Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1371

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
02-10-2013
Zaaknummer
201204384/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Nijemirdum-Wytlân" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204384/1/R4.

Datum uitspraak: 2 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Nijemirdum, gemeente Gaasterlân-Sleat,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Gaasterlân-Sleat,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Nijemirdum-Wytlân" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2012, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door drs. T.J. Jagersma, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord [partij], vertegenwoordigd door [directeur].

Bij tussenuitspraak van 20 februari 2013 in zaak nr. 201204384/1/T1/R4, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twintig weken na verzending van deze tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 20 december 2011 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 29 mei 2013 heeft de raad de planregeling gedeeltelijk gewijzigd en het bestemmingsplan voor het overige ongewijzigd opnieuw vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [appellant] zijn zienswijze over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de raad de gevolgen van de in het plan voorziene ontsluitingsweg bij het perceel van [appellant] voor de verkeersveiligheid en het woon- en leefklimaat van [appellant] onvoldoende heeft onderzocht. Verder heeft de Afdeling overwogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in de planregels mogelijk wordt gemaakt dat op de gronden met de bestemming "Groen" twaalf evenementen per jaar met maximaal 5000 bezoekers per evenement worden gehouden, nu het kennelijk de bedoeling is dat deze gronden uitsluitend zullen worden gebruikt voor de jaarlijkse braderie. Voorts is, uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden, door de raad onvoldoende onderzocht of het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen en of de gevolgen voor het woon- en leefklimaat op het perceel van [appellant] van dergelijke grootschalige evenementen aanvaardbaar te achten zijn. Derhalve heeft de Afdeling geoordeeld dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak:

- met inachtneming van hetgeen in overweging 4.2 is overwogen te onderzoeken welke gevolgen de voorziene ontsluitingsweg vanaf het Wytlânsdykje heeft voor de verkeersveiligheid op het Wytlânsdykje, welke gevolgen de ontsluitingsweg vanaf het Wytlânsdykje heeft voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van het perceel van [appellant] en hoeveel verkeer gebruik zal maken van de ontsluitingsweg vanaf het Wytlânsdykje en op grond van deze onderzoeken het besluit op dit punt toereikend te motiveren, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling;

- met inachtneming van hetgeen in overweging 5.3 is overwogen toereikend te motiveren waarom de planregels twaalf evenementen per jaar met maximaal 5000 bezoekers per evenement mogelijk maken, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling;

- met inachtneming van hetgeen in overweging 5.3 is overwogen te onderzoeken of voldoende parkeerruimte in de omgeving van het evenemententerrein beschikbaar is teneinde aan de parkeerbehoefte van de evenementen, uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden daartoe, te kunnen voldoen alsmede te onderzoeken welke gevolgen de evenementen, eveneens uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden, hebben voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van het perceel van [appellant] en het besluit op grond van deze onderzoeken toereikend te motiveren, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

3. Bij besluit van 29 mei 2013 heeft de raad het plan opnieuw vastgesteld. De raad heeft de planregeling aldus gewijzigd dat ingevolge artikel 1, een evenement uit categorie 1 maximaal 500 bezoekers per dag mag hebben en dat ingevolge artikel 4 binnen de bestemming "Groen" evenementen uit categorie 1 zijn toegestaan, met een maximum van vijf evenementen per jaar. Voor het overige heeft de raad het plan niet gewijzigd ten opzichte van het bij het besluit van 20 december 2011 vastgestelde plan. Dit besluit van 29 mei 2013 wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege geacht onderwerp te zijn van het geding tussen [appellant] en de raad.

4. In zijn zienswijze stelt [appellant] zich te kunnen vinden in het besluit van 29 mei 2013, voor zover daarbij in artikel 1 van de planregels het bezoekersaantal per evenement is bijgesteld naar 500 en voor zover in artikel 4 van de planregels het maximumaantal evenementen per jaar is gesteld op vijf. Gelet hierop moet het van rechtswege ontstane beroep van [appellant] in zoverre geacht worden te zijn ingetrokken.

4.1. [appellant] kan zich echter niet verenigen met het besluit van 29 mei 2013 voor zover daarin opnieuw de ontsluitingsweg vanaf het Wytlânsdykje is voorzien. Volgens [appellant] heeft de raad ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de gevolgen van de voorziene ontsluitingsweg voor de verkeersveiligheid op het Wytlânsdykje. Voorts betoogt [appellant] dat het door RBOI-groep uitgevoerde akoestisch onderzoek van 2 mei 2013 (hierna: akoestisch onderzoek) naar de akoestische gevolgen van de ontsluitingsweg onduidelijkheden bevat. Daarbij wijst hij erop dat het onderzoek is gebaseerd op verwachtingen en stelt hij dat onduidelijk is of het onderzoek uitgaat van één of twee ontsluitingen van het plangebied.

