Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1185

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2013
Datum publicatie
18-09-2013
Zaaknummer
201201369/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2011, kenmerk C2057374/2857178, heeft het college aan de raad van de gemeente Baarle-Nassau een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 21 november 2011 vastgestelde bestemmingsplan "Landbouwontwikkelingsgebied Oostflank".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201369/1/R3.

Datum uitspraak: 18 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de raad van de gemeente Baarle-Nassau,

2. de vereniging Afdeling Baarle-Nassau - Ulicoten van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (hierna: ZLTO), gevestigd te Baarle-Nassau,

3. [appellant sub 3], wonend te Baarle-Nassau,

4. [appellant sub 4], wonend te Baarle-Nassau,

5. [appellant sub 5], wonend te Baarle-Nassau,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2011, kenmerk C2057374/2857178, heeft het college aan de raad van de gemeente Baarle-Nassau een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 21 november 2011 vastgestelde bestemmingsplan "Landbouwontwikkelingsgebied Oostflank".

Tegen dit besluit hebben het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau namens de raad (hierna: het gemeentebestuur), ZLTO, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de vereniging Vereniging ABC Milieugroep, mede namens de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak nr. 201201367/1/R3, ter zitting behandeld op 29 juli 2013, waar het gemeentebestuur, vertegenwoordigd door mr. P. Engelvaart en J. Klei, ZLTO, vertegenwoordigd door L.J.M. Jansens, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. M.M. Breukers, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, [appellant sub 5], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, en het college, vertegenwoordigd door A.J. Vos, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Het college heeft de bevoegdheid een reactieve aanwijzing te geven die het ter bescherming van provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk acht. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan. De Afdeling toetst de beslissing van het college om van de bevoegdheid gebruik te maken terughoudend. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Intrekking

2. Het gemeentebestuur heeft ter zitting zijn algemene beroepsgronden ingetrokken.

Perceel [locatie A]

3. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot de uitbreiding van het bouwvlak tot een omvang van 1,5 ha ten behoeve van het grondgebonden agrarische bedrijf op het perceel [locatie A].

3.1. In het plan zijn aan het perceel de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en een bouwvlak met een omvang van ongeveer 1,5 ha toegekend. Aan het perceel is niet de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels, zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, waarbij niet meer dan één bedrijf aanwezig mag zijn per bestemmingsvlak.

3.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel [locatie A] ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre in strijd met artikel 8.3, eerste lid, onder c, van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: Verordening 2011) onvoldoende is gemotiveerd. Uit de plantoelichting noch uit het raadsbesluit volgt dat de voorziene uitbreiding noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering. Het plan is in zoverre eveneens in strijd met artikel 2.2 van de Verordening 2011, nu met de uitbreiding van het bouwvlak niet is voorzien in de vereiste kwaliteitsverbetering.

3.3. Het gemeentebestuur en [appellant sub 3] betogen dat de reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. [appellant sub 3] voert hiertoe aan dat de reactieve aanwijzing ten onrechte slechts is gebaseerd op de Verordening 2011, nu het reconstructieplan De Baronie (hierna: het reconstructieplan) alsmede de correctieve herziening van dat reconstructieplan niet aan de voorziene uitbreiding van zijn grondgebonden melkrundveehouderij in de weg staan. Volgens het gemeentebestuur en [appellant sub 3] wordt aan de criteria voor vergroting van het bouwvlak ten behoeve van een grondgebonden melkrundveehouderij op het perceel [locatie A] voldaan. Zo is een groenplan bijgevoegd, waaruit blijkt dat nieuwe bebouwing inpasbaar is en volgt uit het inmiddels opgestelde advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: AAB) dat de beoogde uitbreiding van het agrarische bedrijf noodzakelijk is voor de normale bedrijfsgroei.

3.4. Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening 2011 bevat de toelichting bij een bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, een verantwoording van de wijze waarop financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft of van het gebied waarvan de gemeente de voorgenomen ontwikkeling in hoofdlijnen heeft beschreven.

Ingevolge artikel 8.3, eerste lid, onder c, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een agrarisch gebied voorzien in een uitbreiding van een grondgebonden agrarisch bedrijf mits uit de toelichting blijkt dat deze uitbreiding noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering.

3.5. De reactieve aanwijzing is gebaseerd op de provinciale Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en de Verordening 2011. Het hierin vervatte beleid is deels een aanscherping van het beleid uit de (correctieve herzieningen van de) reconstructieplannen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2007, in zaak nr. 201203080/1/A1, kan van beleidsuitspraken uit reconstructieplannen worden afgeweken zonder dat daarvoor de in de Reconstructiewet concentratiegebieden neergelegde procedure moet worden gevolgd. Gelet hierop is de reactieve aanwijzing terecht gebaseerd op de op dat moment geldende algemene regels en het op dat moment geldende beleid.

