Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1346

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
02-10-2013
Zaaknummer
201211654/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 april 2011 heeft de Belastingdienst de huurtoeslag aan [appellant] over 2009 vastgesteld op € 2.647,00 en € 522,00 aan uitbetaalde voorschotten teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201211654/1/A2.

Datum uitspraak: 2 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats] (thans: Shanghai, China),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 november 2012 in zaak nr. 12/291 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2011 heeft de Belastingdienst de huurtoeslag aan [appellant] over 2009 vastgesteld op € 2.647,00 en € 522,00 aan uitbetaalde voorschotten teruggevorderd.

Bij besluit van 26 augustus 2011 heeft de Belastingdienst de huurtoeslag aan [appellant] over 2008 op nihil vastgesteld en € 786,00 aan uitbetaalde voorschotten teruggevorderd.

Bij besluit van 11 januari 2012, aangevuld bij besluit van 3 februari 2012, (hierna tezamen: het besluit van 11 januari 2012) heeft de Belastingdienst het door [appellant] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de huurtoeslag aan [appellant] over 2009 naar nihil herzien en € 2.647,00 teruggevorderd.

Bij uitspraak van 2 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 januari 2012 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 augustus 2013, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door drs. H.R. Grootenhuis, werkzaam bij de Belastingdienst, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: Wht) wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder huurder verstaan: persoon die zijn hoofdverblijf heeft in:

1˚ een door hem gehuurde woning, daaronder begrepen een woonwagen, tenzij de overeenkomst van huur en verhuur een gebruik van de woning betreft dat naar zijn aard slechts van korte duur is; of

2˚ een krachtens de Huisvestingswet gevorderde en toegewezen woning.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) kan de Belastingdienst een toegekende tegemoetkoming herzien op grond van feiten of omstandigheden waarvan de Belastingdienst bij de toekenning redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming vermoedelijk tot een te hoog bedrag is toegekend.

2. [appellant] heeft in de periode 13 oktober 2008 tot 1 februari 2010 een woning gehuurd aan [locatie] te Breukelen, op de campus van de Nyenrode Business Universiteit (hierna: Nyenrode). Op 4 januari 2009 heeft hij voor die woning huurtoeslag aangevraagd. Bij besluit van 1 april 2011 heeft de Belastingdienst de huurtoeslag aan [appellant] over 2009 vastgesteld op € 2.647,00 en € 522,00 aan betaalde voorschotten teruggevorderd. Bij besluit van 26 augustus 2011 heeft de Belastingdienst de huurtoeslag aan [appellant] over 2008 op nihil vastgesteld en € 786,00 aan betaalde voorschotten teruggevorderd. Bij besluit van 11 januari 2012 heeft de Belastingdienst het door [appellant] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat de woning geen zelfstandige woonruimte betreft, zodat geen aanspraak op huurtoeslag bestaat. Tevens heeft de Belastingdienst de huurtoeslag aan [appellant] over 2009 naar nihil herzien en een bedrag van € 2.647,00 teruggevorderd.

De rechtbank heeft het besluit van 11 januari 2012 vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de Belastingdienst in verweer de grondslag van het besluit heeft gewijzigd. De rechtbank heeft voorts met het oog op definitieve geschillenbeslechting onderzocht of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten konden worden. In dat kader heeft de rechtbank geoordeeld dat op grond van de bedoeling van partijen, de aard van de woonruimte, het gebruik dat ervan is gemaakt en de beperkte duur van de bewoning, de huur van de woonruimte door [appellant] van korte duur is en dat [appellant] derhalve geen aanspraak heeft op huurtoeslag, zodat de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld en de door hem overgelegde huurovereenkomst niet in zijn nadeel mocht gebruiken.

3.1. Met het besluit van 1 april 2011 heeft de aan [appellant] toegekende huurtoeslag over 2009 een definitief karakter gekregen. De mogelijkheden om een definitief toegekende tegemoetkoming in het nadeel van de belanghebbende te herzien, zijn in de artikelen 20 en 21 van de Awir geregeld. De Belastingdienst heeft aan de herziening artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, ten grondslag gelegd en hierbij de door [appellant] ter onderbouwing van zijn bezwaar toegezonden huurovereenkomst met Nyenrode in aanmerking genomen.

