Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1318

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2013
Datum publicatie
02-10-2013
Zaaknummer
201200210/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling, mede voor haar minderjarige dochters, om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/388
RV20130012 met annotatie van Toemen B.W.M. Bart
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200210/1/V1.

Datum uitspraak: 26 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige dochters,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 8 december 2011 in zaak nr. 11/15374 in het geding tussen:

de vreemdeling, mede voor haar minderjarige dochters,

en

de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister).

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling, mede voor haar minderjarige dochters, om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 december 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling, mede voor haar minderjarige dochters, ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, mede voor haar minderjarige dochters, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel heeft een verweerschrift ingediend.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2013, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.J. van der Werff-Dost, advocaat te Utrecht, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. P.M.W. Jans, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. De vreemdeling heeft in hoger beroep een kopie van een op 23 januari 2012 afgegeven paspoort overgelegd. Nu dit stuk dateert van na de aangevallen uitspraak, die in artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) dwingend als object van hoger beroep is aangewezen, staat dat artikel er aan in de weg dat dit bij de beoordeling van het hoger beroep wordt betrokken.

3. Hetgeen de vreemdeling als grieven 1 tot en met 4 en 6 heeft aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

4. In grief 5 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij en haar dochters bij terugkeer naar Sierra Leone een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Daarbij heeft de rechtbank miskend dat reeds uit de hoge percentages voor vrouwenbesnijdenis in Sierra Leone volgt dat zij en haar dochters dit risico lopen. Voorts is de rechtbank ten onrechte ervan uitgegaan dat verschillende bevolkingsgroepen in Sierra Leone geen vrouwenbesnijdenis toepassen, nu volgens door haar overgelegde landeninformatie alleen de christelijke Krio niet besnijden. Bovendien heeft de rechtbank miskend dat volgens die landeninformatie de mogelijkheid bestaat dat derden meisjes tegen de wil van hun ouders laten besnijden.

4.1 Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Het is derhalve aan een vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de staatssecretaris aannemelijk te maken.

4.2 Blijkens het besluit en de daarop bij brief van 29 juli 2013 en ter zitting van de Afdeling gegeven toelichting heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de herkomst van de vreemdeling uit Sierra Leone aannemelijk is, maar dat nu haar asielrelaas ongeloofwaardig is omdat zij haar herkomstgebied binnen dat land, etniciteit en identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt, hij niet kan beoordelen of de vreemdeling en haar dochters in dat land een reëel risico lopen op besnijdenis. Volgens de staatssecretaris zijn de besnijdenispercentages in Sierra Leone weliswaar hoog, maar betekent dit niet dat daar iedere vrouw of ieder meisje een reëel risico loopt om tegen haar wil te worden besneden. Volgens de staatssecretaris passen de christelijke Krio geen besnijdenis toe, verschillen de besnijdenispercentages per gebied en sociale klasse, en bestaat volgens het algemeen ambtsbericht inzake Sierra Leone van de minister van Buitenlandse Zaken van mei 2011 (hierna: het ambtsbericht) een beperkte mogelijkheid om zich aan besnijdenis te onttrekken. Nu de verklaringen van de vreemdeling ongeloofwaardig zijn, kan hij de individuele omstandigheden in haar geval niet beoordelen, zoals van wie de vrees voor besnijdenis afkomstig is, op welke leeftijd besnijdenis plaatsvindt - wat per bevolkingsgroep verschilt -, of zij afkomstig is uit een stedelijk gebied of van het platteland en of de vreemdeling en haar dochters zich aan besnijdenis kunnen onttrekken, aldus de staatssecretaris.

4.3 Paragraaf 3.4.2 van het ambtsbericht vermeldt:

"Genitale verminking (Female Genital Mutilation, FGM of Female Genital Cutting, FGC) komt in Sierra Leone op grote schaal voor. Het is een breed geaccepteerde traditie binnen alle etnische groepen, met uitzondering van de christelijke Krio."

Paragraaf 3.4.2.4 van het ambtsbericht vermeldt:

"Vrouwen en meisjes die zich niet willen onderwerpen aan FGM worden niet beschermd door de overheid. Verder hebben zij slechts in beperkte mate de mogelijkheid om zich, door elders in het land een toevlucht te zoeken, te onttrekken aan genitale verminking.

In stedelijke gebieden bestaat enige mogelijkheid om, door van huis weg te lopen, te ontsnappen aan de controle van de familie en op die manier te ontkomen aan genitale verminking. Wanneer ouders hun dochter(s) de mogelijkheid geven om zelf te kiezen, blijft de kans bestaan dat wanneer ze naar het dorp van familie gaan, de meisjes zonder instemming en medeweten van de ouders alsnog worden besneden.

Op het platteland bestaat minder mogelijkheid zich te onttrekken aan genitale verminking. Meisjes moeten dan iemand kennen in een stad die ze onderdak wil verlenen. Dit gebeurt soms, maar er zijn geen cijfers over.

In vergelijking met voorgaande jaren zijn in 2010 minder gedwongen inwijdingen in geheime genootschappen geweest voor vrouwen, en daarmee samenhangend ook minder gedwongen genitale verminking."

4.4 Hoewel uit het ambtsbericht en de overgelegde stukken blijkt dat genitale verminking in Sierra Leone op grote schaal voorkomt en het percentage besneden vrouwen daar bijzonder hoog is, kan gelet op de in 4.2 weergegeven motivering van de staatssecretaris, uit die omstandigheden op zichzelf bezien niet worden afgeleid dat de vreemdeling en haar dochters, reeds omdat zij een onbesneden vrouw of meisje zijn, een reëel risico lopen op besnijdenis bij terugkeer naar dat land. Dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak, in afwijking van het ambtsbericht, uitgaat van meer dan één bevolkingsgroep die niet besnijdt en volgens het ambtsbericht de kans bestaat dat meisjes zonder instemming of medeweten van hun ouders alsnog worden besneden wanneer ze naar het dorp van familie gaan, laat onverlet dat het aan de vreemdeling was om met specifiek onderscheidende kenmerken aannemelijk te maken dat zij en haar dochters zodanig risico lopen. Nu de rechtbank terecht heeft overwogen dat de staatssecretaris het asielrelaas van de vreemdeling, waaronder haar verklaringen over haar herkomstgebied, etniciteit en identiteit, in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten en in aanmerking nemende dat niet in geschil is dat de vreemdeling op zeventienjarige leeftijd onbesneden uit Sierra Leone is vertrokken, zich - al dan niet wegens haar etniciteit - aan besnijdenis heeft kunnen onttrekken en in staat kan worden geacht in voorkomend geval ook haar dochters daaraan te onttrekken, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling zodanig risico bij terugkeer naar Sierra Leone niet aannemelijk heeft gemaakt.

Grief 5 faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Willems

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2013

412-768