Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1242

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
201210581/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2012:2373, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2009 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210581/1/A2.

Datum uitspraak: 25 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Beek,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 26 september 2012 in zaak nr. 10/1945 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Beek.

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2009 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 5 november 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 september 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 8 februari 2013 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 30 november 2009 en dat besluit gehandhaafd.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] gronden tegen dat besluit aangevoerd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juli 2013, waar mr. B.B.M. Lemmens, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals die luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, kennen burgemeester en wethouders, voor zover een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

3. [appellant], eigenaar van het perceel met woning aan de [locatie] te Beek, heeft verzocht om vergoeding van de waardevermindering van zijn woning ten gevolge van de inwerkingtreding op 19 juli 2002 van het bestemmingsplan "Beek-Oost", dat onder meer aan het perceel ten zuidoosten van zijn perceel, kadastraal bekend gemeente Beek, sectie B nummer 7377, de bestemming "Woondoeleinden" toekent.

Het nieuwe plan kent aan het kadastrale perceel 7497, dat is gelegen tussen het perceel van [appellant] en het kadastrale perceel 7377, eveneens de bestemming "Woondoeleinden" toe en aan de daarop gelegen bestaande bebouwing de aanduiding "Karakteristieke bebouwing".

Het nieuwe plan kent aan de gronden ten noordoosten van het perceel van [appellant] de bestemming "Groenvoorzieningen" toe.

4. Voorheen gold ter plaatse het op 14 december 1973 door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan "Omgeving Hoolstraat", dat aan de kadastrale percelen 7497 en 7377 de bestemming "Achtertuin" toekende en aan de gronden ten noordoosten van het perceel van [appellant] de bestemming "Eengezinshuizen in bebouwingsklasse F1".

5. Het besluit van 5 november 2010 heeft het college genomen op aan hem door de stichting Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) in mei 2010 en 26 juli 2010 uitgebrachte adviezen. Volgens de SAOZ is [appellant] door de planologische wijzigingen per saldo niet in een nadeliger situatie komen te verkeren. De SAOZ heeft daarbij in aanmerking genomen dat de planologische wijziging op het kadastrale perceel 7497 voor [appellant] geen nadeel tot gevolg heeft, dat de planologische wijziging op het kadastrale perceel 7377 wel een beperkt nadeel tot gevolg heeft, maar gecompenseerd kan worden met de voordelen van de wijziging van de bestemming van de gronden ten noordoosten van zijn perceel. Volgens de SAOZ bedraagt de waarde van zijn perceel met opstallen op de peildatum 19 juli 2002 vóór de planologische wijzigingen € 320.000. Deze waarde is op de peildatum na de planologische wijzigingen door het nadelige gevolg gedaald met € 10.000 en door de voordelige gevolgen gestegen met € 15.000, zodat de waarde per saldo is gestegen naar € 325.000, aldus de SAOZ.

6. De rechtbank heeft de stichting Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) als deskundige benoemd, die haar op 15 maart 2012 en 10 mei 2012 berichten heeft uitgebracht. De rechtbank heeft onder meer met verwijzing naar deze berichten het door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 5 november 2010 vernietigd.

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het bericht van de StAB, dat in het door het college gevolgde advies van de SAOZ er terecht vanuit wordt gegaan dat hij door de planologische wijziging op het kadastrale perceel 7497 niet in een nadeliger situatie is komen te verkeren, heeft gevolgd. Hij voert aan dat de SAOZ heeft miskend dat onder het nieuwe planologische regime op dat perceel bijgebouwen kunnen worden gerealiseerd, nu het college bij besluit van 10 februari 2005 een bouwvergunning heeft verleend voor het verbouwen van de op dat perceel aanwezige schuur tot woning en wijst er voorts op dat die schuur volgens de StAB eigenlijk positief had moeten worden bestemd. [appellant] voert voorts aan dat ingevolge artikel 1 onder 4 en onder 50 van de planvoorschriften van "Beek-Oost" en de aanvullende werking van de bouwverordening, bijgebouwen op het perceel kunnen worden gerealiseerd.

