Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1172

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2013
Datum publicatie
18-09-2013
Zaaknummer
201113132/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Drechterland Noord 2011" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 2.17
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 2.18
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6267
JOM 2013/699
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201113132/1/R1.

Datum uitspraak: 18 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Hoogkarspel, gemeente Drechterland,

2. [appellant sub 2], wonend te Oosterblokker, gemeente Drechterland,

3. [appellanten sub 3] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), wonend te Westwoud, gemeente Drechterland,

en

de raad van de gemeente Drechterland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Drechterland Noord 2011" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2012, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. J.P. Groen, advocaat te Hoorn, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. M.H. Bakker, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. G.G. Kranendonk, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door J. van den Bos, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Op de zitting van 4 juli 2012 is tevens het beroep van P.S.J. Deken en C.M. Deken behandeld. De Afdeling heeft vervolgens hun beroep onder zaak nr. 201113132/2/R1 afgesplitst van de overige beroepen.

Bij tussenuitspraak van 17 oktober 2012, nr. 201113132/1/T1/R1, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij tussenuitspraak van 19 februari 2013, nr. 201113132/1/T2/R1, heeft de Afdeling de termijn voor het herstellen van de gebreken verlengd met vier weken. Deze tussenuitspraak is eveneens aangehecht.

De raad heeft bij brief, verzonden op 27 maart 2013, te kennen gegeven dat hij bij besluit van 25 maart 2013 het bestemmingsplan op drie punten gewijzigd heeft vastgesteld en voorts het besluit van 24 oktober 2011 heeft voorzien van een nadere motivering. Daarmee zijn de gebreken in het besluit van 24 oktober 2011 hersteld, aldus de raad.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Beroepen van rechtswege

1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

1.1. De Afdeling merkt het besluit van 25 maart 2013, waarbij het besluit van 24 oktober 2011 is gewijzigd, aan als besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Niet in geschil is dat [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] belang hebben bij de beoordeling van dat besluit. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb zijn de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] dan ook van rechtswege mede gericht tegen het besluit van 25 maart 2013.

Het beroep van [appellant sub 1]

2. Naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 1] heeft de Afdeling in de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 24 oktober 2011, voor zover ten aanzien van het perceel De Gouw 69 te Hoogkarspel niet is voorzien in persoonsgebonden overgangsrecht, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 1] in zoverre gegrond, zodat het besluit van 24 oktober 2011 op dit punt dient te worden vernietigd.

2.1. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] voor het overige heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening en evenmin voor het oordeel dat het besluit van 24 oktober 2011 in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 24 oktober 2011 is voor het overige ongegrond.

3. De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak opgedragen, met inachtneming van hetgeen daartoe in die uitspraak is overwogen, het besluit, voor zover dit betrekking heeft op het perceel De Gouw 69 te Hoogkarspel, alsnog toereikend te motiveren, dan wel dat besluit te wijzigen door de vaststelling van een andere planregeling voor dit perceel.

3.1. De raad heeft ter uitvoering van deze in de tussenuitspraak gegeven opdracht aan artikel 52, lid 52.2, van de planregels een nieuwe bepaling onder e. toegevoegd. Deze bepaling bevat een persoonsgebonden overgangsrecht dat gelijk is aan de op 11 januari 2011 door het college van burgemeester en wethouders afgegeven gedoogverklaring, aldus de raad.

3.2. [appellant sub 1] heeft naar aanleiding van het besluit van 25 maart 2013 aangevoerd dat de opdracht aan de raad naar zijn oordeel ook de mogelijkheid bood zijn woning als plattelandswoning te bestemmen.

3.3. In de tussenuitspraak is overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen om het feitelijke gebruik door [appellant sub 1] van zijn woning als burgerwoning, hetgeen strijdig was met het voorgaande bestemmingsplan, in het plan niet als zodanig te bestemmen. Om die reden heeft de raad in het betoog van [appellant sub 1] over het bestemmen van zijn woning als plattelandswoning, wat hiervan ook zij, in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om een andere bestemming toe te kennen.

Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

4. Naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 2] heeft de Afdeling in de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 24 oktober 2011, voor zover dit betrekking heeft op het bouwvlak gelegen binnen de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het perceel Zuiderdracht 29 te Oosterblokker, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 2] in zoverre gegrond, zodat het besluit van 24 oktober 2011, voor zover het dit bouwvlak betreft, dient te worden vernietigd.

4.1. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] voor het overige heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening en evenmin voor het oordeel dat het besluit van 24 oktober 2011 in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 24 oktober 2011 is voor het overige ongegrond.

5. De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak opgedragen, met inachtneming van hetgeen daartoe in die uitspraak is overwogen, het besluit, voor zover dit betrekking heeft op het bouwvlak gelegen binnen de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het perceel Zuiderdracht 29 te Oosterblokker, alsnog toereikend te motiveren, dan wel dat besluit te wijzigen door de vaststelling van een andere planregeling voor dit perceel.