4.2. De Afdeling stelt vast dat de raad geen nader onderzoek heeft uitgevoerd naar de gevolgen van de voorziene ontsluitingsweg vanaf het Wytlânsdykje voor de verkeersveiligheid op het Wytlânsdykje. In de brief van 8 juli 2013 heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat er geen onevenredige inbreuk op de verkeersveiligheid zal ontstaan, door het lage aantal verkeersbewegingen en het karakter van de aan te leggen straat, waardoor geen hoge snelheden kunnen worden gehaald.

Blijkens het akoestisch onderzoek bedraagt de huidige verkeersintensiteit op het Wytlânsdykje 450 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etmaal). Uit het akoestisch onderzoek blijkt voorts dat de in het plan voorziene woningen 163 mvt/etmaal zullen genereren en dat de maximale verkeersintensiteit, onder meer door het gebruik van het evenemententerrein, op de voorziene ontsluitingsweg maximaal 350 mvt/etmaal zal bedragen. Gelet op deze toename van het aantal verkeersbewegingen op het Wytlânsdykje, de beperkte breedte van het Wytlânsdykje en de in de tussenuitspraak geconstateerde concentratie van uitritten in de directe omgeving van de voorziene ontsluitingsweg, heeft de raad ten onrechte niet onderzocht en met de brief van 8 juli 2013 onvoldoende gemotiveerd dat de voorziene ontsluiting op het Wytlânsdykje geen onaanvaardbare gevolgen zal hebben voor de verkeersveiligheid.

Het betoog slaagt.

5. [appellant] betoogt ten aanzien van het besluit van 20 december 2011 dat het plan zal leiden tot waardedaling van zijn woning, omdat zijn woning na de realisering van het plan in een nieuwbouwwijk ligt.

5.1. De raad stelt dat [appellant] een verzoek om vergoeding van planschade kan indienen.

5.2. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

Het betoog faalt.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 20 december 2011 gedeeltelijk gegrond. Dat besluit dient te worden vernietigd, voor zover het betreft de bestemming "Verkeer" als weergegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart, voor zover het betreft de zinsnede "waarbij het evenement per dag maximaal 5000 bezoekers trekt" in de definitie van evenement in artikel 1 van de planregels en voor zover het betreft de zinsnede "meer dan 12 keer per jaar" in artikel 4 van de planregels. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 20 december 2011 is gelet op de overwegingen 3.2, 6.2 en 7.2 van de tussenuitspraak en overweging 5.2 van deze uitspraak voor het overige ongegrond.

7. Het beroep tegen het besluit van 29 mei 2013 is gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 29 mei 2013 dient wegens strijd de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het betreft de gronden die zijn aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart. Gelet hierop behoeft de beroepsgrond betreffende de geluidhinder door de voorziene ontsluitingsweg vanaf het Wytlânsdykje thans geen bespreking meer. Het beroep tegen het besluit van 29 mei 2013 is, in het verlengde van het beroep tegen het besluit van 20 december 2011, voor het overige ongegrond.

8. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Gaasterlân-Sleat van 20 december 2011, kenmerk 2011/119, gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van 20 december 2011, voor zover het betreft:

a. de bestemming "Verkeer", voor zover deze betrekking heeft op de gronden die zijn aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart;

b. de zinsnede "waarbij het evenement per dag maximaal 5000 bezoekers trekt" in de definitie van evenement in artikel 1 van de planregels en voor zover het betreft de zinsnede "meer dan 12 keer per jaar" in artikel 4 van de planregels;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van 20 december 2011 voor het overige ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Gaasterlân-Sleat van 29 mei 2013, kenmerk 2013/035, gedeeltelijk gegrond;

V. vernietigt het besluit van 29 mei 2013, voor zover het betreft de bestemming "Verkeer", voor zover deze betrekking heeft op de gronden die zijn aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart;

VI. verklaart het beroep tegen het besluit van 29 mei 2013 voor het overige ongegrond;

VII. draagt de raad van de gemeente Gaasterlân-Sleat op om binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen II, onder a, en V worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Gaasterlân-Sleat aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Klein Nulent

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2013

218-767.