3.6. Niet in geschil is dat het plan voorziet in de uitbreiding van een grondgebonden agrarisch bedrijf op het perceel [locatie A] tot een omvang van 1,5 ha. De Afdeling stelt vast dat ten tijde van het bestreden besluit uit de toelichting bij het plan niet bleek dat de voorziene uitbreiding noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering. Gelet hierop is het plan in zoverre in strijd met artikel 8.3, eerste lid, onder c, van de Verordening 2011.

3.7. Dat de noodzaak tot uitbreiding wel uit het inmiddels opgestelde advies van de AAB volgt leidt niet tot het oordeel dat het college, naar de Afdeling de betogen van het gemeentebestuur en [appellant sub 3] begrijpt, een uitzondering had kunnen en moeten maken voor deze concrete situatie. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat dit advies dateert van na het bestreden besluit, zodat het college niet kan worden verweten dat hij daar geen rekening mee heeft gehouden. Voorts neemt het voorgaande niet weg dat uit de stukken niet is gebleken hoe het groenplan zich verhoudt tot de eisen van kwaliteitsverbetering als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening 2011 zodat niet is verzekerd dat aan deze eisen wordt voldaan.

3.8. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] geheel en het beroep van het gemeentebestuur in zoverre ongegrond.

Perceel [locatie B]

4. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad reactieve aanwijzingen gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel [locatie B] en de bij artikel 5, lid 5.1, van de planregels opgenomen tabel 6.1.2, voor zover het betreft het timmerbedrijf voor het perceel [locatie B] met een oppervlakte van 1.470 m² aan bedrijfsgebouwen.

4.1. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor niet-agrarische bedrijven, conform de Staat van niet¬-agrarische bedrijven in tabel 6.1.2.

Ingevolge tabel 6.1.2 is op het perceel [locatie B] een timmerbedrijf met een oppervlakte van 1.470 m² aan bedrijfsgebouwen, exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende bouwwerken, toegestaan.

4.2. Het college heeft aan deze reactieve aanwijzingen met betrekking tot de bedrijfsbestemming op het perceel [locatie B] ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre in strijd is met artikel 11.6, eerste lid, van de Verordening 2011, op grond waarvan een niet-agrarische ontwikkeling zoals een timmerbedrijf in een landbouwontwikkelingsgebied niet is toegestaan. Een milieuvergunning is niet gelijk te stellen met een planologisch-juridische procedure voor de vestiging van een niet-agrarisch bedrijf. Voorts is het plan in zoverre in strijd met de artikelen 2.1 en 2.2 van de Verordening 2011.

4.3. Het gemeentebestuur en [appellant sub 4] betogen dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzingen, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen concrete zienswijze naar voren heeft gebracht.

4.4. Ingevolge artikel 3.8, zesde lid, van de Wro, gelezen in samenhang met het vierde lid, kan het college, onverminderd andere aan hem toekomende bevoegdheden, met betrekking tot een onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan waarover hij een zienswijze over het ontwerp heeft ingediend en deze niet volledig is overgenomen, aan de gemeenteraad een aanwijzing geven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wro, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld (hierna: reactieve aanwijzing). Het college vermeldt in de redengeving de aan het besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die de provincie beletten het betrokken provinciaal belang met inzet van andere aan haar toekomende bevoegdheden te beschermen.

4.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 oktober 2011, in zaak nr. 200907617/1/R3), volgt uit de onder 4.4 weergegeven bepaling dat een reactieve aanwijzing uitsluitend kan worden gegeven indien en voor zover het college met betrekking tot het desbetreffende onderdeel van het ontwerpplan een zienswijze heeft ingediend en deze bij de vaststelling van het plan niet volledig is overgenomen of indien en voor zover de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, anders dan op grond van zienswijzen van het college. Gelet op het voorgaande dient het college in de zienswijzen duidelijk aan te geven op welke onderdelen de raad het plan bij de vaststelling dient te wijzigen ten opzichte van het ontwerp om een reactieve aanwijzing te voorkomen.

4.6. De Afdeling stelt vast dat het college de bedrijfsbestemming op het perceel [locatie B] in zijn zienswijze tegen het ontwerpplan, waarin het thema niet-agrarische bestemmingen is genoemd, niet als een bestreden onderdeel van het plan heeft benoemd. Het gemeentebestuur heeft daarentegen onweersproken gesteld dat het perceel in de Retrospectieve toets in de ontwerpfase is opgenomen. Onder deze omstandigheden heeft het college in de ontwerpfase kunnen beoordelen of de bedrijfsbestemming op het betreffende perceel provinciale belangen schaadt. Gelet hierop en nu het ontwerpplan voor meer percelen voorzag in een niet-agrarische bestemming, is het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat het plan in zoverre ten onrechte voorziet in de nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf naar het oordeel van de Afdeling niet te herleiden tot de zienswijze. Voorts is het plan, wat betreft het perceel [locatie B], bij de vaststelling niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan.

4.7. Gelet op het voorgaande is het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 4] is geheel en het beroep van het gemeentebestuur is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij reactieve aanwijzingen zijn gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel [locatie B] en de bij artikel 5, lid 5.1, van de planregels opgenomen tabel 6.1.2, voor zover het betreft het timmerbedrijf voor het perceel [locatie B] met een oppervlakte van 1.470 m² aan bedrijfsgebouwen, dient te worden vernietigd.