5.1. De raad heeft ter uitvoering van deze in de tussenuitspraak gegeven opdracht het bouwvlak op het agrarische perceel Zuiderdracht 29 verkleind tot het gedeelte dat in het voorgaande bestemmingsplan "Oosterblokker" was bestemd tot "Agrarische Doeleinden I (A)".

5.2. [appellant sub 2] heeft in zijn zienswijze te kennen gegeven dat hij zich met het besluit van 25 maart 2013 op dit punt kan verenigen. Gelet hierop moet het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 2] geacht worden te zijn ingetrokken.

Het beroep van [appellant sub 3]

6. Naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 3] heeft de Afdeling in de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 24 oktober 2011, voor zover dit betrekking heeft op de gronden die gelegen zijn naast dorpshuis 'De Schalm' en waaraan de bestemming "Verkeer (V)" is toegekend, zoals weergegeven op de aan de tussenuitspraak gehechte kaart, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 3] in zoverre gegrond, zodat het besluit van 24 oktober 2011 op dit punt dient te worden vernietigd.

6.1. De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak opgedragen alsnog, met inachtneming van hetgeen daartoe in die uitspraak is overwogen, het besluit, voor zover dit betrekking heeft op de gronden die gelegen zijn naast dorpshuis 'De Schalm' en waaraan de bestemming "Verkeer (V)" is toegekend, zoals weergegeven op de aan de tussenuitspraak gehechte kaart, nader te motiveren waaruit blijkt dat in voldoende parkeergelegenheid voor dorpshuis 'De Schalm' kan worden voorzien, dan wel dat besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling voor deze gronden.

6.2. De raad heeft ter uitvoering van deze in de tussenuitspraak gegeven opdracht aan de gronden van het bestaande parkeerterrein gelegen naast dorpshuis ‘De Schalm’ de bestemming "Verkeer-Verblijf" toegekend, zoals weergegeven op de bij het besluit van 25 maart 2013 gevoegde uitsnede van de verbeelding.

6.3. [appellant sub 3] heeft in zijn zienswijze tegen het besluit van 25 maart 2013 gesteld dat onvoldoende parkeergelegenheid aanwezig is. Hij heeft ter onderbouwing van deze stelling aangevoerd dat het tegenrapport dat hij heeft laten opstellen (zie hierna, onder 7.4.) dit aantoont. In het tegenrapport is echter slechts opgemerkt dat het aantal auto’s van bezoekers, gezien de capaciteit van het parkeerterrein, te laag is ingeschat.

De Afdeling overweegt dat, nu het bestaande parkeerterrein met 32 parkeerplaatsen in het besluit van 25 maart 2013 als zodanig bestemd is, en niet is gebleken dat in de huidige situatie sprake is van parkeerproblemen, de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in voldoende mate in parkeergelegenheid voor bezoekers van het dorpshuis is voorzien. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat het plan aldaar wat betreft horeca niet meer mogelijk maakt dan feitelijk reeds aanwezig is, zodat ook om die reden geen extra parkeerplaatsen gerealiseerd hoefden te worden. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 3] is in zoverre ongegrond.

7. Naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 3] heeft de Afdeling in de tussenuitspraak voorts overwogen dat het besluit van 24 oktober 2011, voor zover dit betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Horeca (H)", voor zover toegekend aan de gronden van dorpshuis 'De Schalm' te Westwoud, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 3] in zoverre gegrond, zodat het besluit van 24 oktober 2011 op dit punt dient te worden vernietigd.

7.1. De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak opgedragen alsnog, met inachtneming van hetgeen daartoe in die uitspraak is overwogen, het besluit, voor zover dit betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Horeca (H)", voor zover toegekend aan de gronden van dorpshuis 'De Schalm' te Westwoud, nader te motiveren zodat inzichtelijk wordt waarom de raad een horecabestemming ter plaatse, met name gezien de korte afstand tot het perceel van [appellant sub 3], aanvaardbaar vindt, en zo nodig de daartoe vereiste onderzoeken uit te voeren teneinde inzicht te verkrijgen in de ruimtelijke effecten, dan wel dat besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling voor deze gronden.

7.2. De raad heeft ter uitvoering van deze in de tussenuitspraak gegeven opdracht door DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. akoestisch onderzoek laten uitvoeren. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport getiteld ‘Akoestisch Onderzoek Dorpshuis De Schalm in Westwoud’, kenmerk M.2012.1418.00.R001, daterend van 29 januari 2013 (hierna: het akoestisch onderzoek). De conclusie van dit onderzoek, waarbij niet alleen aan het Activiteitenbesluit milieubeheer is getoetst maar ook aanvullende akoestische aspecten zijn meegenomen, is dat wat betreft het aspect geluid de horecabestemming voor het dorpshuis aanvaardbaar is.

