Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1223

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
201207880/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:1527, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juni 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een garage op het perceel [locatie] te Andelst (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207880/1/A1.

Datum uitspraak: 25 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Andelst, gemeente Overbetuwe,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 juli 2012 in zaak nr. 11/5194 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een garage op het perceel [locatie] te Andelst (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 oktober 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 15 juni 2011 in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering daarvan.

Bij uitspraak van 3 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2013, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door R.M. Willemse, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in het bouwen van een garage van 90 m² met een nokhoogte van vijf meter op het perceel. [appellant] is eigenaar en bewoner van een aangrenzend perceel.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan past binnen de op 1 oktober 2010 door het college vastgestelde Beleidsregel planologische afwijkingsmogelijkheden gemeente Overbetuwe 2010 (hierna: de Beleidsregel), nu deze volgens hem niet kan worden toegepast bij afwijking van verschillende planvoorschriften, zoals hier aan de orde.

2.1. Ook indien moet worden aangenomen dat het bouwplan op drie punten in strijd is met de geldende planvoorschriften, zoals gedaan bij besluit van 25 oktober 2011, kan het betoog niet slagen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat uit de Beleidsregel niet kan worden afgeleid dat deze slechts kan worden toegepast indien een bouwplan op één punt in strijd is met de planvoorschriften. Derhalve heeft de rechtbank in het betoog van [appellant] terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan past binnen de Beleidsregel.

3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college zijn belangen, te weten aantasting van de woonomgeving, beperking van de lichtinval en waardevermindering van zijn woning, onvoldoende bij de beoordeling van de aanvraag heeft meegewogen en daarin ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om van de Beleidsregel af te wijken. Bovendien heeft de rechtbank miskend dat het college het nut en de noodzaak om ten behoeve van het bouwplan van het bestemmingsplan af te wijken, niet heeft onderzocht, aldus [appellant].

3.1. De aan het besluit van 25 oktober 2011 ten grondslag gelegde belangenafweging geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college de door [appellant] gestelde belangen, dan wel, het nut en de noodzaak van het bouwplan, daarbij onvoldoende heeft betrokken. Voorts heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in de door [appellant] gestelde belangen ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om van de Beleidsregel af te wijken. Ingevolge artikel 4:84, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), handelt het college overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 februari 2013, in zaak nr. 201203303/1/A1), gaat het bij bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb om omstandigheden waarmee bij de totstandkoming van een beleidsregel geen rekening is gehouden en die derhalve in die beleidsregel niet zijn verdisconteerd. Niet valt in te zien dat de door [appellant] gestelde omstandigheden niet zijn voorzien bij het opstellen van de Beleidsregel.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Huijben

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2013

313-713.