Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1291

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
201302254/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "De Linten" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302254/1/R4.

Datum uitspraak: 25 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Ter Apel, gemeente Vlagtwedde,

2. [appellante sub 2], gevestigd te Nieuwveen, gemeente Nieuwkoop,

3. [appellant sub 3], wonend te Ter Apel, gemeente Vlagtwedde,

en

de raad van de gemeente Vlagtwedde,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "De Linten" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 3] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 augustus 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. A. Barada, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door ir. G. Achterveld, en de raad, vertegenwoordigd door G. Metselaar en K. Gringhuis, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het bestemmingsplan is een actualiserend en conserverend plan voor "De Linten", de lintbebouwing langs het Ter Apelkanaal bij Ter Apel.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. [appellant sub 1] keert zich ertegen dat de aanduiding "Wro-zone-wijzigingsgebied" is toegekend aan open ruimtes met een breedte van 15 tot 60 meter. Volgens hem dient deze aanduiding te worden toegekend aan open ruimtes met een breedte van 25 tot 100 meter. Ter zitting is gebleken dat zijn beroep betrekking heeft op zijn eigen twee percelen en dat hij vreest dat het niet mogelijk is om daarop woningen op te richten.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de keuze voor de afmeting is bepaald door de historische maatvoering. De raad vermeldt dat de gronden langs het Ter Apelkanaal van oorsprong zijn verkaveld volgens een strak patroon van een half heem, een vol heem of een veelvoud daarvan. De raad geeft daarbij aan dat een vol heem een breedte van 20 meter heeft. De raad vermeldt voorts dat bij woningbouw ook gebruik werd gemaakt van een half heem. De raad stelt dat in het plan ervan is uitgegaan dat bij een open ruimte van drie standaardkavels in principe sprake is van een te handhaven open ruimte. Daarbij vermeldt de raad dat is gekozen voor een minimale kavelbreedte van 15 meter, omdat het thans niet meer wenselijk is om vrijstaande woningen te bouwen op een kavel met een breedte van 10 meter.

3.2. Ingevolge artikel 27, lid 27.1, aanhef en onder c, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen in die zin dat de bestemming "Agrarisch - Cultuurgrond" wordt gewijzigd in de bestemming "Wonen - Lint 1" of "Wonen - Lint 2", mits:

1. het gronden betreft ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied";

2. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van respectievelijk artikel 18 en 19 van overeenkomstige toepassing zijn;

3. rekening wordt gehouden met het contingentenbeleid, zoals verwoord in paragraaf 4.2 van de toelichting;

4. bij de beoordeling van de invulling van woningen in het lint, rekening wordt gehouden met het afwegingskader, zoals verwoord in bijlage 1 van de toelichting;

5. wordt gemotiveerd dat de toe te voegen woning past binnen de door de provincie vastgestelde nieuwbouwruimte, dan wel de daarvoor in de plaats komende intergemeentelijke afspraken over woningbouwcapaciteit.

3.3. Volgens het voorontwerp van de "Notitie Afwegingskader potentiële invullocaties" van de gemeente Vlagtwedde van 12 oktober 2010 die als bijlage 1 bij de toelichting van het bestemmingsplan is opgenomen, zijn de potentiële locaties voor kleinschalige woningbouw open ruimten met een breedte van circa 15 tot 60 meter.

3.4. [appellant sub 1] heeft in zijn zienswijze verzocht om aan zijn kavels de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied" toe kennen. Naar aanleiding van deze zienswijze is aan kavels ten noorden van de kruising Ter Apelkanaal - Nulweg, waaronder begrepen die van [appellant sub 1], de aanduiding "Wro-zone wijzigingsgebied" toegekend. Eerst ter zitting heeft [appellant sub 1] verduidelijkt dat zijn beroep slechts betrekking heeft op zijn eigen twee percelen en dat hij vreest dat het niet mogelijk is om op beide percelen woningen op te richten. De raad heeft ter zitting toegelicht dat geen bouwmogelijkheid bij recht is toegekend door een bestemming "Wonen" op te nemen om, in verband met de beschikbare woningbouwcontingenten, te voorkomen dat deze bouwmogelijkheden bij recht, ook indien zij niet worden gerealiseerd, de concrete bouwmogelijkheden van anderen blokkeren. Volgens de raad kan, indien aan de voorwaarden wordt voldaan, de wijzigingsbevoegdheid toegepast worden ten behoeve van de bouw van woningen op de percelen van [appellant sub 1]. Gelet hierop is het beroep ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

