Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1178

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2013
Datum publicatie
18-09-2013
Zaaknummer
201300420/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:6897, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2010 heeft het college aan Indoorski Uden ontheffing en reguliere bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een sportcentrum tot een indoor skicentrum met twee skibanen op het perceel Liessentstraat 16f te Volkel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 2.23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2013/6038
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6270
JOM 2013/700
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300420/1/A1.

Datum uitspraak: 18 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Volkel, gemeente Uden,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 juli 2012 en de uitspraak van 16 november 2012 in zaak nr. 10/4176 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Uden.

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2010 heeft het college aan Indoorski Uden ontheffing en reguliere bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een sportcentrum tot een indoor skicentrum met twee skibanen op het perceel Liessentstraat 16f te Volkel.

Bij tussenuitspraak van 9 juli 2012 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 22 november 2010 te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak, [appellante] in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak te reageren op het akoestisch rapport van 9 november 2011 en iedere verdere beslissing aangehouden. Deze uitspraak is aangehecht.

[appellante] heeft gereageerd op het akoestisch rapport. Het college heeft een nadere motivering gegeven van het besluit van 22 november 2010.

Bij uitspraak van 16 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 22 november 2010 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak en de daaraan voorafgaande tussenuitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2013, waar het college, vertegenwoordigd door drs. J. Heijmans, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is ter zitting Indoorski, vertegenwoordigd door T. Smit en T. Smit, gehoord.

Overwegingen

1. Het perceel heeft ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Industriepark Loopkant-Liessent 1985" de bestemming "Eengezinshuizen in open bebouwing, met bijbehorende erven" met de aanduiding "kleine bedrijven toegestaan". Het gebruik van het perceel voor een indoor skicentrum is in strijd met het bestemmingsplan. Om realisering daarvan mogelijk te maken, heeft het college ontheffing verleend als bedoeld in artikel 3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 22 november 2010 in stand heeft gelaten. Daartoe voert zij aan dat het gebruik van het perceel voor een indoor skicentrum geluidoverlast veroorzaakt. In dat verband stelt zij dat de rechtbank het akoestisch rapport van 9 november 2011 dat is opgesteld door Amitec B.V. (hierna: het akoestisch rapport) niet bij de beoordeling mocht betrekken, dan wel dat de rechtbank gemotiveerd in had behoren te gaan op haar redenen om geen toestemming te verlenen voor een inpandig onderzoek. Voorts voert zij aan dat de rechtbank het door haar aangevoerde over trillinghinder ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Verder voert zij aan dat een privaatrechtelijke belemmering aan het verlenen van ontheffing in de weg staat.

2.1. De toepassing van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht na vernietiging van een besluit, houdt in dat de rechtbank - in de plaats van het college - beoordeelt of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven en een nieuw besluit van het college niet nodig is. Dit betekent dat de rechtbank bij haar oordeel terecht is uitgegaan van de feiten en omstandigheden op het moment van de uitspraak en dat, anders dan [appellante] betoogt, de rechtbank het akoestisch rapport bij haar oordeel kon betrekken. Geen grond is voorts aanwezig voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de redenen van [appellante] om geen toestemming te verlenen voor het uitvoeren van een inpandig onderzoek. In dat verband is van belang dat de rechtbank heeft overwogen dat [appellante] bij het verlenen van toestemming niet mocht verlangen dat het onderzoek onder de juiste omstandigheden zou worden verricht.

In het door [appellante] aangevoerde over trillinghinder worden geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onder verwijzing naar het akoestisch rapport onvoldoende heeft gemotiveerd dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit). Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ingevolge artikel 2.23, tweede lid, van het Activiteitenbesluit geen waarden gelden ten aanzien van trillingsterkte indien de gebruiker van de geluidsgevoelige ruimten of verblijfsruimten geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van trillingmetingen. Vast staat dat [appellante] tweemaal is verzocht om toegang tot de woning te verschaffen teneinde metingen te verrichten en dat zij geen toegang tot de woning heeft verschaft. De stelling van [appellante] dat zij ten onrechte niet is geïnformeerd over de gevolgen van het weigeren van die toestemming, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders. Het had op de weg van [appellante] gelegen om te informeren naar de eventuele gevolgen van het weigeren van toestemming, waarbij zij voorts haar gemachtigde had kunnen consulteren.

De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat geen evident privaatrechtelijke belemmering aanwezig is die aan de verlening van ontheffing in de weg staat. Het college heeft in het verweerschrift bij de rechtbank en ter zitting van de rechtbank ondubbelzinnig en zonder voorbehoud verklaard dat het geen enkele aanspraak meer doet of zal doen op het kettingbeding dat is overeengekomen tussen het college en de rechtsvoorganger van [appellante].

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraken van de rechtbank dienen, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraken van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2013

531-672.