Zorgwoning [locatie C]

5. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot de aanduiding "zw" op het perceel [locatie C].

5.1. In het plan is aan dit perceel de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" toegekend. Aan een gedeelte van dit perceel, met een omvang van ongeveer 15 m², is de aanduiding "zw" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder i, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor een zorgwoning ter plaatse van de aanduiding "sa-zw".

5.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot de aanduiding "zw" op het perceel [locatie C] ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre in strijd is met artikel 11.1, eerste lid, onder a, van de Verordening 2011, op grond waarvan een bestemmingsplan regels stelt ter voorkoming van nieuwbouw van zelfstandige woningen. Het plan biedt onvoldoende waarborgen dat deze zorgwoning als tijdelijke zorgwoning fungeert. Voorts is de ontwikkeling, indien het plan wel voldoende waarborgen zou bevatten dat in een zorgwoning zou worden voorzien, in strijd met de artikelen 11.6 en 11.8 van de Verordening 2011, op grond waarvan niet-agrarische ontwikkelingen, zoals een zorgwoning, niet zijn toegestaan in een landbouwontwikkelingsgebied. Voorts is de ontwikkeling in strijd met de artikelen 2.2 en 9.4 van de Verordening 2011.

5.3. [appellant sub 5] betoogt dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen concrete zienswijze naar voren heeft gebracht.

5.4. Het college heeft zich in het bestreden besluit, zoals toegelicht in de brief van 17 juli 2013, op het standpunt gesteld dat met betrekking tot de aanduiding "zorgwoning" op het perceel [locatie C] niet een zienswijze is ingediend, maar dat de reactieve aanwijzing in zoverre is gebaseerd op een gewijzigd vastgesteld planonderdeel. Het plan is, wat betreft het perceel [locatie C], bij de vaststelling weliswaar gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerpplan, maar deze wijziging behelst een aanzienlijke verkleining van de omvang van het oppervlak waaraan de aanduiding "zorgwoning" op het perceel [locatie C] is toegekend. De reactieve aanwijzing is echter niet gegeven met het oog op deze verkleining, maar heeft betrekking op de eveneens in het ontwerp van het plan toegestane zorgwoning als zodanig.

5.5. Gelet op het voorgaande is het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 5] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de aanduiding "zw" op het perceel [locatie C], dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 5] geen bespreking meer.

Zorgboerderij

6. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot de afwijkingsbevoegdheid voor het uitoefenen van een zorgboerderij als nevenactiviteit zoals opgenomen in artikel 4, lid 4.5, onder 4.5.1, onder b, van de planregels.

6.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder h, van de planregels, zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor een zorgboerderij ter plaatse van de aanduiding "sa-zbo".

Ingevolge lid 4.5, onder 4.5.1, aanhef en onder b, kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.1 ten behoeve van het uitoefenen van een zorgboerderij als nevenactiviteit bij een in bedrijf zijnd agrarisch bedrijf, waarbij de oppervlakte aan bebouwing welke wordt aangewend voor een zorgboerderij per bestemmingsvlak niet meer dan 40% van het oppervlak aan gebouwen mag bedragen, met dien verstande dat het maximale oppervlak niet meer mag bedragen dan 400 m².

6.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot de afwijkingsbevoegdheid voor het uitoefenen van een zorgboerderij als nevenactiviteit van het agrarische bedrijf ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre in strijd is met Hoofdstuk 11 van de Verordening 2011. Artikel 11.6, eerste lid, van de Verordening 2011 sluit niet-agrarische ontwikkelingen uit in een landbouwontwikkelingsgebied en op grond van artikel 11.8 van de Verordening 2011, dat specifiek van toepassing is op maatschappelijke voorzieningen als een zorgboerderij, is een zorgboerderij evenmin toegestaan in een landbouwontwikkelingsgebied. De ontwikkeling is eveneens in strijd met artikel 9.4 van de Verordening 2011.

6.3. Het gemeentebestuur betoogt dat artikel 11.6 van de Verordening 2011 de mogelijkheid van zorgvoorzieningen in landbouwontwikkelingsgebieden niet expliciet uitsluit. Een zorgvoorziening kan niet als een maatschappelijke voorziening als bedoeld in de Verordening 2011 worden aangemerkt, nu een dergelijke voorziening, anders dan bijvoorbeeld een school, past in een landbouwontwikkelingsgebied. Indien het college een zorgvoorziening in een landbouwontwikkelingsgebied had willen uitsluiten, had dit volgens het gemeentebestuur expliciet uit de Verordening 2011 moeten blijken. Bovendien is een zorgboerderij slechts als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf toegestaan.

6.4. Ingevolge artikel 1.1, onder 6, van de Verordening 2011 wordt in deze verordening verstaan onder agrarisch gebied: gebied waar ontwikkelingsmogelijkheden zijn voor agrarische bedrijven.

