Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1386

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
02-10-2013
Zaaknummer
201205825/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 april 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2011" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205825/1/R2.

Datum uitspraak: 2 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de [Maatschap], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Eemnes,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Eemnes,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2011" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de Maatschap beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2013, waar de Maatschap, vertegenwoordigd door [maten], bijgestaan door mr. J.J. Nicolaas, en de raad, vertegenwoordigd door B. Gangelhof, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 27 maart 2013 in zaak nr. 201205825/1/T1/R2 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 23 april 2012 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

De raad heeft het gebrek in het besluit van 23 april 2012 beoogt te herstellen door het plan bij besluit van 24 juni 2013 opnieuw, gewijzigd vast te stellen.

De Maatschap heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, haar zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren gebracht.

De raad heeft desverzocht schriftelijke inlichtingen verstrekt.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervangen van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Bij besluit van 24 juni 2013 heeft de raad het besluit van 23 april 2012 gewijzigd. Het eerstgenoemde besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

2. De Afdeling heeft in haar tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 23 april 2012, voor zover de kuilvoerplaten en de mestopslag van de Maatschap gelegen aan de oostzijde van Wakkerendijk niet als zodanig zijn bestemd, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

2.1. Bij tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van overweging 5.3. alsnog een nieuw besluit te nemen teneinde de bouwwerken van de Maatschap die zijn gelegen aan de oostzijde van de Wakkerendijk als zodanig te bestemmen en de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

3. Bij besluit van 24 juni 2013 heeft de raad naar aanleiding van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2011" gewijzigd vastgesteld. Hiermee heeft de raad aan het plandeel betreffende de gronden van de Maatschap aan de oostzijde van de Wakkerendijk (hierna: de gronden) de aanduiding "bouwvlak", de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - gebouwen uitgesloten" en de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" toegekend.

4. De Maatschap betoogt dat het plan leidt tot rechtsongelijkheid, nu uitsluitend aan haar gronden de aanduidingen "specifieke bouwaanduiding - gebouwen uitgesloten" en "bedrijfswoning uitgesloten" zijn toegekend.

4.1. Zoals de Afdeling in haar tussenuitspraak in 4.3. heeft overwogen heeft de raad zich in redelijk op het standpunt kunnen stellen dat de realisatie van gebouwen op de gronden ten koste gaat van het karakter van het open poldergebied. Weliswaar is in de directe omgeving van de gronden aan de oostzijde van de Wakkerendijk een beperkt aantal gebouwen aanwezig, doch heeft de raad in dit geval in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang dat is gemoeid met het behouden van het karakter van het open poldergebied dan aan het belang van de Maatschap om gebouwen te kunnen realiseren op de gronden. Het betoog faalt.

5. Ten aanzien van het betoog dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijk motivering, nu de op de gronden aanwezige mest- en kuilvoerplaten onder het voorgaande plan zijn vergund en derhalve niet door het bestreden besluit worden gelegaliseerd, wordt overwogen dat uit het raadsbesluit volgt dat de raad bij het nemen van het bestreden besluit uitgaat van met vergunning opgerichte mest- en kuilvoerplaten. Dat de raad abusievelijk spreekt over legaliseren, maakt niet dat het bestreden besluit berust op een ondeugdelijke motivering. Het betoog faalt.

6. De Maatschap betoogt dat ten onrechte de ter plaatse aanwezige en vergunde mestkelder niet in de verbeelding is opgenomen.

Voorts betoogt de Maatschap dat de mestkelder ingevolge artikel 1, lid 1.42, van de planregels als een gebouw dient te worden aangemerkt, zodat de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - gebouwen uitgesloten" bij het alsnog als zodanig bestemmen van de mestkelder niet aan de gronden ter plaatse van deze mestkelder kan worden toegekend.

6.1. Uit de door de raad gegeven schriftelijke inlichtingen blijkt dat de raad, anders dan hij heeft beoogd, de op de gronden aanwezige en vergunde mestkelder niet als zodanig heeft bestemd. Nu het plan in afwijking van de opdracht niet voorziet in de op de gronden aanwezige en vergunde mestkelder, is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

Wat betreft het betoog van de Maatschap dat de mestkelder ingevolge artikel 1, lid 1.42, van de planregels als een gebouw dient te worden aangemerkt, wijst de Afdeling op haar uitspraak van 27 maart 2013 in zaak nr. 201207635/1/A1 waarin het oordeel besloten ligt dat deze mestkelder een bouwwerk, geen gebouw zijnde is.

