Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1200

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
18-09-2013
Zaaknummer
201307378/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juli 2013 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307378/1/V3.

Datum uitspraak: 11 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 8 augustus 2013 in zaak nr. 13/19400 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2013 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 augustus 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, nu deze met het houden van een vertrekgesprek op de vierde dag na de inbewaringstelling van de vreemdeling een eerste daadwerkelijke handeling ter voorbereiding van de uitzetting heeft verricht.

Hiertoe betoogt de vreemdeling, samengevat weergegeven, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij reeds bij de inbewaringstelling in het bezit was van een geldige Litouwse identiteitskaart en dat een vlucht naar Vilnius zeer eenvoudig te regelen is. Nu de staatssecretaris gedurende de acht dagen na het vertrekgesprek niets meer heeft ondernomen, heeft de rechtbank dat gesprek ten onrechte doorslaggevend geacht voor het oordeel dat de staatssecretaris voldoende voortvarend heeft gehandeld, aldus de vreemdeling.

1.1. Niet in geschil is dat de vreemdeling ten tijde van het opleggen van de maatregel van bewaring beschikte over een geldige, op zijn naam gestelde, Litouwse identiteitskaart. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 december 2009 in zaak nr. 200908273/1/V3), ligt het in dat geval op de weg van de staatssecretaris bij de handelingen ter voorbereiding van de uitzetting een meer dan gebruikelijke voortvarendheid te betrachten.

Door op 30 juli 2013 een vertrekgesprek met de vreemdeling te voeren, hetgeen kan worden aangemerkt als een handeling die van directe betekenis is voor de uitzetting van de vreemdeling, heeft de staatssecretaris tijdig een aanvang met de voorbereiding van de uitzetting gemaakt. Ter zitting van de rechtbank op 5 augustus 2013 is echter gebleken dat de staatssecretaris sinds het vertrekgesprek geen andere handelingen heeft verricht die van directe betekenis zijn voor de uitzetting. Evenmin kon hij ter zitting van de rechtbank concreet uiteenzetten op welke termijn hij een zodanige handeling zou gaan verrichten. De mededeling van de staatssecretaris dat het bureau boekingen zal kijken of een vlucht naar Litouwen kan worden geboekt, is daartoe onvoldoende. Nu de staatssecretaris ter zitting van de rechtbank voorts niet heeft betwist dat een vlucht naar Vilnius eenvoudig te boeken is en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan hem niet is toe te rekenen dat hij sinds 30 juli 2013 geen daadwerkelijke handelingen ter voorbereiding van de uitzetting meer heeft verricht, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris voldoende voortvarend heeft gehandeld. De bewaring is met ingang van 31 juli 2013 onrechtmatig.

De grief slaagt.

2. Hetgeen de vreemdeling in het hogerberoepschrift als grief 2 heeft aangevoerd, heeft hij niet als zodanig in eerste aanleg naar voren gebracht. In zoverre is geen sprake van een grief in de zin van artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 26 juli 2013 van de staatssecretaris, gelet op overweging 1.1., alsnog gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 31 juli 2013 tot 14 augustus 2013, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 8 augustus 2013 in zaak nr. 13/19400;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 1.120,00 (zegge: elfhonderdtwintig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.416,00 (zegge: veertienhonderdzestien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Laar

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013

551-737