Ingevolge het bepaalde onder 51, wordt onder maatschappelijke voorziening verstaan: educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorziening.

Ingevolge artikel 11.6, eerste lid, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied, voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, anders dan bepaald in de artikelen 11.1 tot en met 11.5, mits het voldoet aan de hierin gestelde voorwaarden.

Ingevolge artikel 11.8, eerste lid, kan in afwijking van artikel 11.6, eerste lid, een bestemmingsplan dat is gelegen in een agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied, voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een maatschappelijke voorziening, onder de daarin opgenomen voorwaarden.

6.5. Hoofdstuk 8 van de Verordening 2011 bevat regels die van toepassing zijn op agrarisch gebied. Mede gelet op de definitie van agrarisch gebied zoals opgenomen in artikel 1.1, onder 6, van de Verordening 2011, zijn de algemene regels voor dit gebied zoals opgenomen in Hoofdstuk 8 gericht op ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven. Gelet hierop zijn niet-agrarische ontwikkelingen als bedoeld in Hoofdstuk 11 van de Verordening 2011 in agrarisch gebied alleen toegestaan als dit uitdrukkelijk in dit hoofdstuk is bepaald.

Het plan voorziet bij afwijkingsbevoegdheid in de mogelijkheid om binnen de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" een zorgboerderij als nevenactiviteit op te richten. Een zodanige ontwikkeling moet worden aangemerkt als een niet-agrarische ontwikkeling als bedoeld in Hoofdstuk 11 van de Verordening 2011. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college een zorgboerderij in redelijkheid kunnen aanmerken als een maatschappelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1, onder 51 van de Verordening 2011. Artikel 11.8, eerste lid, van de Verordening 2011 staat een maatschappelijke voorziening alleen in agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied toe, waarbij het onderscheid tussen hoofd- en nevenactiviteiten niet van belang is. Gelet op de systematiek van de Verordening 2011 is derhalve geen zorgboerderij in een landbouwontwikkelingsgebied toegestaan.

6.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van het gemeentebestuur in zoverre ongegrond.

Mestbewerkings- en -verwerkingsinstallaties

7. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot de afwijkingsbevoegdheid voor het oprichten van mestbewerkings- en -verwerkingsinstallaties tot een maximale capaciteit van 25.000 ton per jaar zoals opgenomen in artikel 4, lid 4.5, onder 4.5.1, onder c, onder 2, van de planregels.

7.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels, zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven.

Ingevolge lid 4.5, onder 4.5.1, aanhef en onder c, onder 2, kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.1 voor verbrede landbouw en nevenactiviteiten, waaronder mestbewerkings- en -verwerkingsinstallaties tot een maximale capaciteit van 25.000 ton per jaar.

7.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot de afwijkingsbevoegdheid voor het oprichten van mestbewerkings- en -verwerkingsinstallaties bij een agrarisch bedrijf ten grondslag gelegd dat het plan, voor zover het bewerking en verwerking van mest betreft die niet afkomstig is van het eigen bedrijf, in strijd is met artikel 11.6, eerste lid, van de Verordening 2011. Op grond van die bepaling zijn niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen, hetgeen volgens het college aan de orde is bij bewerking en verwerking van mest die niet afkomstig is van het eigen bedrijf, niet toegestaan in een landbouwontwikkelingsgebied. Nu mestbewerking volgens de begripsbepalingen nadrukkelijk niet wordt aangemerkt als agrarisch-verwante of agrarisch-technische bedrijvigheid, zijn de specifieke regels voor die typen bedrijven in artikel 11.7 van de Verordening 2011 niet van toepassing. Dergelijke activiteiten zijn eveneens in strijd met artikel 9.4 van de Verordening 2011.

7.3. ZLTO voert als algemeen bezwaar aan dat het college de bevoegdheid tot het geven van een reactieve aanwijzing in strijd met het incidentele karakter daarvan heeft ingezet en dat het college ook beroep tegen het bestemmingsplan had kunnen instellen.

7.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 oktober 2010 in zaak nr. 200910210/1/R1) maakt het feit dat het college ook beroep had kunnen instellen niet dat daarmee zijn vrijheid om te kiezen voor het geven van een reactieve aanwijzing is beperkt. Dat het college in dit geval zijn bevoegdheid tot het geven van een reactieve aanwijzing meer dan incidenteel zou hebben ingezet, is niet van belang, nu het hier vastgestelde algemene regels betreft. Gelet hierop is er geen grond voor het oordeel dat het college om die reden geen gebruik had mogen maken van de bevoegdheid tot het geven van een reactieve aanwijzing.

7.4. Het gemeentebestuur en ZLTO betogen dat de reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hiertoe voert het gemeentebestuur aan dat bedrijven collectief de mogelijkheid moeten krijgen om met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid mestbewerkings- en -verwerkingsinstallaties te exploiteren. De in het plan maximaal toegestane capaciteit van een mestbewerkingsinstallatie van 25.000 ton per jaar is gelijk aan de maximaal toegestane capaciteit daarvan in het reconstructieplan.