De bezwaren ten aanzien van wildplassen en roken in de buitenlucht zijn volgens de raad niet ruimtelijk relevant en niet het gevolg van de bestemmingswijziging naar "Horeca (H)". De aanwezigheid van een hoge schutting langs een gedeelte van de openbare weg, te weten langs het parkeerterrein, zoals [appellant sub 3] heeft voorgesteld, voorkomt niet dat overtredingen van de openbare orde kunnen plaatsvinden. Alles overwegend acht de raad het toekennen van een horecabestemming aan het dorpshuis aanvaardbaar.

7.3. De Afdeling zal in het navolgende bezien of deze motivering aanleiding geeft om de rechtsgevolgen van het besluit van 24 oktober 2011, voor zover dit is vernietigd, in stand te laten.

7.4. [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met deze nadere motivering van het besluit van 24 oktober 2011. Hij bestrijdt de juistheid van het akoestisch onderzoek en heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een tegenrapport laten opstellen door LBP Sight, getiteld ‘Dorpshuis De Schalm - contraexpertise akoestisch onderzoek’, kenmerk V071530aa.00001.ac, en gedateerd op 18 april 2013 (hierna: het tegenrapport).

[appellant sub 3] stelt ten eerste dat uit het akoestisch onderzoek volgt dat de maximaal toegestane geluidnormen worden overschreden met 13 dB.

Voorts voert hij onder verwijzing naar het tegenrapport aan dat van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan, zodat de berekende geluidniveaus bij de woningen volgens hem te laag uitkomen. Zo is het geluid vanuit de rookruimte niet onderzocht en is het aantal berekende auto’s van bezoekers op het parkeerterrein waarschijnlijk te laag, gezien de capaciteit van dit terrein. Ook de inschatting van het aantal rokende bezoekers buiten is waarschijnlijk te laag.

7.5. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, geldt voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, een maximale geluidwaarde op de gevel van geluidgevoelige gebouwen van 50 dB(A) voor de dagperiode, 45 dB(A) voor de avondperiode en 40 dB(A) voor de nachtperiode. Voor het maximale geluidniveau LAmax gelden als maximale waarden op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) voor deze perioden.

Ingevolge artikel 2.18, eerste lid, onder a, blijft bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in artikel 2.17, het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, buiten beschouwing, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein.

Ingevolge het tweede lid wordt bij het bepalen van de geluidniveaus bedoeld in artikel 2.17 voor muziekgeluid geen bedrijfsduurcorrectie toegepast.

Ingevolge het derde lid, onder a, blijft bij het bepalen van het maximale geluidsniveau (LAmax), bedoeld in artikel 2.17, het geluid als gevolg van het komen en gaan van bezoekers bij inrichtingen waar uitsluitend of in hoofdzaak horeca-activiteiten plaatsvinden buiten beschouwing.

7.6. Ten aanzien van de gestelde overschrijding met 13 dB overweegt de Afdeling dat in het akoestisch onderzoek in de eerste plaats aan het Activiteitenbesluit milieubeheer is getoetst. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de berekende geluidsniveaus de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau niet overschrijden, zodat in zoverre aan het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt voldaan. Piekgeluiden (LAmax) zijn in dit verband niet onderzocht. Wel wordt gesteld dat in zoverre ruimschoots aan de waarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt voldaan, aangezien het piekgeluid vanwege muziekgeluid en installaties slechts enkele dB’s boven het gemiddelde binnenniveau vanwege muziekgeluid en de geluidsbronvermogens vanwege de installaties uitkomen. Relevante piekgeluiden ontstaan alleen door de akoestisch planologische aspecten, zoals bevoorrading, parkeren en stemgeluid. [appellant sub 3] heeft deze stelling niet betwist.

7.6.1. In het kader van de vraag naar een goede ruimtelijke ordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is wel ingegaan op piekgeluiden. Daarbij is een vergelijking gemaakt met de maximale geluidwaarden die voor inrichtingen zijn voorgeschreven in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor de nachtperiode is een maximaal piekgeluidniveau van 13 dB(A) boven de toetsingswaarde van 60 dB(A) berekend. Dit piekgeluidniveau wordt veroorzaakt door het sluiten van autoportieren. In het akoestisch onderzoek wordt gemotiveerd waarom dit geluidniveau niettemin aanvaardbaar kan worden geacht, te weten omdat het een openbaar parkeerterrein betreft en zodoende niet uitgesloten is dat het piekgeluid veroorzaakt wordt door andere auto’s dan die van bezoekers aan het dorpshuis. Ook wordt verspreid over het terrein geparkeerd en leidt alleen het parkeren in de nabijheid van woningen tot deze hogere geluidwaarde. Wanneer piekgeluiden als gevolg van vrachtwagens (gedurende de dagperiode) en het dichtslaan van autodeuren (gedurende de avond- en de nachtperiode) buiten beschouwing worden gelaten zijn de maximale geluidniveaus vrijwel nergens hoger dan de toetsingswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Waar dit wel het geval is wordt dit veroorzaakt door het stemgeluid van bezoekers. Omdat in het onderzoek is uitgegaan van zeer luid roepen, en het dorpshuis veel aandacht besteedt aan het voorkomen van hinder voor de omwonenden, wordt dit aanvaardbaar geacht, zo vermeldt het akoestisch onderzoek.

