Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1349

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
02-10-2013
Zaaknummer
201211189/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Tubbergen, Veldwijk" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Besluit ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening 1.2.3
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 8.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2013/2634 met annotatie van P. Jong
JM 2014/13 met annotatie van P. Jong
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211189/1/R1.

Datum uitspraak: 2 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Tubbergen,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Tubbergen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Tubbergen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Tubbergen, Veldwijk" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door [gemachtigde], [appellant sub 2] en de raad, vertegenwoordigd door ing. P.P.A.J. de Wit en ing. M. ten Voorde, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pebem Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door T.J.C. Perik, als partij gehoord.

Overwegingen

Het toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het bestemmingsplan voorziet in negen woningen op de locatie Veldwijk aan de Reutummerweg.

Ontvankelijkheid

3. De raad betoogt dat [appellant sub 1] niet als belanghebbende bij het plan kan worden aangemerkt. De raad voert hiertoe aan dat het perceel van [appellant sub 1] op te grote afstand van het plangebied is gelegen.

3.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dit luidde ten tijde van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.2. [appellant sub 1] is eigenaar van een perceel dat op een afstand van ongeveer 100 m van het plangebied is gelegen. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt kan niet worden uitgesloten dat het plan voor [appellant sub 1] leidt tot nadelige effecten. Hieruit volgt dat hij een rechtstreeks betrokken belang heeft bij het plan en kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

4. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn gericht tegen de vaststelling van het hele plan. Het standpunt van de raad dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn voor zover het de beroepsgronden betreft die niet reeds in de zienswijze zijn aangevoerd vindt geen steun in het recht, in het bijzonder artikel 6:13 van de Awb. Ook overigens vloeit niet uit de wet of uit enig rechtsbeginsel voort dat gronden die niet expliciet in de zienswijzefase zijn aangevoerd, vanwege die enkele omstandigheid buiten de inhoudelijke beoordeling van het beroep zouden moeten blijven. Nu in dit geval de betrokken beroepsgronden direct verband houden met hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in hun zienswijze hebben aangevoerd, is er geen reden waarom de Afdeling niet mede op grondslag van deze gronden uitspraak zou kunnen doen.

Procedurele aspecten

5. [appellant sub 1] stelt dat geen sprake is van een rechtsgeldig besluit nu op het raadsvoorstel van 28 september 2012 waarin wordt voorgesteld om het plan gewijzigd vast te stellen de handtekeningen van de secretaris en de burgemeester ontbreken.

5.1. De Afdeling overweegt dat het raadsbesluit van 8 oktober 2012 waarbij het bestemmingsplan "Tubbergen, Veldwijk" is vastgesteld, getekend is. Hetgeen [appellant sub 1] aanvoert brengt niet met zich dat dit besluit niet rechtsgeldig is.

Inhoudelijke aspecten

6. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat geen behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningen op kavels groter dan 600 m². [appellant sub 2] voert hiertoe aan dat in het bestemmingsplan "Binnenveld II" eveneens kavels met een oppervlakte groter dan 600 m² zijn voorzien, zodat met de in het plan opgenomen kavels de behoefte wordt overstegen.

6.1. De raad stelt dat volgens het rapport "Gemeente Tubbergen, actualisering woningbouwprogramma uit de Woonvisie 2010-2014" (hierna: woningbouwprogramma), opgesteld door Companen, behoefte bestaat aan acht bouwkavels met een oppervlakte van meer dan 600 m² in Tubbergen. Het woningbouwprogramma gaat daarbij uit van een planperiode tot 2019. Nu het voorliggende plan een periode van 10 jaar omvat en drie jaar langer duurt dan de aangegeven periode in het woningbouwprogramma, is een aantal van 9 kavels met een oppervlakte van meer dan 600 m² in lijn met het woningbouwprogramma, aldus de raad.

6.2. In paragraaf 3.3 van het woningbouwprogramma staat dat de lokale woningbehoefte in de kern Tubbergen voor de periode 2012 tot 2019 83 tot 113 woningen bedraagt, waarvan 10% binnen het segment bouwkavels groter dan 600 m². Ter zitting heeft de raad aangegeven dat de vijf kavels met een oppervlakte groter dan 600 m² zoals voorzien in het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan "Binnenveld II", zijn meegenomen in het aantal woningen zoals weergegeven in de tabel in paragraaf 3.3 van het woningbouwprogramma onder "In voorbereiding zijnde plannen per 1.1.2012".