ZLTO voert aan dat mestbewerking of -verwerking een agrarisch verwante of agrarisch-technische activiteit is, ook al is het niet uitdrukkelijk opgenomen in de definitie in artikel 1.1 van de Verordening 2011. Juist in landbouwontwikkelingsgebieden is deze activiteit passend.

7.4.1. Voor een weergave van de artikelen 1.1, onder 6, en 11.6, eerste lid, van de Verordening 2011 wordt verwezen naar 6.4.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 7, van de Verordening 2011, wordt onder agrarisch-technisch hulpbedrijf verstaan: bedrijf waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, tuin-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking.

Ingevolge het bepaalde onder 8 wordt onder agrarisch verwant bedrijf verstaan: bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking.

Ingevolge artikel 9.4, eerste lid, aanhef en onder f, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied dat de bouw van een voorziening voor het opwekken van duurzame energie door middel van biomassavergisting ten behoeve van een agrarisch bedrijf is toegestaan.

Ingevolge artikel 11.7, eerste lid, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een agrarisch-technisch hulpbedrijf, een agrarisch verwant bedrijf of een bedrijf dat geheel of in overwegende mate is gericht op het opwekken van duurzame energie door middel van biomassavergisting, mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 1,5 ha en mits de toelichting een verantwoording bevat.

7.4.2. Hoofdstuk 8 van de Verordening 2011 bevat regels die van toepassing zijn op agrarisch gebied. Mede gelet op de definitie van agrarisch gebied zoals opgenomen in artikel 1.1, onder 6, van de Verordening 2011, zijn de algemene regels voor dit gebied zoals opgenomen in Hoofdstuk 8 gericht op ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven. Gelet hierop zijn niet-agrarische ontwikkelingen als bedoeld in Hoofdstuk 11 van de Verordening 2011 in agrarisch gebied alleen toegestaan als dit uitdrukkelijk in dit hoofdstuk is bepaald.

Het plan voorziet bij afwijkingsbevoegdheid in de mogelijkheid om binnen de bouwvlakken met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" mestbewerkings- en -verwerkingsinstallaties tot een maximale capaciteit van 25.000 ton per jaar op te richten. Het plan staat in zoverre niet in de weg aan mestbewerkings- en -verwerkingsinstallaties ten behoeve van het bewerken en verwerken van mest van derden. Een zodanige ontwikkeling moeten worden aangemerkt als een niet-agrarische ontwikkeling als bedoeld in Hoofdstuk 11 van de Verordening 2011. Ingevolge de artikelen 11.6 en 11.7 van de Verordening 2011 zijn niet-agrarische ontwikkelingen in een landbouwontwikkelingsgebied slechts toegestaan in de vorm van een zogeheten VAB-vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf, een agrarisch verwant bedrijf of een bedrijf dat geheel of in overwegende mate is gericht op het opwekken van duurzame energie door middel van biomassavergisting. Niet in geschil is dat laatstgenoemde bedrijfsvorm hier niet aan de orde is. Het betoog van ZLTO dat een mestbewerkings- of -verwerkingsbedrijf dient te worden aangemerkt als een agrarisch-technisch hulpbedrijf of agrarisch verwant bedrijf als bedoeld in artikel 11.7 van de Verordening 2011 kan niet worden gevolgd, omdat mestbewerking uitdrukkelijk is uitgezonderd in de definities in artikel 1.1, onder 7 en 8 van de Verordening 2011. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 maart 2013 in zaak nr. 201200119/1/R3) is een mestverwerkingsbedrijf een productiegericht bedrijf, terwijl een agrarisch-technisch hulpbedrijf en een agrarisch verwant bedrijf dienstverlenende bedrijven zijn. Gelet op de systematiek van de Verordening 2011 zijn derhalve geen mestbewerkings- en -verwerkingsinstallaties ten behoeve van het bewerken en verwerken van mest van derden in een landbouwontwikkelingsgebied toegestaan. Dat de maximaal toegestane capaciteit van 25.000 ton per jaar in overeenstemming met het reconstructieplan in het plan is overgenomen maakt dat niet anders, nu dat onderdeel van het reconstructieplan niet is vertaald in de algemene regels in de Verordening 2011.

7.5. Gelet op het voorgaande is het beroep van ZLTO geheel en het beroep van het gemeentebestuur in zoverre ongegrond.

Schuilgelegenheden

8. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot de afwijkingsbevoegdheid voor schuilgelegenheden zoals opgenomen in artikel 3, lid 3.3, onder 2, van de planregels.

8.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.2, van de planregels, is op de gronden met de bestemming "Agrarisch" het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde niet toegestaan, met uitzondering van de in dit artikel genoemde voorbeelden.

Ingevolge lid 3.3, aanhef en onder 2, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2, onder 3.2.2, voor de bouw van schuilgelegenheden, waarbij moet worden voldaan aan de hierin opgenomen voorwaarden.

