Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1248

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
201210408/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2012:BY5392, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 april 2011 heeft het college Cheap Parking onder oplegging van een dwangsom van € 30.000,- ineens gelast binnen drie maanden het parkeren van alle auto’s op de kadastrale percelen AC 00116 G en AC 01048 G te beëindigen en beëindigd te houden, het parkeren van de auto’s die niet aantoonbaar behoren tot de actieve bedrijfsvoorraad van een autohandel op de percelen AC 01316 G en AC 01044 G te beëindigen en beëindigd te houden, de verharding op de bestemming groenvoorzieningen op de percelen AC 00116 G en AC 01048 G te verwijderen en verwijderd te houden en de grijze container (kantoor) te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210408/1/A1.

Datum uitspraak: 25 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], h.o.d.n. Cheap Parking, wonend te Cruquius,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 24 september 2012 in zaak nrs. 12-3783 en 12-3784 in het geding tussen:

Cheap Parking

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2011 heeft het college Cheap Parking onder oplegging van een dwangsom van € 30.000,- ineens gelast binnen drie maanden het parkeren van alle auto’s op de kadastrale percelen AC 00116 G en AC 01048 G te beëindigen en beëindigd te houden, het parkeren van de auto’s die niet aantoonbaar behoren tot de actieve bedrijfsvoorraad van een autohandel op de percelen AC 01316 G en AC 01044 G te beëindigen en beëindigd te houden, de verharding op de bestemming groenvoorzieningen op de percelen AC 00116 G en AC 01048 G te verwijderen en verwijderd te houden en de grijze container (kantoor) te verwijderen.

Bij besluit van 23 juli 2012 heeft het college het door Cheap Parking daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 11 april 2011 herroepen, voor zover de last ziet op het verwijderen en verwijderd te houden van de verharding op de bestemming groenvoorzieningen op de percelen AC 00116 G en AC 01048 G en het verwijderen van de grijze container en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 september 2012 heeft de voorzieningenrechter het door Cheap Parking daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Cheap Parking hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 11 december 2012 heeft het college het bedrag van

€ 30.000,00 ingevorderd.

Tegen dit besluit heeft Cheap Parking beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2013, waar Cheap Parking, vertegenwoordigd door mr. B. Parmentier, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.P. Hoogewerf, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Cheap Parking is een bedrijf dat derden tegen vergoeding in staat stelt hun auto’s op de percelen, kadastraal bekend gemeente Haarlemmermeer, AC 00116 G, AC 01048 G , AC 01316 G en AC 01044 G (hierna: de percelen) te parkeren voor de periode dat zij via Schiphol naar hun bestemming reizen. Het vervoer van het parkeerterrein naar de luchthaven en omgekeerd wordt door Cheap Parking verzorgd.

De percelen zijn gelegen in de bestemmingsplannen "Cruquius Oost", "Staatsbos Floriande" en "Staatsbos Floriande 1e herziening". De percelen hebben daarin de bestemmingen "Groenvoorzieningen" en, of "Auto- en caravanhandel" en, of "Verkeersdoeleinden I" en, of "Verkeersdoeleinden II".

De gronden voor "Auto- en caravanhandel" zijn volgens artikel 5 en 9 van de planvoorschriften bij onderscheidenlijk het bestemmingsplan "Cruquius Oost" en "Staatsbos Floriande" bestemd voor detailhandel in auto’s en caravans, voor zover deze bedrijven voorkomen in de categorieën 1, 2 en 3 van de bij de plannen behorende Staat van Inrichtingen behoudens de in deze planvoorschriften genoemde uitzonderingen.

2. Het geschil ziet op de vraag of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bedrijfsmatig aanbieden van parkeervoorzieningen voor motorvoertuigen in strijd is met de bestemming "Auto- en caravanhandel". Niet is in geschil dat dat gebruik in strijd is met de bestemmingen "Verkeersdoeleinden I", "Verkeersdoeleinden II" en "Groenvoorzieningen".

3. Chaep Parking betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bieden van parkeergelegenheid niet in strijd is met de bestemming "Auto- en caravanhandel". Volgens haar volgt de voorzieningenrechter ten onrechte de rigide uitleg van het college ten aanzien van die bestemming. Het gebruik van de percelen door Cheap Parking valt onder auto- en caravanhandel en de categorieën 1, 2 of 3 van de bij de desbetreffende bestemmingsplannen behorende Staat van Inrichtingen, nu dat gebruik anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen geen zwaardere belasting of ander gebruik van het perceel meebrengt dan het gebruik als auto- en caravanhandel, aldus Cheap Parking.

3.1. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat het gebruik van de percelen door Cheap Parking in strijd is met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen, zodat het college bevoegd was daartegen handhavend op te treden. Er is geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter de bestemming "Auto- en caravanhandel" te rigide heeft uitgelegd door te overwegen dat het gebruik door Cheap Parking van de percelen voor het bedrijfsmatig aanbieden van parkeervoorzieningen niet als zodanig kan worden aangemerkt. In het aangevoerde dat het gebruik door Cheap Parking de percelen niet zwaarder belast, heeft de voorzieningenrechter terecht in navolging van het college geen aanleiding gezien om dat gebruik in overeenstemming met de bestemmingsplannen te achten. Dat Cheap Parking niet wordt vermeld bij de uitzonderingen in artikel 5 en 9 van de planvoorschriften bij onderscheidenlijk het bestemmingsplan "Gruquius Oost" en "Staatsbos Floriande" volgt reeds uit de omstandigheid dat haar bedrijf niet valt onder de bestemming "Auto- en caravanhandel", zodat, anders dan Cheap Parking stelt, daaraan geen betekenis toekomt.

