Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1263

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
201212069/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:4105, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2010 heeft het college de aanvraag van [belanghebbende] om toekenning van vier huisnummers aan het pand aan de [locatie] ingewilligd. Bij besluit van 16 december 2010 heeft het college dit besluit ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201212069/1/A3.

Datum uitspraak: 25 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Roosendaal,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 november 2012 in zaak nr. 12/1021 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal.

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2010 heeft het college de aanvraag van [belanghebbende] om toekenning van vier huisnummers aan het pand aan de [locatie] ingewilligd. Bij besluit van 16 december 2010 heeft het college dit besluit ingetrokken.

Bij besluit van 23 januari 2012 heeft het college het door [belanghebbende] tegen het besluit van 16 december 2010 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit ingetrokken en het besluit van 9 december 2010 aangepast in de zin dat aan het pand drie huisnummers zijn toegekend. Bij besluit van dezelfde datum heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 9 december 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het laatstgenoemde besluit van 23 januari 2012 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. C. Lubben, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder l, van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen (hierna: Wet bag) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder ‘nummeraanduiding’ verstaan: door het bevoegde gemeentelijke orgaan als zodanig toegekende aanduiding van een verblijfsobject, een standplaats of een ligplaats.

Ingevolge die aanhef en onder q, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder ‘verblijfsobject’ verstaan: kleinste binnen één of meer panden gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige, of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, deelt de gemeenteraad het grondgebied van de gemeente in één of meer woonplaatsen in, stelt hij de openbare ruimten vast en kent hij nummeraanduidingen toe aan de op het grondgebied van de gemeente gelegen verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, van de Verordening naamgeving en nummering (adressen) van de gemeente Roosendaal, wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder nummeraanduiding: door het college als zodanig toegekende aanduiding van een verblijfsobject, een standplaats, een ligplaats en een afgebakend terrein dat bestaat uit één of meer Arabische cijfers, al dan niet met toevoeging van een letter- en/of cijfercombinatie.

Ingevolge die aanhef en onder l, wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder verblijfsobject: de kleinste binnen één of meer panden gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik, die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, die onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, kent het college binnen het grondgebied van de gemeente nummers toe aan verblijfsobjecten, ligplaatsen en standplaatsen.

2. Het college heeft aan de besluiten op bezwaar ten grondslag gelegd dat het pand drie verblijfsobjecten heeft zodat aan elk verblijfsobject een huisnummer dient te worden toegekend. [appellant] woont in de naast het pand gelegen woning aan de Molenstraat 134.

3. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is. De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid dan ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en een rechtsmiddel zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief bepaalbaar, actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

3.2. Een besluit tot toekenning van een huisnummer op grond van de Wet bag behelst het toekennen van een eigen nummeraanduiding aan een verblijfsobject als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder q, van die wet. Een dergelijk besluit bepaalt de identiteit van een verblijfsobject en heeft daarmee een rechtstreeks gevolg voor de rechthebbenden op het betrokken verblijfsobject. Indien bij een dergelijk besluit aan een verblijfsobject een huisnummer wordt toegekend dat reeds aan een ander verblijfsobject is toegekend, doet dat besluit afbreuk aan de identificeerbaarheid van dat andere verblijfsobject, waarmee het ook een rechtstreeks gevolg heeft voor de rechthebbenden op dat andere verblijfsobject.

[appellant] is geen rechthebbende op het pand waarop het besluit van 9 december 2010 betrekking heeft. Hij is evenmin rechthebbende op een elders gelegen verblijfsobject met eenzelfde huisnummer als één van de nummers die aan dat pand zijn toegekend. De door [appellant] gevreesde overlast indien het aantal bewoners van het pand toeneemt, brengt niet met zich dat hij desalniettemin als belanghebbende bij het besluit van 9 december 2010 moet worden aangemerkt. Een besluit tot toekenning van een huisnummer op grond van de Wet bag behelst immers geen verlening van toestemming voor het gebruiken van een pand als woning. Of en hoeveel personen in een pand mogen wonen wordt bepaald door privaatrechtelijke afspraken daaromtrent en door bepalingen, ontheffingen en vergunningen uit hoofde van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, de Huisvestingswet en de Woningwet. Dat de verhuurder van het pand de onderhavige toekenning van huisnummers, naar [appellant] stelt, zal benutten om toename van het aantal bewoners van het pand op grond van het bestemmingsplan, de Woningwet of de Huisvestingswet toe te laten staan, brengt, nog daargelaten dat die regelingen elk een eigen toetsingskader kennen, hoogstens een indirect verband tussen de mogelijke toename van het aantal bewoners en de toekenning van huisnummers met zich. Voor het aannemen van belanghebbendheid bij een besluit is op grond van artikel 1:2 van de Awb evenwel rechtstreekse betrokkenheid bij dat besluit vereist. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2009 in zaak nr. 200809337/1/H1.

3.3. De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande, ten onrechte niet onderkend dat [appellant] geen belanghebbende is bij het besluit tot toekenning van huisnummers en dat het college het bezwaar van [appellant], gelet op artikel 7:1, gelezen in verbinding met artikel 8:1, van de Awb, om deze reden niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren, het besluit op het bezwaar van [appellant] van 23 januari 2012 vernietigen, dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 november 2012 in zaak nr. 12/1021;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal van 23 januari 2012, kenmerk 536455/016-11;

V. verklaart het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal van 9 december 2010, kenmerk 529747, niet-ontvankelijk;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.888,00 (zegge: achttienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 388,00 (zegge: driehonderdachtentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2013

582-798.