4. [appellant sub 3] keert zich ertegen dat één van zijn percelen niet is opgenomen in het bestemmingsplan. [appellant sub 3] voert aan dat dit perceel in 2009 is opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied". Hij stelt dat daarbij ook het voordien bestaande bouwblok is vervallen. [appellant sub 3] betoogt dat het perceel is aangekocht voor de opslag van materialen en het parkeren van kranen en landbouwmachines. Hij wijst erop dat het ontwerp van het bestemmingsplan "Buitengebied" ten onrechte niet aan hem is toegezonden. Hij betoogt dat een efficiënte bedrijfsvoering niet mogelijk is als dit aan de overkant van de Heemsloot gelegen perceel dat in het bestemmingsplan "Buitengebied" is opgenomen, niet voor de huidige functie gebruikt kan worden. Bij het voorliggende bestemmingsplan had volgens hem een grenscorrectie toegepast kunnen worden. Er zijn geen ruimtelijke bezwaren, want ook andere percelen aan de overzijde van de Heemsloot vallen onder het huidige plan, aldus [appellant sub 3].

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding bestond in het bestemmingsplan "Buitengebied" een bouwvlak op te nemen, gelet op de toen bestaande situatie. De raad betwijfelt overigens of de door [appellant sub 3] beoogde activiteiten in overeenstemming met dat bestemmingsplan geweest zouden zijn. De raad vermeldt dat dat bestemmingsplan onherroepelijk is. De raad wijst er voorts op dat [appellant sub 3] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden tot inspraak of om een zienswijze naar voren te brengen. Volgens de raad was het niet nodig het ontwerp van dat bestemmingsplan aan [appellant sub 3] toe te zenden, aangezien het niet tot hem was gericht. De raad vermeldt dat aan het in het voorliggende plan gelegen perceel een aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - loonbedrijf" is toegekend, waarbij in verband met de activiteiten van [appellant sub 3] een gewijzigde definitie van loonbedrijf is opgenomen. De raad ziet geen aanleiding het bestemmingsplan "Buitengebied" te herzien. Daartoe moet een goed gemotiveerd verzoek worden ingediend, aldus de raad.

4.2. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

4.3. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de plannen van [appellant sub 3] ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet zodanig concreet waren dat hierover een planologische afweging kon worden gemaakt. Voor zover het beroep van [appellant sub 3] zich richt tegen het bestemmingsplan "Buitengebied", overweegt de Afdeling dat dit thans niet aan de orde is.

Het beroep van [appellante sub 2]

5. Het perceel van [appellante sub 2] heeft de bestemming "Bedrijf" met de aanduidingen "verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg" en "bouwvlak".

6. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen en overkappingen ten behoeve van:

1. bedrijven, welke zijn genoemd in Bijlage 2 onder de categorieën 1 en 2, niet zijnde geluidszoneringsplichtige, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven;

2. bedrijven, welke zijn genoemd in Bijlage 2 onder de categorieën 1, 2 en 3.1 ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1", niet zijnde geluidszoneringsplichtige, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven;

3. bedrijfswoningen, al dan niet met ruimte voor:

• een aan-huis-verbonden beroep;

• een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, zoals genoemd in Bijlage 1;

• mantelzorg;

4. loonbedrijven, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - loonbedrijf";

5. bouwbedrijven, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bouwbedrijf";

6. constructiebedrijven, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - constructiebedrijf";

7. profielzetterijen, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - profielzetterij";

8. slagerijen, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - slagerij";

9. smederijen, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - smederij";

10. verkooppunten motorbrandstoffen met lpg, ter plaatse van de aanduiding "verkooppunt motorbrandstoffen met lpg";

11. verkooppunten motorbrandstoffen zonder lpg, ter plaatse van de aanduiding "verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg";

12. een minicamping met bijbehorende voorzieningen, ter plaatse van de aanduiding "kampeerterrein".