Het betoog faalt.

4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

5. Cheap Parking betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat concreet zicht op legalisering bestaat. Daartoe voert zij aan dat zij in aanmerking komt voor een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan, nu het door haar voorgestane gebruik van de percelen doelmatiger is dan het gebruik daarvan voor auto- en caravanhandel. Volgens Cheap Parking heeft de vervuiling ter plekke een negatieve invloed op de autohandel maar niet op haar bedrijf, nu zij desgewenst de bij haar geparkeerde auto’s kan laten reinigen. Daarbij komt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat uit het door het college op 20 maart 2012 vastgestelde Parkeerbeleid "passagiersparkeren Schiphol" blijkt dat Cheap Parking ter plekke uit ruimtelijk oogpunt ongewenst is, nu de percelen zijn gelegen in een industrieel gebied aan een drukke doorgaande weg en het gebruik daarvan door haar niet meer verkeersbewegingen genereert dan een auto- of caravanhandel. Voorts is het parkeerbeleid onverbindend, nu het zich ten onrechte mengt in de concurrentie met andere aanbieders van parkeerplaatsen aan passagiers naar en van Schiphol, aldus Cheap Parking.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 mei 2012 in zaak nr. 201109901/1/A1), volstaat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is gebruik te maken van zijn bevoegdheid om omgevingsvergunning te verlenen voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. Een besluit tot weigering gebruik te maken van deze bevoegdheid is als zodanig in deze procedure niet aan de orde, zodat de rechterlijke toetsing terzake zeer terughoudend is.

5.2. Het college is niet bereid een omgevingsvergunning te verlenen voor het strijdige gebruik van de percelen. Het acht het daarbij van belang dat het op 22 december 2012 in werking getreden bestemmingsplan "Haarlemmermeerse Bof en Groene Weelde" het door Cheap Parking voorgestane gebruik van de percelen niet toestaat. Het college is voorts niet bereid omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruik van de percelen in strijd met het bestemmingsplan, nu dat volgens hem in strijd is met het parkeerbeleid om verrommeling van het buitengebied en extra verkeersbewegingen van en naar de luchthaven tegen te gaan en ervoor te zorgen dat de luchthaven Schiphol op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid voorziet. In hetgeen Cheap Parking heeft aangevoerd, worden geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het door het college ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste bestuurlijke medewerking niet zal kunnen worden geweigerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het standpunt van Cheap Parking dat het beleid treedt in privaatrechtelijke verhoudingen en daardoor onverbindend is niet wordt gevolgd, reeds omdat het beleid van toepassing is op alle aanbieders van parkeerplaatsen binnen de gemeente.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Invorderingsbeschikking

7. Ingevolge artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), beslist het bestuursorgaan, alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.

Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, heeft het hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

8. Cheap Parking betoogt dat het college ten onrechte een invorderingsbeschikking heeft genomen. Daartoe voert zij aan dat het college heeft miskend dat zij aan de last heeft voldaan, nu zij de percelen vanaf juni 2012 niet meer in gebruik heeft en deze vanaf juli 2012 verhuurt aan Good Parking. Voor zover het gebruik van de percelen door Good Parking, die zogenoemde valetservice aanbiedt, niet zou zijn toegestaan, kan dat volgens Cheap Parking haar niet worden tegengeworpen, nu het college zich over dat gebruik niet heeft uitgesproken. Daarbij komt nog dat artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) niet ziet op het laten gebruiken van grond in strijd met het bestemmingsplan, aldus Cheap Parking. Voorts voert zij aan dat volgens de vertegenwoordiger van het college na afloop van de zitting bij de voorzieningenrechter van de rechtbank de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom zou worden verlengd tot na de uitspraak op haar hoger beroep.

8.1. Er is geen grond voor het oordeel dat het college ten onrechte een invorderingsbeschikking heeft genomen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat op 29 november 2012 twee toezichthouders hebben geconstateerd dat op de percelen auto’s stonden geparkeerd, die niet behoren tot de actieve bedrijfsvoorraad van een autohandel, hetgeen Cheap Parking niet heeft bestreden. Dat de percelen vanaf juli 2012 worden verhuurd aan Good Parking, maakt niet dat Cheap Parking aan de last heeft voldaan, of erop mocht vertrouwen dat zij daaraan heeft voldaan, nu zij daarmee niet het parkeren van auto’s op de percelen beëindigd heeft gehouden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het college reeds op 8 november 2012 had geconstateerd dat Cheap Parking niet aan de last had voldaan en haar daarover had geïnformeerd. Dat, naar ter zitting gesteld, [autohandel] huurder is van de percelen vormt geen grond voor het oordeel dat het niet in de macht van Cheap Parking lag om de overtreding te beëindigen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Cheap Parking bemoeienis met de percelen heeft behouden, zoals blijkt uit het feit dat Good Parking de huur naar haar rekening overmaakt.

Cheap Parking mocht er niet op vertrouwen dat het college de begunstigingstermijn had verlengd tot na de uitspraak op haar hoger beroep. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Volgens het college is dat niet aan de orde, nu zijn vertegenwoordiger na afloop van de zitting bij de voorzieningenrechter van de rechtbank alleen over een mogelijke bereidheid heeft gesproken om de begunstigingstermijn te verlengen. Cheap Parking heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is.

Het betoog faalt.

9. Het beroep tegen het besluit van 11 december 2012 is ongegrond.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 11 december 2012

ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2013

357-757.