Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1258

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
201300234/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:BY4900, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 januari 2012 heeft de minister het verzoek van [appellante] om de titel doctorandus te mogen voeren afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300234/1/A2.

Datum uitspraak: 25 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 november 2012 in zaak nr. 12/2118 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2012 heeft de minister het verzoek van [appellante] om de titel doctorandus te mogen voeren afgewezen.

Bij besluit van 6 juni 2012 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 augustus 2013, waar [appellante], bijgestaan door mr. S. Barghi, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. F. Hummel-Fekkes, werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Ingevolge artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, als aangepast op 12 december 2007 te Straatsburg (hierna: het EU Handvest) heeft eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden recht op een doeltreffende voorziening in rechte.

Ingevolge artikel 7.23, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) kan de minister aan degene aan wie op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend, die niet in de in het tweede lid bedoelde ministeriële regeling is opgenomen, toestaan in de plaats van die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen in Nederland een van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren, indien de opleiding op grond waarvan die andere graad is verleend, naar het oordeel van de minister ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding.

2. Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder d, van de Beleidsregel van de minister van 17 december 2009, nr. HO&S/BS/2009/177909, inzake de afdoening van verzoeken om toestemming tot het voeren van Nederlandse titulatuur op grond van een in het buitenland behaalde graad als bedoeld in artikel 7.23, derde lid, van de WHW (Stcrt. 2009, 20664), kan een aanvraag worden toegewezen indien een afsluitend getuigschrift is overgelegd van een in het buitenland gevolgde hoger onderwijs opleiding indien geen sprake is van één of meer wezenlijke verschillen met een Nederlandse opleiding.

Ingevolge artikel 4.2, aanhef en onder 1, is er in ieder geval sprake van wezenlijke verschillen indien de in het buitenland genoten vooropleiding qua nominale studieduur twee jaar korter is dan de in Nederland gebruikelijke vooropleiding.

Ingevolge het bepaalde in die aanhef en onder 2 is in ieder geval sprake van wezenlijke verschillen indien er een verschil is in nominale studieduur van de in het buitenland gevolgde hoger-onderwijsopleiding ten opzichte van de Nederlandse overeenkomstige opleiding van één jaar of langer.

3. Op 5 maart 1979 heeft [appellante] aan de University of Ljubljana, voormalig Joegoslavië, thans Slovenië, het diploma "gediplomeerde ingenieur in de farmacie" behaald. Bij brief van 10 november 2011 heeft zij de minister verzocht om de titel doctorandus te mogen voeren.

Aan de afwijzing van dit verzoek heeft de minister twee adviezen van de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het Hoger Onderwijs (hierna: de Nuffic) ten grondslag gelegd.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank in strijd met het in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het EU Handvest neergelegde recht op effectieve rechtsbescherming deze adviezen onvoldoende indringend heeft getoetst en ten onrechte heeft overwogen dat geen grond bestaat voor de conclusie dat het oordeel van de Nuffic over de diplomawaardering op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en de minister zich derhalve op het advies mocht baseren. Volgens [appellante] heeft de Nuffic ten onrechte het door haar genoten middelbaar onderwijs in haar onderzoek betrokken, heeft de Nuffic niet onderkend dat het opleidingsniveau in Slovenië destijds hoger was dan in de andere republieken van Joegoslavië, is ten onrechte geen gewicht toegekend aan de door haar sinds het behalen van haar diploma opgedane praktijkervaring, heeft de Nuffic ten onrechte opgemerkt dat het schrijven van een scriptie geen deel uitmaakte van de door haar gevolgde studie en blijkt uit de adviezen van de Nuffic niet dat het niveau van de gevolgde vakken, de studiebelasting en het niveau van de opleiding bij het verrichte onderzoek is betrokken. Ten bewijze van haar stelling dat de door haar gevolgde studie overeenstemt met de Nederlandse universitaire studie farmacie heeft [appellante] een verklaring van dr. Aleš Obreza, vice-decaan van de Faculty of Pharmacy van de University of Ljubljana, en een overzicht van het curriculum van de door haar gevolgde opleiding overgelegd. Omdat de door de Nuffic aan de minister uitgebrachte adviezen ondeugdelijk zijn, zoals uit het vorenstaande blijkt, had de rechtbank zelf een deskundige dienen in te schakelen om de waarde van het door haar behaalde diploma te beoordelen, aldus [appellante].