De rechtbank heeft niet onderkend dat de Belastingdienst, door op 1 april 2011 de tegemoetkoming definitief vast te stellen en van de in artikel 18 van de Awir geregelde bevoegdheid tot het verzoeken om nadere gegevens en inlichtingen geen gebruik te maken, de mogelijkheid om de in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awir geregelde herzieningsbevoegdheid uit te oefenen heeft verloren. De Belastingdienst heeft niet aannemelijk gemaakt bij de definitieve vaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte te kunnen zijn geweest van de huurovereenkomst. De Belastingdienst had, indien hij dit van belang achtte, voorafgaand aan de definitieve vaststelling dergelijk bewijs kunnen verlangen. Dat hij daarvoor op dat moment geen aanleiding zag, maakt dit niet anders. De Belastingdienst mocht de huurtoeslag over 2009 dan ook niet herzien.

Het betoog slaagt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 11 januari 2012 in stand heeft gelaten, nu zij ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij geen aanspraak heeft op huurtoeslag op de grond dat de huur van zijn woning van korte duur is. De rechtbank heeft volgens hem niet onderkend dat artikel 7:232, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek restrictief dient te worden uitgelegd en dat het gebruik van de door hem gehuurde woning buiten de categorie gevallen valt die naar zijn aard van korte duur zijn. Voorts heeft de rechtbank volgens hem een onjuiste dan wel onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de toetsing van de relevante criteria. Zo heeft de rechtbank een zuiver tekstuele uitleg aan de huurovereenkomst gegeven en onvoldoende waarde gehecht aan de bedoeling van partijen. Ook heeft de rechtbank de feitelijke invulling van de overeenkomst, alsmede de duur van de huur en de aard van de woonruimte onvoldoende meegewogen in haar oordeel.

4.1. De Belastingdienst heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat in de considerans en in artikel 3, tweede lid, van de huurovereenkomst tussen [appellant] en Nyenrode uitdrukkelijk is vermeld dat de aard van het gebruik van de woning van korte duur is en dat die bewoordingen doorslaggevend zijn voor het recht op huurtoeslag. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 juli 2010 in zaak nr. 200907986/1/H2) dient het begrip ‘van korte duur’, waarbij voor de uitleg van dat begrip kan worden aangesloten bij de jurisprudentie die is ontwikkeld over de vergelijkbare uitsluitingsbepalingen in het Burgerlijk Wetboek en de Huurprijzenwet woonruimte, in de begripsomschrijving van huurder in artikel 1, aanhef en onder c, van de Wht te worden beoordeeld in het licht van de aard van het gebruik. Daarbij kan worden gelet op de aard van de woonruimte en hetgeen partijen omtrent de duur van het gebruik voor ogen heeft gestaan. Gelet hierop kon de Belastingdienst voor de beoordeling van het begrip ‘van korte duur’ derhalve niet slechts aansluiten bij de bewoordingen van de huurovereenkomst.

Voorts is de Belastingdienst voorbijgegaan aan het betoog van [appellant] over de intentie van Nyenrode en hemzelf een campusovereenkomst, zoals die wordt gebruikt op Uilenstede in Amstelveen, te sluiten. Ook ter zitting heeft de Belastingdienst geen duidelijkheid kunnen verschaffen over het verschil met Uilenstede waar eveneens studentenwoningen staan, en het gebruik evenals in het geval van [appellant] is verbonden aan het studeren aan een universiteit, welke woningen volgens [appellant] wel voor huurtoeslag in aanmerking komen. Daarbij heeft de Belastingdienst ter zitting onvoldoende duidelijkheid verschaft over het verschil tussen een overeenkomst voor bepaalde tijd, waarvoor toeslag wordt toegekend, en een overeenkomst van korte duur, waarvoor geen toeslag wordt toegekend. Ook de rechtbank heeft het voorgaande niet in haar oordeelsvorming meegenomen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 11 januari 2012 in stand gelaten.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Dit betekent dat de Belastingdienst een nieuw besluit op de gemaakte bezwaren dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 november 2012 in zaak nr. 12/291, voor zover de rechtsgevolgen van het besluit van 11 januari 2012, aangevuld bij besluit van 3 februari 2012, in stand zijn gelaten;

III. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. R.F.B. van Zutphen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Roelfsema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2013

85-705.