Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1190

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
18-09-2013
Zaaknummer
201202925/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 mei 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel, voor zover thans van belang, geweigerd om de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201202925/1/V3.

Datum uitspraak: 10 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 22 februari 2012 in zaak nr. 11/19043 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel, voor zover thans van belang, geweigerd om de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 februari 2012 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet kon volstaan met het aanwezig achten van adequate opvang voor de vreemdeling in Afghanistan om de enkele reden dat zijn moeder, die in Iran verblijft, verantwoordelijk is voor de verzorging en begeleiding van de vreemdeling.

Hiertoe betoogt de staatssecretaris dat er adequate opvang aanwezig is in Afghanistan indien de moeder, dan wel de oom van de vreemdeling er voor kiest deze opvang te bieden in Afghanistan. De staatssecretaris wijst er op dat het de verantwoordelijkheid van de moeder dan wel de oom van de vreemdeling is om hem opvang te bieden en dat zij hiertoe een zorgplicht en inspanningsverplichting hebben. Hoe en waar zij hieraan vorm willen geven is aan hen. Dit heeft de rechtbank miskend, aldus de staatssecretaris.

2.1. In het voornemen van 31 maart 2011, dat in het in beroep bestreden besluit is ingelast, heeft de staatssecretaris zich onder meer op het standpunt gesteld dat op de moeder en oom van de vreemdeling een zorgplicht rust, dat zij derhalve de verantwoordelijkheid hebben om ervoor zorg te dragen dat er opvang aanwezig is in het land van herkomst, in dit geval Afghanistan. Gelet hierop stelt de staatssecretaris zich dan ook op het standpunt dat adequate opvang in het land van herkomst voorhanden en voldoende gewaarborgd is.

2.2. De vreemdeling heeft, onder andere in zijn zienswijze van 29 april 2011, aangevoerd dat hij voor opvang geheel afhankelijk is van zijn moeder, maar dat zijn moeder naar Iran is gevlucht, waar zij illegaal verblijft. Zij kan niet terugkeren naar Afghanistan omdat zij een alleenstaande vrouw zonder netwerk is. Daarnaast heeft de vreemdeling aangevoerd dat zijn oom geen hulp kan bieden omdat hij in Europa asiel heeft gevraagd.

2.3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, overwogen dat de staatssecretaris niet heeft kunnen volstaan met het aanwezig achten van adequate opvang voor de vreemdeling in Afghanistan om de enkele reden dat zijn moeder, die in Iran verblijft, verantwoordelijk is voor de verzorging en begeleiding van de vreemdeling. Nu uit het bestreden besluit niet blijkt dat er in Afghanistan een familielid, een voogd of een adequate opvangfaciliteit aanwezig is, hetgeen door de vreemdeling ook is bestreden, heeft de staatssecretaris niet deugdelijk gemotiveerd dat adequate opvang in Afghanistan voorhanden is, aldus de rechtbank.

2.4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 6 juni 2012 in zaak nr. 201104976/1/V2) volgt dat de zorgplicht van ouders voor minderjarige kinderen met zich brengt dat zij er zorg voor dragen dat op enigerlei wijze opvang voor de betrokken vreemdeling in het land van herkomst aanwezig is. Verwijzing naar dit uitgangspunt is evenwel ontoereikend in geval de minderjarige vreemdeling aannemelijk maakt dat het op voorhand onmogelijk moet worden geacht, dat zijn ouders, dan wel een van hen, voor zodanige opvang kunnen zorgen.

In dit geval heeft de vreemdeling omstandigheden aangevoerd die volgens hem maken dat het op voorhand onmogelijk moet worden geacht dat zijn moeder kan bewerkstelligen dat voor hem in Afghanistan opvang aanwezig is. De staatssecretaris had dan ook dienen te beoordelen of de vreemdeling met hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd er in is geslaagd zulks aannemelijk te maken. Nu de staatssecretaris in het voornemen en in het bestreden besluit uitsluitend heeft verwezen naar de zorgplicht van de moeder, zonder nader te motiveren waarom de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat het op voorhand onmogelijk moet worden geacht dat zijn moeder zorgdraagt voor enigerlei wijze van opvang in Afghanistan, heeft de staatssecretaris niet deugdelijk gemotiveerd dat voor de vreemdeling adequate opvang in Afghanistan voorhanden is. De rechtbank is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit wegens schending van artikel 3:46 van de Awb moet worden vernietigd.

De grief faalt.

3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Dokkum

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2013

480-737