4.1. In de adviezen van 2 januari en 29 mei 2012 en 9 juli 2013, in onderlinge samenhang gelezen, concludeert de Nuffic dat het door [appellante] genoten middelbaar onderwijs is afgesloten met een diploma dat vergelijkbaar is met een Nederlands havodiploma en dat in het curriculum van de door haar gevolgde studie farmacie ideologische vakken, met een studiebelasting van een jaar, zijn opgenomen die niet behoren tot de opleiding. Hieruit volgt dat het eindniveau en het aantal leeruitkomsten van de Nederlandse mastergraad in de farmacie niet is bereikt.

De minister heeft zich in een aan het advies van 9 juli 2013 gehechte brief op het standpunt gesteld dat de Nuffic ten onrechte de duur van de stage bij de berekening van de studieduur heeft betrokken. Daarbij verschilt de studieduur van de door [appellante] gevolgde studie volgens hem wezenlijk van de Nederlandse studie farmacie. Hij onderschrijft de adviezen voor het overige.

In hoger beroep werpt de minister [appellante] slechts nog tegen dat de door haar genoten opleiding wezenlijk korter en van een lager niveau is dan de Nederlandse wetenschappelijke studie farmacie.

4.2. De Nuffic is deskundige op het gebied van diplomawaardering en de minister mag in beginsel afgaan op het door haar gegeven oordeel over de gelijkwaardigheid, mits dit op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het door de Nuffic verrichte onderzoek onzorgvuldig is geweest. Dat het onderwijs in Slovenië van een hoger niveau was dan in de andere deelrepublieken van Joegoslavië heeft zij niet met bescheiden gestaafd en is overigens niet relevant, nu het gaat om de vraag of de door [appellante] in Ljubljana gevolgde opleiding niet ten minste gelijkwaardig is aan de Nederlandse universitaire opleiding farmacie. [appellante] heeft de adviezen van de Nuffic ook niet met een eigen deskundigenbericht bestreden. De door haar overgelegde verklaring van dr. Aleš Obreza, vice-decaan van de Faculty of Pharmacy van de University of Ljubljana, is niet als een dergelijk bericht aan te merken, nu deze niet is opgesteld door een onafhankelijk deskundige op het gebied van diplomawaardering. [appellante] kan verder ook niet worden gevolgd in haar stelling dat de Nuffic ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan door haar opgedane praktijkervaring, nu in de onderhavige procedure de waardering van de door haar gevolgde opleiding aan de orde is. De Nuffic heeft de door [appellante] opgedane praktijkervaring derhalve terecht buiten beschouwing gelaten.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat de minister mocht afgaan op het door de Nuffic gegeven oordeel over het door [appellante] behaalde diploma. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de door [appellante] gevolgde opleiding niet ten minste gelijkwaardig is aan de Nederlandse universitaire opleiding farmacie. Dit brengt met zich dat voor de rechtbank geen aanleiding bestond zelf een deskundige op te dragen advies uit te brengen over de waarde van het door [appellante] aan de universiteit van Ljubljana behaalde diploma.

4.4. Anders dan [appellante] betoogt vloeit uit artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het EU Handvest niet voort dat de rechtbank desondanks een andere deskundige had moeten benoemen of dat zij haar functioneren zelf had moeten beoordelen. De rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 6 tot en met 10 van de aangevallen uitspraak gemotiveerd waarom zij van oordeel is dat de minister het verzoek van [appellante] in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.

4.5. Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt ten slotte dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het vrij verkeer van personen en van vestiging ertoe noopt, dat in EU-landen behaalde gelijkwaardige diploma’s ook hier worden erkend. Dit volgt volgens haar uit Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB 2005 L 255). De wijze waarop de minister de gelijkwaardigheid beoordeelt, doet aan deze Richtlijn geen recht en is derhalve in strijd met het Unierecht.

5.1. Anders dan [appellante] stelt, is Richtlijn 2005/36/EG op haar verzoek om de titel doctorandus te mogen voeren niet van toepassing. Deze Richtlijn heeft betrekking op de erkenning van in een lidstaat verworven beroepskwalificaties met het oog op de uitoefening van een gereglementeerd beroep in een andere lidstaat. Niet in geschil is dat door Nederland de door [appellante] in Slovenië behaalde titel wordt erkend. [appellante] heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat zij geen toegang beoogt tot het gereglementeerde beroep van apotheker, maar de titel doctorandus wenst te kunnen voeren, omdat haar werkgever haar zonder die titel niet bevordert en zij verplicht is scholing te volgen, die zij bovendien zelf moet bekostigen. Nu het Unierecht in deze situatie geen aanspraak op het voeren van de doctorandustitel geeft, levert de afwijzing van het verzoek door de minister geen schending van het vrij verkeer van personen en van vestiging op.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2013

362-735.