7. De Maatschap betoogt dat het totale bouwvlak van het bedrijf op de gronden aan de oostzijde van de Wakkerendijk, alsmede op de gronden aan de westzijde, bij elkaar opgeteld minder dan 1 hectare bedraagt, terwijl andere agrarische bedrijven in de omgeving een gemiddelde oppervlakte van een bouwvlak van ten minste 1 hectare krijgen toegekend.

7.1. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke bestreden besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht.

De Maatschap heeft met dit beroep op het gelijkheidsbeginsel haar beroepsgronden uitgebreid met een nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgrond. Voorts is niet gebleken dat de Maatschap deze beroepsgrond niet eerder naar voren had kunnen brengen. Dit betekent dat de zienswijze op dit punt buiten inhoudelijke bespreking blijft.

8. Voor zover de zienswijze van de Maatschap ziet op aspecten die niet het onderwerp vormen van de door de Afdeling aan de raad gegeven opdracht en de wijze waarop de raad daaraan uitvoering heeft gegeven - zoals het in strijd met de goede ruimtelijke ordening niet toestaan van gebouwen binnen het bouwvlak dat aan de gronden is toegekend en het gewekte vertrouwen dat naast de onder het voorgaande plan vergunde mestplaat, mestkelder en kuilvoerplaten ook medewerking zou worden verleend in de vorm van het toekennen van een bouwvlak aan de gronden voor de bouw van een melkstal - overweegt de Afdeling dat daarover in de tussenuitspraak in 4.3. en 4.4. eindbeslissingen zijn gegeven en deze hier buiten inhoudelijke bespreking moeten blijven.

9. Gelet op de tussenuitspraak is het beroep van de Maatschap tegen het besluit van 23 april 2012, voor zover de bouwwerken van de Maatschap die zijn gelegen aan de oostzijde van de Wakkerendijk niet als zodanig zijn bestemd, gegrond. Dit besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Voor het overige is het beroep van de Maatschap tegen het besluit van 23 april 2012 gelet op hetgeen daarover in de tussenuitspraak is overwogen ongegrond.

Het beroep van de Maatschap tegen het besluit van 24 juni 2013 is, voor zover de mestkelder van de Maatschap die is gelegen aan de oostzijde van de Wakkerendijk niet als zodanig is bestemd, gegrond. Dit besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

10. De Afdeling ziet aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op te dragen met inachtneming van hetgeen in 8.1 is overwogen een nieuw besluit te nemen. De Afdeling zal daartoe een termijn stellen. De raad zal bij het te nemen nieuwe besluit onder andere moeten betrekken de in artikel 4, lid 4.2, onder b, aanhef en onder 4, van de planregels opgenomen beperking dat slechts één mestopslag per bouwvlak is toegestaan.

Ter voorlichting van partijen overweegt de Afdeling nog het volgende. Zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 september 2011 in zaak nr. 201107073/2/R3) staat het, in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter, het bevoegd gezag in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag, dan wel de procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen. Dit betekent dat de raad er voor kan kiezen het bestemmingsplan opnieuw vast te stellen zonder hieraan voorafgaand een ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. In dit geval acht de Afdeling het niet nodig om bij de voorbereiding van het nieuwe besluit de procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen.

11. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van 23 april 2012 gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Eemnes van 23 april 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2011", voor zover de bouwwerken van de Maatschap die zijn gelegen aan de oostzijde van de Wakkerendijk niet als zodanig zijn bestemd;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van 23 april 2012 voor het overige ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van 24 juni 2013 gegrond;

V. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Eemnes van 24 juni 2013 tot het opnieuw, gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2011", voor zover de mestkelder van de Maatschap die is gelegen aan de oostzijde van de Wakkerendijk niet als zodanig is bestemd;

VI. draagt de raad van de gemeente Eemnes op om binnen dertien weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van het onder V genoemde onderdeel en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Eemnes tot vergoeding van bij de [Maatschap] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.210,68 (zegge: twaalfhonderdtien euro en achtenzestig cent), waarvan € 1.180,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Eemnes aan de [Maatschap] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Van Baaren

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2013

579-772.