6.3. Uit het vorenoverwogene volgt dat de raad voorafgaand aan de vaststelling van het plan onderzoek heeft gedaan naar de behoefte aan woningen in Tubbergen. Uit het onderzoek, zoals opgenomen in het voornoemde woningbouwprogramma, volgt dat voor de periode 2012 tot 2019 een behoefte aan 83 tot 113 woningen bestaat in Tubbergen waarvan acht tot elf bouwkavels met een oppervlakte van meer dan 600 m². Deze behoefte resteert indien rekening wordt gehouden met de voorziene woningen in het bestemmingsplan "Binnenveld II". Gelet op de planperiode van tien jaar heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het aantal van negen kavels met een oppervlakte van meer dan 600 m² in lijn is met het woningbouwprogramma. Gelet hierop heeft de raad ten tijde van het nemen van het bestreden besluit ervan uit mogen gaan dat behoefte bestond aan de negen in het plan voorziene woningen op kavels groter dan 600 m².

7. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met het beleid opgenomen in de beleidsnota "Transformatie en herstructurering" van 9 maart 2012.

7.1. In de beleidsnota "Transformatie en herstructurering" staat dat onder een transformatie- of herstructureringslocatie wordt verstaan een locatie binnen de bebouwde kom, waarbij sprake is van bestaande bebouwing, die niet langer overeenkomstig de bestemming wordt gebruikt of wenst te worden gebruikt en de nieuwe invulling van die locatie door verbouw of nieuwbouw tot een toename van het aantal woningen leidt. Lege plekken vallen niet onder de werking van het beleid.

7.2. Reeds omdat het plangebied is gelegen op een lege plek binnen Tubbergen is het beleid, zoals opgenomen in de beleidsnota, niet van toepassing. Het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat het plan is vastgesteld in strijd met de beleidsnota faalt.

8. [appellant sub 2] betoogt dat de woningen niet in het stedenbouwkundig beeld van de omgeving, waar woningen met twee lagen en een kap met een maximumbouwhoogte van 10 m en een maximumgoothoogte van 6 m worden toegelaten, passen. Voor ruimere kavels wordt over het algemeen een lagere goothoogte gehanteerd van 4 m. De maximumgoothoogte bedraagt in het voorliggende plan echter ongemotiveerd 6 m, aldus [appellant sub 2].

8.1. De raad verwijst naar paragraaf 3.1.1 van de plantoelichting waarin is vermeld dat bij de ontwikkeling van de locatie Veldwijk stedenbouwkundig geen rekening is gehouden met bepaalde omliggende bebouwingscontouren. De bebouwing op de locatie vormt een op zichzelf staand woongebied, dat slechts één aansluiting heeft op de nabijgelegen doorgaande weg. Wel sluit de stedenbouwkundige opzet in schaal en maat aan op de omliggende bebouwing. Daarnaast is de locatie omgeven door hoog opgaand, kwalitatief hoogwaardig groen dat zoveel mogelijk behouden moet worden bij de nieuwe ontwikkeling en waar mogelijk zal worden aangevuld en versterkt.

8.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.2.1, van de planregels gelden voor hoofdgebouwen de regels:

[…]

c. de goothoogte mag maximaal 6 m bedragen;

d. de bouwhoogte mag maximaal 10 m bedragen;

Ingevolge lid 6.2.2 gelden voor bijbehorende bouwwerken de volgende regels:

[…]

c. de goothoogte maximaal 3,5 m mag bedragen;

d. de bouwhoogte minimaal 1 m lager is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;

[…].

8.3. De buitenrand van het plangebied wordt gevormd door een strook met de bestemming "Bos" met een breedte van ongeveer 6 m, uitgezonderd het aan de Reutummerweg gelegen plandeel waar de buitenrand bestaat uit een groenstrook met een breedte van ongeveer 2,5 m. Nu de gronden met de bestemming "Wonen" in het plangebied aldus met groene stroken zijn afgescheiden van de omgeving ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat uit stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaar bestaat tegen de in de planregeling opgenomen bouw- en goothoogtes.

9. [appellant sub 2] betoogt voorts dat de kavels dusdanig ruim zijn dat niet uitgesloten kan worden dat per kavel meer dan één woning gerealiseerd wordt.

9.1. De raad heeft ter zitting aangegeven dat het plan voorziet in één vrijstaande woning per bouwvlak.

9.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor vrijstaande woningen.

9.3. De Afdeling stelt vast dat in de planregels niet is bepaald dat op een bouwvlak slechts één vrijstaande woning mag worden gebouwd. Nu de raad heeft beoogd in de planregels te voorzien in de mogelijkheid om één woning per bouwvlak te realiseren, heeft de raad het plan in zoverre niet zorgvuldig vastgesteld.

Het betoog slaagt.

10. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de in het plan voorziene woningbouw ten koste gaat van het thans in het plangebied aanwezige bos.