7.1. Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften van "Beek-Oost" wordt in deze voorschriften verstaan onder:

(…)

4. Achtergevelrooilijn: de op de bestemmingskaart aan de achterzijde van hoofdgebouwen aangegeven lijn die niet door hoofdgebouwen mag worden overschreden. Voor zover op de bestemmingskaart geen achtergevelrooilijn is opgenomen, dient de denkbeeldige, door het verlengde van de achtergevel lopende lijn als achtergevelrooilijn te worden aangemerkt.

(…)

19. Bouwstrook: De strook die wordt begrensd door de op de bestemmingskaart aangegeven voor- en achtergevelrooilijnen.

(…)

50. Voorgevelrooilijn: de op de bestemmingskaart aan de voorzijde alsmede - bij hoeksituaties - aan de zijkant van hoofdgebouwen aangegeven lijn die niet door gebouwen mag worden overschreden, tenzij in deze voorschriften uitdrukkelijk anders is bepaald. Voor zover op de bestemmingskaart geen voorgevelrooilijn is opgenomen, dient de denkbeeldige, voor het verlengde van de voorgevel alsmede - bij hoeksituaties - door het verlengde van de zijgevel lopende lijn als voorgevelrooilijn te worden aangemerkt.

(…)

Ingevolge artikel 6, lid 3, aanhef, mogen op en in de tot woondoeleinden bestemde gronden uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken worden opgericht die qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen, met dien verstande dat:

(…)

d. de gronden, gelegen achter de achtergevelrooilijn, mogen worden bebouwd met bijgebouwen;

(…)

k. gebouwen alleen mogen worden gerealiseerd in de zone tussen de op de bestemmingskaart opgenomen voor- en achtergevelrooilijnen;

(…).

7.2. Het bestemmingsplan "Beek-Oost" kent aan het kadastrale perceel 7497, gelegen direct ten zuidoosten van het perceel van [appellant], de bestemming "Woondoeleinden" toe met de nadere aanduiding "Karakteristieke bebouwing" ter plaatse van de bestaande schuur. Nu ter plaatse op de plankaart geen bouwstrook met de aanduidingen "Voorgevelrooilijn" en "Achtergevelrooilijn" is opgenomen, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college zich ten onrechte in navolging van de SAOZ op het standpunt heeft gesteld dat op dit perceel geen bijgebouwen zijn toegestaan. Het bepaalde in artikel 1, lid 4 en lid 50 van de planvoorschriften over de situaties waarin op de bestemmingskaart geen achtergevel- of voorgevelrooilijn is opgenomen, laat onverlet dat planologisch gezien geen hoofdgebouw aanwezig is, zodat de aanwezigheid van een bijbehorende bouwstrook met eventueel een voor- en achtergevelrooilijn evenmin kan worden aangenomen.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Woningwet blijven voorschriften van de bouwverordening van toepassing indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat. In zoverre [appellant] betoogt dat de in de bouwverordening opgenomen bepalingen over de begrippen "Achtergevelrooilijn" en "Voorgevelrooilijn" aanvullende werking hebben, faalt dat betoog, nu in het bestemmingsplan "Beek-Oost" invulling is gegeven aan deze begrippen.

De rechtbank heeft in het betoog van [appellant] voorts terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de SAOZ het besluit van 10 februari 2005, waarbij vrijstelling is verleend voor het verbouwen van de schuur tot woning, ten onrechte niet bij de planvergelijking heeft betrokken. Dit besluit dateert van na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Beek-Oost" en heeft [appellant] niet aan het voorliggende verzoek om planschadevergoeding ten grondslag gelegd.

De rechtbank heeft in de omstandigheid dat de StAB haar heeft bericht dat de bestaande bebouwing eigenlijk positief bestemd had moeten worden, evenzeer terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het door het college gevolgde advies van de SAOZ onjuist is, nu de vaststelling van het bestemmingsplan "Beek-Oost" in deze procedure niet ter beoordeling voorligt.

Het betoog faalt.

8. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor de door hem naar aanleiding van het bericht van de StAB ingebrachte schriftelijke zienswijze.

8.1. De rechtbank heeft de proceskosten vastgesteld op de voet van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij twee punten zijn toegekend voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting. Nu [appellant] naar aanleiding van het bericht van de StAB eveneens een schriftelijke zienswijze had ingediend, heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten om hiervoor ook een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Het betoog slaagt.