7.6.2. De Afdeling overweegt dat [appellant sub 3] terecht opmerkt dat sprake is van een aanzienlijk hoger piekgeluidniveau dan de geluidwaarden die op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer voor inrichtingen zijn voorgeschreven, maar dat de motivering uit het akoestisch onderzoek met betrekking tot de aanvaardbaarheid daarvan in het kader van een goede ruimtelijke ordening niettemin niet onredelijk te achten is.

7.7. Met betrekking tot de betoogde onjuiste uitgangspunten van het akoestisch onderzoek overweegt de Afdeling dat het tegenrapport weliswaar kritisch is over het akoestisch onderzoek, maar dat de in het tegenrapport genoemde kanttekeningen geen aanleiding geven voor het oordeel dat van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. In het tegenrapport wordt, voor zover relevant, gesteld dat de rookruimte gezien de ligging in het pand ten onrechte niet lijkt te zijn meegenomen in het onderzoek, dat het aantal auto’s van bezoekers aan het dorpshuis onwaarschijnlijk laag is gezien de capaciteit van het parkeerterrein en dat het aantal rokers buiten erg laag is ingeschat. Niet wordt vermeld van welke uitgangspunten wel had moeten worden uitgegaan. Voorts maakt het tegenrapport ook niet aannemelijk dat wanneer geluid uit de rookruimte wel zou zijn onderzocht en van een hoger aantal auto’s van bezoekers en een hoger aantal rokende bezoekers zou zijn uitgegaan, de berekende geluidniveaus wezenlijk hoger zouden uitkomen. Met het tegenrapport heeft [appellant sub 3] naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat in het akoestisch onderzoek niet is uitgegaan van een representatieve bedrijfssituatie.

De conclusie van [appellant sub 3] dat uit het tegenrapport blijkt dat de inpassing van de bestemming "Horeca (H)" zal leiden tot een onaanvaardbare schending van zijn woon- en leefklimaat kan derhalve niet gevolgd worden.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hij het, ondanks de korte afstand tot het perceel van [appellant sub 3], aanvaardbaar acht aan het dorpshuis een horecabestemming toe te kennen. Het betoog faalt.

7.8. Gelet op hetgeen in 7.6.2 en 7.7 is overwogen ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 24 oktober 2011, voor zover dit betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Horeca (H)", voor zover toegekend aan de gronden van dorpshuis 'De Schalm' te Westwoud, in stand blijven.

Proceskostenveroordeling

8. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Drechterland van 24 oktober 2011 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Drechterland Noord 2011" gedeeltelijk en het beroep van [appellanten sub 3] tegen dit besluit geheel gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Drechterland van 24 oktober 2011 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Drechterland Noord 2011", voor zover:

a. voor het perceel De Gouw 69 te Hoogkarspel niet is voorzien in persoonsgebonden overgangsrecht;

b. dit betreft het bouwvlak gelegen binnen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het perceel Zuiderdracht 29 te Oosterblokker;

c. dit betreft de gronden die gelegen zijn naast dorpshuis 'De Schalm' en waaraan de bestemming "Verkeer (V)" is toegekend, zoals weergegeven op de aan de tussenuitspraak aangehechte kaart;

d. dit betreft het plandeel met de bestemming "Horeca (H)", voor zover toegekend aan de gronden van dorpshuis 'De Schalm' te Westwoud;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven voor zover dit betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Horeca (H)", voor zover toegekend aan de gronden van dorpshuis 'De Schalm' te Westwoud;

IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Drechterland van 24 oktober 2011 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Drechterland Noord 2011" voor het overige ongegrond;

V. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] tegen het besluit van de raad van de gemeente Drechterland van 25 maart 2013 tot wijziging van het bestemmingsplan "Drechterland Noord 2011" ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Drechterland tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.180,00 (zegge: elfhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Drechterland tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 305,72 (zegge: driehonderdvijf euro en tweeënzeventig cent);

veroordeelt de raad van de gemeente Drechterland tot vergoeding van bij [appellanten sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.180,00 (zegge: elfhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Drechterland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 1], € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 2] en € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellanten sub 3], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Bošnjaković

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2013

410-667.