[appellant sub 2] betoogt daarbij dat de kwalitatieve verplichting tot het in stand houden van de houtopstanden en de landschappelijke en natuurlijke waarden binnen de bestemmingen "Bos" en "Groen" geen betekenis heeft, nu geen beplantingsplan is voorgeschreven. Voorts is binnen de bestemming "Bos" een vergunningenstelsel opgenomen voor werkzaamheden en werken en zijn binnen de bestemming "Groen" speeltoestellen en bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan. Aangezien de groenstroken deel uitmaken van het uitgeefbare terrein zal het groen in de praktijk mogelijk minder groen zijn, aldus [appellant sub 2].

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bomen in het plangebied dienen voor productiedoeleinden en niet ten dienste staan van recreatiedoeleinden. Daarbij zullen de woningen worden gerealiseerd op gronden waar reeds niet veel bomen en groen aanwezig zijn. Het plangebied ligt in de omgeving van de dorpskern van Tubbergen. Om het groene karakter van het gebied zoveel mogelijk te behouden is gekozen voor een invulling van het plangebied met grote kavels en veel groen, aldus de raad.

De raad stelt voorts dat de verplichting zoals opgenomen in het plan betrekking heeft op de waarden die aanwezig zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Deze verplichting blijft gelden bij een verleende vergunning. Het vergunningenstelsel is juist opgenomen ter bescherming van de specifieke waarde van de houtopstanden en de natuurlijke waarden binnen de bestemming "Bos", aldus de raad. Wat betreft de bestemming "Groen" stelt de raad dat de standaardregeling van de gemeente Tubbergen is opgenomen waarbij ook aspecten zijn opgenomen die doorgaans betrekking hebben op openbaar groen. Daarnaast wordt privaatrechtelijk door middel van een kettingbeding geregeld wat in stand gelaten moet worden door nieuwe eigenaren. Zowel publiekrechtelijk als privaatrechtelijk wordt gewaarborgd dat het groene karakter behouden blijft en eventueel versterkt wordt, aldus de raad.

10.2. Het plan voorziet in de bestemmingen "Wonen", "Bos", "Groen" en "Verkeer - Verblijf". Op de verbeelding zijn negen bouwvlakken aangegeven.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Bos" aangewezen gronden bestemd voor:

a. houtopstanden;

b. het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden, zoals deze tot uitdrukking komen in de (hoogopgaande) beplanting, de houtopstanden, het beplantingspatroon, de wateroppervlakten, het (micro-)reliëf, de flora en de fauna;

c. de waterhuishouding, waaronder begrepen watergangen en voorzieningen voor het beheersen van water, waaronder begrepen de retentie en opvang van water;

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouw zijnde, en (on)bebouwde gronden.

Ingevolge lid 3.2 is bouwen uitsluitend toegestaan ten dienste van de in lid 3.1 omschreven bestemming en met inachtneming van de volgende regels.

Ingevolge de leden 3.2.1 en 3.2.2 zijn gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen deze bestemming niet toegestaan.

Ingevolge lid 3.3.1, van de planregels is het verboden op of in de voor "Bos" bestemde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken en/of werkzaamheden, geen normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden zijnde, uit te voeren:

a. het aanleggen of verharden van wegen, voet-, fiets-, en/of ruiterpaden of parkeergelegenheden alsmede het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 100 m² met uitzondering van het aanleggen en verharden van wegen en/of paden ter directe ontsluiting van de bouwvlakken;

[…].

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. plantsoenen, groenstroken en overige aanplanten;

b. wandel- en fietspaden;

c. lichtmasten en verkeersborden;

d. speelvoorzieningen;

e. uitritten;

f. de waterhuishouding, waaronder begrepen watergangen en voorzieningen voor het beheersen van water, waaronder begrepen de retentie en opvang van water;

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouw zijnde en (on)bebouwde gronden.

Ingevolge lid 4.2.1 zijn gebouwen binnen deze bestemming niet toegestaan.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. vrijstaande woningen;

b. vrije beroepen, met dien verstande dat:

1. de oppervlakte die voor het vrije beroep mag worden gebruikt maximaal 30% van de bruto-vloeroppervlakte van de woning bedraagt;

2. woning en/of bijgebouw blijven voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit;

3. geen opslag dan wel bedrijfsactiviteiten buiten de aangegeven ruimte plaatsvindt;

4. het vrije beroep plaatsvindt in de woning/ of in een bijgebouw waarin een verblijfsfunctie is toegestaan;

met bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven, groen- en parkeervoorzieningen en overige (on)bebouwde gronden.

Ingevolge lid 6.4, onder a, geldt een verplichting tot de instandhouding van de houtopstanden en de landschappelijke- en natuurlijke waarden binnen de bestemmingen "Bos" en "Groen".

Ingevolge lid 6.4, onder b, wordt het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 6.1 opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de instandhouding van de bedoelde houtopstanden en de aanwezige landschappelijke en natuurlijke waarden binnen de bestemmingen "Bos" en "Groen" aangemerkt als strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.