8.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot schuilgelegenheden ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre in strijd is met de artikelen 2.1, tweede lid, onder a, en 8.3, eerste lid, onder d, van de Verordening 2011, op grond waarvan bebouwing binnen een bouwblok dient te worden geconcentreerd. Voorts kan de in artikel 9.4 van de Verordening 2011 gestelde maximum omvang van een bouwblok voor een intensieve veehouderij door het toelaten van bouwwerken buiten het bouwblok worden overschreden.

8.3. Het gemeentebestuur betoogt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2011, in zaak nr. 200907617/1/R3, waarin een beroep tegen een reactieve aanwijzing met betrekking tot het toestaan van schuilgelegenheden gegrond is verklaard, dat deze aanwijzing ten onrechte is gegeven.

8.4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Verordening 2011 draagt een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. De toelichting bij dat plan bevat daaromtrent een verantwoording.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, houdt het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval in dat ingeval van vestiging van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is verzekerd dat gebruik wordt gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwblok waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken toestaat, behoudens ingeval in deze verordening anders is bepaald.

Ingevolge artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder d, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een agrarisch gebied dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken, en andere permanente voorzieningen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf worden geconcentreerd in een bouwblok.

8.5. De Afdeling heeft in voornoemde uitspraak van 19 oktober 2011 het besluit van het college, voor zover daarbij ten aanzien van het op 16 juli 2009 door de raad van de gemeente Baarle-Nassau vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2008" een reactieve aanwijzing is gegeven voor de regeling met betrekking tot het toestaan van schuilgelegenheden, vernietigd. Het aan die reactieve aanwijzing ten grondslag liggende beleid was volgens het college vervat in het uitgangspunt van zuinig ruimtegebruik als bedoeld in artikel 2.1 van de na vaststelling van het bestemmingsplan in werking getreden Verordening 2011. Met de bepaling in dat artikel was de regeling met betrekking tot het toestaan van schuilgelegenheden naar het oordeel van de Afdeling echter niet in strijd.

De thans gegeven reactieve aanwijzing is mede gebaseerd op artikel 8.3, eerste lid, van de Verordening 2011. Omdat de plandelen met de bestemming "Agrarisch" niet zijn voorzien van bouwvlakken, volgt daaruit dat de planregel waarop de reactieve aanwijzing betrekking heeft in strijd is met artikel 8.3, eerste lid, van de Verordening 2011.

8.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van het gemeentebestuur in zoverre ongegrond.

Perceel [locatie D]

9. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad reactieve aanwijzingen gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Horeca" aan het plandeel voor het perceel [locatie D] en artikel 8 van de planregels. Bij het bestreden besluit heeft het college daarnaast aan de raad een afzonderlijke reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot de wijzigingsbevoegdheid van de bestemming "Horeca" naar de bestemming "Wonen" zoals opgenomen in artikel 8, lid 8.5, onder 8.5.1, van de planregels.

9.1. In het plan is aan het plandeel voor [locatie D] de bestemming "Horeca" en een bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, onder a, van de planregels, zijn de voor "Horeca" aangewezen gronden bestemd voor horecadoeleinden met bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge lid 8.5, onder 8.5.1, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Horeca" te wijzigen in de bestemming "Wonen", waarbij ten behoeve van een VAB-vestiging na bedrijfsbeëindiging de verbouw of het gebruik van de bedrijfswoning voor woondoeleinden kan worden toegestaan, waarbij de hierin opgenomen bepalingen gelden.

9.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzingen met betrekking tot het perceel [locatie D] ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre in strijd is met Hoofdstuk 11 van de Verordening 2011. Artikel 11.6, eerste lid, van de Verordening 2011 sluit niet-agrarische ontwikkelingen uit in een landbouwontwikkelingsgebied en op grond van artikel 11.8 van de Verordening 2011, dat specifiek van toepassing is op horecabedrijven, is een horecabedrijf evenmin toegestaan in een landbouwontwikkelingsgebied. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot artikel 8, lid 8.5, onder 8.5.1, van de planregels ten grondslag gelegd dat ten onrechte niet is voorzien in de vereiste kwaliteitsverbetering als bedoeld in artikel 2.2 van de Verordening 2011.

9.3. Het gemeentebestuur betoogt dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen concrete zienswijze naar voren heeft gebracht.

9.3.1. De Afdeling stelt vast, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.5, dat het college de bestemming "Horeca" op het perceel [locatie D] in zijn zienswijze tegen het ontwerpplan, waarin het thema horeca is genoemd, niet als een te wijzigen onderdeel van het plan heeft benoemd. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat het plan in zoverre ten onrechte voorziet in de nieuwvestiging van een horecavoorziening is naar het oordeel van de Afdeling evenwel te herleiden tot de zienswijze met betrekking tot het thema horeca, nu in het ontwerpplan alleen aan het perceel [locatie D] een horecabestemming was toegekend. Onder deze omstandigheden heeft het college in de zienswijze naar het oordeel van de Afdeling duidelijk te kennen gegeven welk onderdeel van het plan de raad bij de vaststelling diende te wijzigen ten opzichte van het ontwerp om een reactieve aanwijzing te voorkomen. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro.