7. [appellante sub 2] keert zich ertegen dat op haar perceel de verkoop van LPG niet is toegestaan. Zij voert aan dat zij van plan is om het onbemande tankstation binnen afzienbare tijd om te vormen tot bemand tankstation, zodat aan de voorwaarde voor de verkoop van LPG kan worden voldaan. Zij stelt dat op het perceel eerder verkoop van LPG heeft plaatsgevonden. Volgens haar kan ervan worden uitgegaan dat de tank, de vulpunten en de afleverpunten op dezelfde locatie geplaatst zullen worden.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de verkoop van LPG een aantal jaren geleden is gestaakt, de installatie is verwijderd en de milieuvergunning is ingetrokken. Daarom moet de verkoop van LPG volgens de raad als een nieuwe situatie worden beschouwd. Aan de hand van een concreet voorstel moet worden beoordeeld of aan de huidige regelgeving kan worden voldaan, aldus de raad.

7.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plannen van [appellante sub 2] ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet zodanig concreet waren dat hierover een planologische afweging kon worden gemaakt in het kader van het voorliggende plan. Het betoog faalt.

8. [appellante sub 2] keert zich er tegen dat het niet mogelijk is op haar perceel een bedrijfswoning te bouwen. Volgens haar was dit op grond van het voorgaande plan wel mogelijk.

8.1. De raad betoogt dat de definitie van bedrijfswoning is gewijzigd ten opzichte van het voorgaande plan. De raad stelt dat op grond van de in het voorgaande plan opgenomen definitie moest worden aangetoond dat de woning bedoeld was voor de huisvesting van een persoon die voor de bedrijfsvoering noodzakelijk was. Volgens de raad is het in de praktijk nog slechts zelden noodzakelijk om bij een bedrijf te wonen. Daarom is in het plan opgenomen dat in bestaande bedrijfswoningen personen mogen wonen die verbonden zijn aan het in of bij het gebouw of op het terrein gevestigde bedrijf, aldus de raad. Volgens de raad moet voor de bouw van een nieuwe bedrijfswoning worden aangetoond dat daartoe een noodzaak bestaat.

8.2. De Afdeling overweegt dat ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, onder 3, van de planregels de voor "Bedrijf" aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfswoningen. Ingevolge artikel 1, aanhef en lid 1.13, wordt in deze regels onder bedrijfswoning verstaan een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, die verbonden is aan het ter plaatse gevestigde bedrijf. Ingevolge artikel 5, lid 5.2.2, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van de in lid 5.1 onder a genoemde gebouwen en overkappingen dat per bedrijf ten hoogste één bestaande bedrijfswoning is toegestaan. Ingevolge artikel 5, lid 5.4.1, aanhef en onder b, kan met omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.2.2, onder a in die zin dat een bedrijfswoning wordt opgericht, mits permanent toezicht noodzakelijk is, gelet op de aard, omvang en continuïteit van het bedrijf. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor de bouw van een nieuwe bedrijfswoning moet worden aangetoond dat permanent toezicht noodzakelijk is. Daarbij betrekt de Afdeling dat, gelet op de daarin opgenomen begripsomschrijving, ook op grond van het voorgaande plan moest worden aangetoond dat een bedrijfswoning noodzakelijk was. Het beroep mist in zoverre feitelijke grondslag.

9. [appellante sub 2] acht artikel 5, lid 5.1, van de planregels onduidelijk.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat dit artikel duidelijk is.

9.2. De Afdeling overweegt dat duidelijk is dat ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, op alle gronden met de bestemming "Bedrijf" bedrijven van milieucategorie 1 en 2 en een bedrijfswoning toegestaan zijn en dat op de gronden waarop op de verbeelding de aanduidingen die zijn genoemd in dit artikellid, onder a, onder 2, dan wel onder 4 tot en met 12, zijn aangebracht, tevens de onder 2, dan wel onder 4 tot en met 12 genoemde functies toegestaan zijn. Deze beroepsgrond faalt.

Conclusie

10. De beroepen zijn ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Timmerman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2013

433.