9. Het hoger beroep is gegrond. In de einduitspraak zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd wat betreft de hoogte van de toegekende proceskostenveroordeling.

10. Bij besluit van 8 februari 2013 heeft het college, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 30 november 2009. Het besluit van 8 februari 2013 is gebaseerd op een advies van het Kenniscentrum voor Overheid en Bestuur (hierna: het Kenniscentrum) van 30 januari 2013.

Het besluit van 8 februari 2013 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

11. [appellant] betoogt dat het college met het besluit van 8 februari 2013 ten onrechte geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank. [appellant] voert aan dat de rechtbank de door de SAOZ als voordeel aangemerkte planologische wijziging op de gronden ten noordoosten van zijn perceel niet als zodanig heeft aangemerkt, zodat derhalve sprake is van een nadeel, waarvan het Kenniscentrum heeft nagelaten de omvang vast te stellen.

11.1. De rechtbank heeft overwogen dat het rapport van de StAB moet worden gevolgd. De StAB heeft geconcludeerd dat in het door het college gevolgde advies van de SAOZ terecht is gesteld dat de planologische wijziging op het kadastrale perceel 7497 geen nadeel voor [appellant] tot gevolg heeft. Voorts gaat de SAOZ volgens de StAB terecht uit van een planologisch nadeel als gevolg van de toename van de gebruiksintensiteit van het kadastrale perceel 7377. De SAOZ heeft zich ten aanzien van de bestemming "Groenvoorziening" van het nieuwe planologische regime op de gronden ten noordoosten van het perceel van [appellant] volgens de rechtbank met verwijzing naar het rapport van de StAB evenwel onvoldoende gerealiseerd wat de maximale mogelijkheden van deze bestemming zijn en heeft als gevolg daarvan ten onrechte tot een planologisch voordeel geconcludeerd. Volgens het bericht van de StAB dient, in vergelijking met het advies van de SAOZ, te worden uitgegaan van een beperkter voordeel als gevolg van de afname van bouwmassa en bouwhoogte en van een nadeel als gevolg van de toegenomen gebruiksintensiteit. De rechtbank heeft, het bericht van de StAB in aanmerking nemend, overwogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] door de planologische wijziging niet in een nadeliger situatie is komen te verkeren.

11.2. Bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar diende, met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank, een volledige heroverweging plaats te vinden. Daarbij diende derhalve onder meer uitgangspunt te zijn de onbestreden gebleven overwegingen van de rechtbank dat de planologische wijziging op de gronden ten noordoosten van het perceel van [appellant] geen voordeel betekent en dat [appellant] door de planologische wijzigingen per saldo in een nadeliger situatie is komen te verkeren. Het advies van het Kenniscentrum, dat ten grondslag ligt aan het besluit van 8 februari 2013, gaat de grenzen waarbinnen het college een nieuwe beslissing diende te nemen, evenwel te buiten, nu daarin is gesteld dat de planologische wijziging op de gronden ten noordoosten van het perceel vanwege een licht afgenomen gebruiksintensiteit een zeer beperkt voordeel voor [appellant] meebrengt, en daarin voorts is geconcludeerd dat [appellant] door de planologische wijzigingen per saldo niet in een nadeliger situatie is komen te verkeren.

Het betoog slaagt.

11.3. De conclusie is dat het besluit van 8 februari 2013, in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb, niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding om het college op de voet van artikel 8:51a van de Awb op te dragen het gebrek in dat besluit te herstellen. Daartoe dient het college uiterlijk binnen dertien weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen, een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daartoe dient het college een nader deskundigenadvies in te winnen, waarbij uitgangspunt dient te zijn hetgeen hiervoor onder 11.2 is overwogen en voorts dat de waarde van het perceel van [appellant] door de planologische wijziging op het kadastrale perceel 7377 met € 10.000 is gedaald.

12. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Beek op om binnen dertien weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 8 februari 2013, kenmerk 13uit00506, te herstellen door een nieuw besluit te nemen en dit tevens aan de Afdeling toe te zenden.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Larsson-van Reijsen

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2013

344.