, nrs. 480 en 481 (hierna: F 480 en F 481), betoogt dat het plan ten onrechte er niet in voorziet dat op deze percelen bedrijven in milieucategorie 3.2 kunnen worden gevestigd. Zij stelt dat naast de verkoop van auto’s ter plaatse al tientallen jaren een garagebedrijf en een autoschadeherstelbedrijf worden geëxploiteerd. Deze beide takken van het bedrijf zijn gelijkwaardig. Volgens [appellante sub 2] is hier in de planregels ten onrechte geen rekening mee gehouden, omdat plaatwerkactiviteiten slechts zijn toegestaan voor zover deze activiteiten een ondergeschikt karakter hebben.

9.1. De raad verwijst naar de reactienota zienswijzen waarin is gesteld dat voor het bedrijf categorie 3.1 volstaat. Daarbij gaat de raad uit van categorie 2 voor de handel/reparatie van auto’s, een benzineverkooppunt en de wasinrichting en categorie 3.1 voor de spuitinrichting. Daarnaast zijn volgens de raad ondergeschikte plaatwerkactiviteiten op zich toegestaan.

9.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, sub 7, van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen en overkappingen ten behoeve van een garagebedrijf met inbegrip van detailhandel in auto’s en aanverwante artikelen, met daaraan ondergeschikte plaatwerkactiviteiten, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - garagebedrijf".

9.3. Ter zitting heeft de raad gesteld dat hij er niet van op de hoogte was dat ter plaatse een volwaardig autoschadeherstelbedrijf werd geëxploiteerd. In geval van een autoschadeherstelbedrijf zijn volgens de raad nadere gegevens nodig voor de beoordeling van de ruimtelijk inpasbaarheid van het bedrijf. [appellante sub 2] heeft betoogd dat in het verleden een milieuvergunning is verleend voor haar bedrijf, dat meldingen zijn gedaan in het kader van op de Wet milieubeheer gebaseerde algemene maatregelen van bestuur en dat het bedrijf regelmatig is bezocht door medewerkers van de gemeente.

Uit de zienswijze van [appellante sub 2] blijkt dat zij onder verwijzing naar informatie van de Milieudienst Kop van Noord-Holland de raad erop heeft gewezen dat zij bij deze milieudienst bekend staat als bedrijf voor handel van en reparatie aan auto’s en schadeherstelbedrijf. Niet in geschil is dat plaatwerkactiviteiten een wezenlijk onderdeel van een autoschadeherstelbedrijf zijn. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad de feitelijke situatie van het bedrijf van [appellante sub 2] onvoldoende in aanmerking heeft genomen

9.4. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen voor de percelen F 480 en F 481 is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

Proceskosten

10. De raad dient ten aanzien van [appellante sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellante sub 2] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B] gedeeltelijk en het beroep van [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B] geheel gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Schagen van 6 november 2012, kenmerk BPV/2012/10724, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" voor zover het betreft:

a. het niet toekennen van de aanduiding "gemengd" aan de percelen kadastraal bekend gemeente Warmenhuizen, sectie F, nrs. 484 en 488;

b. de plandelen voor de percelen kadastraal bekend gemeente Warmenhuizen, sectie F, nrs. 484, 486, 487, 488, 489 en 545 wat betreft de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" of de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" voor ;

c. de plandelen voor de percelen kadastraal bekend gemeente Warmenhuizen sectie F, nrs. 480 en 481;

III. verklaart het beroep van [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B] voor het overige ongegrond;

IV. draagt de raad op om ten aanzien van het hiervoor vermelde onderdeel II binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

V. treft de voorlopige voorziening dat gedurende de periode van zestien weken vanaf de datum van verzending van deze uitspraak of zoveel te eerder als een nieuw besluit is genomen en in werking treedt voor de in onderdeel II, onder b, genoemde plandelen waaraan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" of de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, de desbetreffende planregels gelden;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Schagen tot vergoeding van bij de [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Schagen aan appellanten vergoedt het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, en € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Melse

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2013

191.