10.3. De Afdeling overweegt dat de raad heeft onderkend dat de in het plan voorziene woningbouw ten koste gaat van een deel van de thans in het plangebied aanwezige bomen en het aanwezige groen. Het plan voorziet in een strook met de bestemming "Bos" van ongeveer 6 m breed om de gronden met de bestemming "Wonen". De thans aanwezige bomen en het bestaande groen zullen zoveel mogelijk worden behouden, aldus de raad. Nu het plangebied is gesitueerd nabij de dorpskern van Tubbergen, thans voornamelijk de rand van het plangebied voorzien is van bomen en groen en de in het plan voorziene bebouwing zal worden gerealiseerd op gronden waar feitelijk niet veel bomen en groen aanwezig zijn, heeft de raad in redelijkheid aan het belang van de voorziene woningen meer gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van het behoud van de bomen en het groen.

Voor zover het betoog ziet op de verplichting tot de instandhouding van de houtopstanden en de landschappelijke en natuurlijke waarden binnen de bestemmingen "Bos" en "Groen" stelt de Afdeling vast dat artikel 6, lid 6.4, onder b, van de planregels deze instandhoudingsverplichting koppelt aan het moment van in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken op de bestemming "Wonen". Niet is gebleken in hoeverre de gronden met de bestemmingen "Bos" en "Groen" kunnen worden toegerekend aan de afzonderlijke kavels met de bestemming "Wonen" zodat niet duidelijk is wat de verplichting is voor de gebruikers van de afzonderlijke percelen, voor welke gronden welke gebruiker verantwoordelijk kan worden gehouden en op welke wijze handhavend kan worden opgetreden in gevallen waarbij niet wordt voldaan aan de instandhoudingsverplichting. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat aan het plan geen document ten grondslag ligt waarin de huidige situatie op de gronden met de bestemmingen "Bos" en "Groen" is vastgelegd, waardoor niet duidelijk is welke situatie behouden dient te blijven. Voorts wordt van belang geacht dat voor zowel de bestemming "Bos" als "Groen" de standaardregels gelden, waarin onder meer niet wordt uitgesloten dat verharding wordt aangebracht of speelvoorzieningen worden gerealiseerd. Anders dan de raad heeft gesteld, is niet evident dat deze mogelijkheden niet op privaat gebied zullen worden gerealiseerd nu dit planologisch mogelijk wordt gemaakt. Wat betreft het kettingbeding overweegt de Afdeling dat de stukken in het dossier geen informatie over de inhoud daarvan bieden.

In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad het bestreden besluit op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd heeft en het besluit is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

De betogen slagen.

11. [appellant sub 2] heeft aangevoerd dat het plan kan leiden tot wateroverlast op de omringende percelen door de bouw van negen woningen en de daarbij behorende verhardingen voor opritten en terrassen. Tevens is er sprake van een hoogteverschil en kan het vasthouden van water zeer nadelige gevolgen hebben voor de oude eiken die aan de rand van het bos staan, aldus [appellant sub 2].

11.1. Voorop staat dat waterhuishouding een kwestie van uitvoering betreft. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. [appellant sub 2] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat op voorhand vaststaat dat de realisering van het plan leidt tot dusdanige wateroverlast dat de raad hieraan een groot gewicht had moeten toekennen. Deze beroepsgrond moet derhalve buiten beschouwing blijven.

Het betoog faalt.

12. [appellant sub 1] betoogt dat de raad heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. [appellant sub 1] voert hiertoe aan dat de raad aan een eerder verzoek om de bouw van drie woningen, een gezondheidscentrum en een kapsalon mogelijk te maken op het perceel van [appellant sub 1] geen medewerking heeft verleend.

12.1. Over de door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking met het eerdere verzoek om de bouw van drie woningen, een gezondheidscentrum en een kapsalon mogelijk te maken op zijn perceel wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie nu dit verzoek een andere ruimtelijke invloed en uitstraling heeft dan de in het plan voorziene woningen. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 1] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Conclusie

13. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2, artikel 3:46 en het rechtszekerheidsbeginsel van de Awb. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

14. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

15. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 2] te worden veroordeeld. Voor zover [appellant sub 2] heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] zelf het beroepschrift heeft ingediend en dat hij ter zitting niet is bijgestaan door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Voorts komen de door [appellant sub 2] gestelde kosten voor een door een deskundige uitgebracht rapport komen niet voor inwilliging in aanmerking, aangezien [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het voorliggende beroep geen stukken heeft overgelegd die als een deskundigenrapport kunnen worden aangemerkt. Ten aanzien van [appellant sub 1] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Tubbergen van 8 oktober 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Tubbergen, Veldwijk";

III. draagt de raad van de gemeente Tubbergen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor genoemde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Tubbergen tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 49,08 (zegge: negenenveertig euro en acht cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Tubbergen aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 1] en € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van staat.

w.g. Helder w.g. Melse

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2013

191-770.