9.4. Het gemeentebestuur betoogt dat de bestaande situatie, waarvoor in 2006 een drank- en horecavergunning, een gebruiksvergunning en een exploitatievergunning zijn verleend, als zodanig dient te worden bestemd. Er bestaat volgens het gemeentebestuur geen goed alternatief. Het gemeentebestuur betoogt voorts dat de wijzigingsbevoegdheid per definitie resulteert in een kwaliteitsverbetering voor het landschap.

9.4.1. Voor een weergave van artikel 1.1, onder 6, artikel 11.6 en artikel 11.8, eerste lid, van de Verordening 2011 wordt verwezen naar 6.4.

9.4.2. Hoofdstuk 8 van de Verordening 2011 bevat regels die van toepassing zijn op agrarisch gebied. Mede gelet op de definitie van agrarisch gebied zoals opgenomen in artikel 1.1, onder 6, van de Verordening 2011, zijn de algemene regels voor dit gebied zoals opgenomen in Hoofdstuk 8 gericht op ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven. Gelet hierop zijn niet-agrarische ontwikkelingen als bedoeld in Hoofdstuk 11 van de Verordening 2011 in agrarisch gebied alleen toegestaan als dit uitdrukkelijk in dit hoofdstuk is bepaald.

Het plan voorziet met de bestemming "Horeca" op het perceel [locatie D] in een horecabedrijf. Een zodanige ontwikkeling moet worden aangemerkt als een niet-agrarische ontwikkeling als bedoeld in Hoofdstuk 11 van de Verordening 2011. De in artikel 11.8 van de Verordening 2011, welke bepaling specifiek van toepassing is op horecabedrijven, opgenomen mogelijkheden voor horecabedrijven zijn enkel toegestaan in agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied. Gelet op de systematiek van de Verordening 2011 is derhalve geen horecabedrijf in een landbouwontwikkelingsgebied toegestaan.

9.4.3. Dat voor dit horecabedrijf een drank- en horecavergunning, gebruiksvergunning en exploitatievergunning zijn verleend leidt niet tot het oordeel dat het college, naar de Afdeling het betoog van het gemeentebestuur begrijpt, een uitzondering had kunnen en moeten maken voor deze concrete situatie. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat voor de oprichting van het horecabedrijf een bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning voor bouwen) is verleend of dat op andere wijze voor het gebruik van het perceel voor een horecabedrijf planologische toestemming is verleend.

9.5. Gelet op het voorgaande behoeft de beroepsgrond met betrekking tot de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 8, lid 8.5, onder 8.5.1, van de planregels geen bespreking.

9.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van het gemeentebestuur in zoverre ongegrond.

Wijzigingsbevoegdheid van de bestemming "Sport-manege" naar de bestemming "Wonen"

10. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot de wijzigingsbevoegdheid van de bestemming "Sport - manege" naar de bestemming "Wonen" zoals opgenomen in artikel 10, lid 10.5, onder 10.5.1, van de planregels.

10.1. De Afdeling stelt vast dat aan één perceel in het plan de bestemming "Sport ¬- manege" is toegekend. Aan dit perceel is tevens de aanduiding "bedrijfswoning" en een bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 10, lid 10.2, onder 10.2.1, aanhef en onder b, van de planregels, mag het bestemmingsvlak met de bestemming "Sport - manege" worden bebouwd tot een oppervlakte van maximaal 1.587 m², met dien verstande dat de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd niet minder mag bedragen dan 15 m. De oppervlakte is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken.

Ingevolge lid 10.5, onder 10.5.1, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Sport - manege" te wijzigen in de bestemming "Wonen" waarbij ten behoeve van een VAB-vestiging na bedrijfsbeëindiging de verbouw of het gebruik van de bedrijfswoning voor woondoeleinden kan worden toegestaan, waarbij de volgende bepalingen gelden:

a. de bevoegdheid kan uitsluitend worden toegepast als sprake is van afbraak van overtollige bedrijfsbebouwing. Daarbij geldt dat de benodigde afbraak in voldoende mate moet zijn zeker gesteld;

(…);

c. Het maximaal toegestane gezamenlijke oppervlak van de bijbehorende bouwwerken na afbraak mag niet meer bedragen dan 200 m²;

(…).

10.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot de wijzigingsbevoegdheid ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre in strijd is met de artikelen 2.1 en 2.2 van de Verordening 2011. Volgens het college geven de voorwaarden voor de wijzigingsbevoegdheid in artikel 10, lid 10.5, onder 10.5.1, van de planregels onvoldoende invulling aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik en de vereiste kwaliteitsverbetering.

10.3. Het gemeentebestuur betoogt dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen concrete zienswijze naar voren heeft gebracht.

