Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1229

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
201208185/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 december 2011 heeft de minister een aanvraag van [appellante] om inschrijving in het register beëdigde tolken en vertalers en plaatsing op de zogenoemde uitwijklijst als tolk Nederlands - Farsi (Iran), tolk Nederlands - Dari, vertaler Nederlands - Farsi (Iran) en vertaler Farsi (Iran) - Nederlands afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208185/1/A3.

Datum uitspraak: 25 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2012 in zaak nrs. 12/1864 en 12/2558 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2011 heeft de minister een aanvraag van [appellante] om inschrijving in het register beëdigde tolken en vertalers en plaatsing op de zogenoemde uitwijklijst als tolk Nederlands - Farsi (Iran), tolk Nederlands - Dari, vertaler Nederlands - Farsi (Iran) en vertaler Farsi (Iran) - Nederlands afgewezen.

Bij besluit van 5 april 2012 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juli 2012 heeft de voorzieningenrechter het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2013, waar [appellante], bijgestaan door mr. M.B.J. Strooij, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. F. Kabbouti, werkzaam bij de raad voor rechtsbijstand, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, eerste volzin, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: de Wbtv) is er een register voor beëdigde tolken en vertalers.

Ingevolge artikel 3 dient de tolk dan wel de vertaler, om voor inschrijving in het register in aanmerking te komen, te voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen ten aanzien van de volgende competenties:

- attitude van een tolk voor de tolk;

- attitude van een vertaler voor de vertaler;

- integriteit;

- taalvaardigheid in de brontaal;

- taalvaardigheid in de doeltaal;

- kennis van de cultuur van het land of gebied van de brontaal;

- kennis van de cultuur van het land of gebied van de doeltaal;

- tolkvaardigheid voor de tolk;

- vertaalvaardigheid voor de vertaler.

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder a, wordt de aanvraag tot inschrijving afgewezen indien de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 3 bedoelde eisen.

Ingevolge artikel 6, aanhef en onder a, wordt, in afwijking van artikel 5, onderdeel a, de aanvraag van een tolk of vertaler die niet voldoet aan de daar bedoelde eisen, niet afgewezen indien aan hem ten aanzien van het betrokken beroep een erkenning van beroepskwalificaties is verleend als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties verleent de minister die het aangaat erkenning van beroepskwalificaties indien de migrerende beroepsbeoefenaar in het bezit is van een opleidingstitel die of een door het bevoegd gezag in een andere betrokken staat dan Nederland afgegeven bekwaamheidsattest dat blijk geeft van een beroepskwalificatieniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan het eerste niveau onder het in Nederland vereiste niveau, met toepassing van de onderscheiding in niveaus, bedoeld in artikel 9.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Besluit beëdigde tolken en vertalers wordt een tolk of vertaler in het register ingeschreven, indien hij voldoet aan een of meer van de volgende eisen:

a. hij beschikt over een of meer van de volgende getuigschriften waaruit blijkt dat hij met goed gevolg het examen heeft afgelegd ter afsluiting van een opleiding tot tolk of vertaler als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek:

1°. een getuigschrift waaruit blijkt dat het recht is verkregen om de titel baccalaureus te voeren;

2°. een getuigschrift waaruit blijkt dat de graad Bachelor is verleend; of

3°. een getuigschrift waaruit blijkt dat de graad Master is verleend;

b. hij kan anderszins aantonen te voldoen aan de wettelijke competenties.

2. In hoger beroep is het geschil beperkt tot de weigering van de minister om [appellante] als vertaler Nederlands - Farsi (Iran) en vertaler Farsi (Iran) - Nederlands in te schrijven in het register.

3. De rechtbank heeft overwogen dat de door [appellante] overgelegde documenten, waaronder een waardering van de Nuffic van 7 oktober 2011 van een certificaat van 12 oktober 2009 van de opleiding Gerechtsvertalen en -tolken aan de Belgische hogeschool Lessius, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. De minister heeft de aanvraag van [appellante] daarom mogen afwijzen onder verwijzing naar een besluit van 22 juni 2010, waarbij een eerdere aanvraag van [appellante] tot inschrijving in het register als vertaler Nederlands - Farsi (Iran) en vertaler Farsi (Iran) - Nederlands is afgewezen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de beroepsgrond over artikel 6 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties geen bespreking behoeft, nu hiervoor een aparte procedure is gestart.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Nuffic-waardering van 7 oktober 2011 geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is. Zij voert aan dat de ongedateerde Nuffic-waardering die aan het eerdere afwijzende besluit ten grondslag ligt, destijds niet aan haar is verstrekt. Verder voert zij aan dat de Nuffic-waardering van 7 oktober 2011 inhoudelijk anders is dan de eerdere Nuffic-waardering, omdat in de nieuwe waardering de door haar gevolgde opleiding wordt vergeleken met de door de Stichting Instituut van Gerechtstolken en -Vertalers (hierna: SIGV) aangeboden opleiding Gerechtstolken in strafzaken. Van deze opleiding van de SIGV is niet officieel vastgesteld dat deze op hbo-niveau wordt gegeven, terwijl deze opleiding wel recht geeft op inschrijving in het register, aldus [appellante].

4.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

4.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

4.3. Om als vertaler in het register te kunnen worden ingeschreven, is het noodzakelijk dat [appellante] aantoont dat zij de in artikel 3 van de Wbtv genoemde competenties op hbo-niveau beheerst. In de Nuffic-waardering van 7 oktober 2011 is echter, evenals in de eerdere Nuffic-waardering, niet vermeld welk niveau de door [appellante] aan hogeschool Lessius gevolgde opleiding heeft. Dat in de Nuffic-waardering van 7 oktober 2011 is vermeld dat die opleiding naar aard en doel overeenkomt met een door de SIGV aangeboden opleiding, maakt voorts niet dat beide opleidingen in de Nuffic-waardering op één lijn worden gesteld. De omstandigheid dat een diploma van de opleiding van de SIGV recht geeft op inschrijving in het register, leidt daarom niet tot de conclusie dat op grond van de Nuffic-waardering ook het diploma van de door [appellante] gevolgde opleiding recht dient te geven op inschrijving in het register. Daargelaten of [appellante] reeds in een procedure tegen het afwijzende besluit van 22 juni 2010 een nieuwe Nuffic-waardering had kunnen en moeten aanvragen en overleggen, is derhalve op voorhand uitgesloten dat de Nuffic-waardering van 7 oktober 2011 kan afdoen aan de juistheid van dat besluit.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de beroepsgrond over artikel 6, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties geen bespreking behoeft. De omstandigheid dat in een afzonderlijke procedure haar aanvraag op grond van die wet wordt behandeld, maakt niet dat zij geen belang heeft bij bespreking van deze beroepsgrond, aldus [appellante].

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 augustus 2012 in zaak nr. 201106170/1/A3), behoeft slechts een verleende erkenning van beroepskwalificaties voor het betrokken beroep als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties voor de minister aanleiding te zijn om een tolk of vertaler met toepassing van artikel 6, aanhef en onder a, van de Wbtv in te schrijven in het register. Niet in geschil is dat een dergelijke erkenning niet aan [appellante] is verleend. Haar aanvraag tot inschrijving in het register omvat voorts niet mede een aanvraag om een dergelijke erkenning. Nu haar aanvraag om een erkenning in een afzonderlijke procedure wordt afgedaan, valt niet in te zien waartoe bespreking van hetgeen [appellante] over artikel 6, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EG-kwalificaties heeft aangevoerd, kan leiden.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Herweijer

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2013

640.