10.3.1. De Afdeling stelt vast, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.5, dat het college de wijzigingsbevoegdheid van de bestemming "Sport - manege" naar de bestemming "Wonen" zoals opgenomen in artikel 10, lid 10.5, onder 10.5.1, van de planregels in zijn zienswijze tegen het ontwerpplan, waarin het thema omzetting van de bestemming "Sport - manege" naar de bestemming "Wonen" is genoemd, als zodanig heeft bestreden. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro.

10.4. Het gemeentebestuur betoogt dat de kwaliteitsverbetering wordt gewaarborgd door de voorwaarde van sloop van overtollige bedrijfsbebouwing die is opgenomen als voorwaarde voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid. De wijzigingsbevoegdheid resulteert volgens het gemeentebestuur per definitie in een kwaliteitsverbetering voor het landschap.

10.4.1. Voor een weergave van artikel 2.1, eerste en tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2011 wordt verwezen naar 8.4.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, bevat de toelichting bij een bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, een verantwoording van de wijze waarop financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiele kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft of van het gebied waarvan de gemeente de voorgenomen ontwikkeling in de hoofdlijnen heeft beschreven.

Ingevolge het derde lid, onder e, kan de in het eerste lid bedoelde verbetering mede betreffen het slopen van bebouwing.

10.4.2. De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsvlak met de bestemming "Sport - manege" een omvang heeft van ongeveer 17,5 ha. Het bestemmingsvlak mag worden bebouwd tot een oppervlakte van maximaal 1.587 m², exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende bouwwerken, op een minimale afstand van 15 m tot de as van de weg. Gelet op de in artikel 10, lid 10.5, onder 10.5.1, van de planregels opgenomen voorwaarden voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid kan het college niet worden gevolgd in het standpunt dat met deze bepaling onvoldoende invulling wordt gegeven aan de vereiste kwaliteitsverbetering als bedoeld in artikel 2.2 van de Verordening 2011. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het plan niet bij recht maar bij wijzigingsbevoegdheid voorziet in de mogelijkheid om de bedrijfswoning, die binnen het bestemmingsvlak met de bestemming "Sport - manege" dient te worden opgericht, als burgerwoning te bewonen, waaraan onder meer de voorwaarde is gesteld dat overtollige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en het maximaal toegestane gezamenlijke oppervlak van de bijbehorende bouwwerken na afbraak niet meer dan 200 m² mag bedragen. Gelet op artikel 13, lid 13.2, onder 13.2.3, onder e, van de planregels, dat verplicht tot concentratie van de bijbehorende bouwwerken binnen de bestemming "Wonen", kan het college evenmin worden gevolgd in het standpunt dat onvoldoende invulling wordt gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het college heeft ondeugdelijk gemotiveerd dat provinciale belangen door de planregeling onvoldoende worden gewaarborgd.

10.5. Gelet op het voorgaande is het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van het gemeentebestuur is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de wijzigingsbevoegdheid van de bestemming "Sport - manege" naar de bestemming "Wonen" zoals opgenomen in artikel 10, lid 10.5, onder 10.5.1, van de planregels, dient te worden vernietigd.

Slotoverwegingen

11. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient de raad het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel [locatie B] en de bij artikel 5, lid 5.1, van de planregels opgenomen tabel 6.1.2, voor zover het betreft het timmerbedrijf voor het perceel [locatie B] met een oppervlakte van 1.470 m² aan bedrijfsgebouwen, de aanduiding "zw" op het perceel [locatie C] en de wijzigingsbevoegdheid van de bestemming "Sport - manege" naar de bestemming "Wonen" zoals opgenomen in artikel 10, lid 10.5, onder 10.5.1, van de planregels, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

12. Het college dient ten aanzien van de beroepen van het gemeentebestuur, [appellant sub 4] en [appellant sub 5] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de overige appellanten bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau gedeeltelijk en de beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 5] geheel gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 20 december 2011, kenmerk C2057374/2857178, voor zover daarbij ten aanzien van het op 21 november 2011 door de raad van de gemeente Baarle-Nassau vastgestelde bestemmingsplan "Landbouwontwikkelingsgebied Oostflank" reactieve aanwijzingen zijn gegeven met betrekking tot:

- het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel [locatie B] en de bij artikel 5, lid 5.1, van de planregels opgenomen tabel 6.1.2, voor zover het betreft het timmerbedrijf voor het perceel [locatie B] met een oppervlakte van 1.470 m² aan bedrijfsgebouwen;

- de aanduiding "zw" op het perceel [locatie C];

- de wijzigingsbevoegdheid van de bestemming "Sport - manege" naar de bestemming "Wonen" zoals opgenomen in artikel 10, lid 10.5, onder 10.5.1, van de planregels;

III. verklaart het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau voor het overige en de beroepen van [appellant sub 3] en de vereniging Afdeling Baarle-Nassau - Ulicoten van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie geheel ongegrond;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten als volgt:

- aan het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan [appellant sub 4] een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan [appellant sub 5] een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht als volgt vergoedt:

- aan het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau een bedrag van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro);

- aan [appellant sub 4] een bedrag van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro);

- aan [appellant sub 5] een bedrag van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro).

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Kegge

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2013

350-709.