Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1164

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2013
Datum publicatie
18-09-2013
Zaaknummer
201209403/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2012:4784, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2011 heeft het college een aanvraag van [appellante] om haar een ligplaatsvergunning te verlenen voor het afmeren van een nieuw vaartuig voor niet-permanente bewoning op de [locatie] in [plaats], ingewilligd.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/182 met annotatie van L.J.A. Damen
JOM 2014/392
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209403/1/A3.

Datum uitspraak: 18 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 augustus 2012 in zaak nr. 12/1197 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2011 heeft het college een aanvraag van [appellante] om haar een ligplaatsvergunning te verlenen voor het afmeren van een nieuw vaartuig voor niet-permanente bewoning op de [locatie] in [plaats], ingewilligd.

Bij besluit van 31 januari 2012 heeft het college onder meer het door F.P. Zandvliet daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 14 juli 2011 herroepen en de aanvraag van [appellante] afgewezen.

Bij uitspraak van 21 augustus 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Zandvliet een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2013, waar [appellante], bijgestaan door mr. E.J.C. van Hartingsveldt, advocaat te Leiden, het college, vertegenwoordigd door J.J. van Grootevheen en drs. E. van der Klis, werkzaam bij de gemeente, en Zandvliet, bijgestaan door mr. J. Hobo, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene plaatselijke verordening Aalsmeer 2010 (hierna: de Apv) is het verboden om zonder vergunning van het college binnen de gemeente ligplaats in te nemen, of te hebben of toe te laten dat ligplaats wordt ingenomen met een vaartuig, alsmede een vaartuig in aanbouw of een casco, ten behoeve van niet-permanente bewoning.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder c, wordt de vergunning geweigerd als deze strijdig is met de bepalingen van het geldende bestemmingsplan, daaronder mede begrepen het maximum gestelde aantal ligplaatsen.

1.1. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Uiterweg Plasoevers 2005". Ingevolge dat bestemmingsplan rust ter plaatse de bestemming "Water".

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "water" aangewezen gronden bestemd voor ligplaatsen voor woonschepen voor permanente bewoning.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond ten tijde van het van kracht worden van het verbod tot gebruik in strijd met de aan die gronden en bouwwerken gegeven bestemming, en dat in enigerlei opzicht afwijkt van het plan, worden voortgezet of gewijzigd, zolang en voor zover de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemmingen in dit plan, naar de aard en omvang niet wordt vergroot.

2. Niet in geschil is dat het innemen van een ligplaats met een vaartuig voor niet-permanente bewoning op het perceel in strijd is met de bestemming. Voorts is niet in geschil dat het oude vaartuig dat was afgemeerd op dezelfde plek en dat eveneens werd gebruikt voor niet-permanente bewoning, een maatvoering had van 8,2 meter lengte, 3,1 meter breedte en 2,3 meter hoogte en het nieuwe vaartuig van [appellante] een maatvoering heeft van 18 meter lengte, 6 meter breedte en 4 meter hoogte.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 41, eerste lid, van de planvoorschriften niet van toepassing is, nu het nieuwe vaartuig een aanzienlijk ruimere maatvoering heeft dan het oude vaartuig en aldus het gebruik in strijd met het bestemmingsplan wordt vergroot. Het feit dat de maatvoering van het nieuwe vaartuig ruimer is dan die van het oude vaartuig brengt geen vergroting van het strijdig gebruik met zich, aldus [appellante].

3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de woorden "aard en omvang" in artikel 41, eerste lid, van de planvoorschriften niet alleen zien op de wijze waarop het betreffende perceel wordt gebruikt. Ook de vergroting van de maatvoering van het vaartuig strookt niet met het doel van die bepaling om binnen de planperiode het met de bestemming strijdige gebruik te doen beëindigen. Dat volgens [appellante] gelet op het huidige bestemmingsplan permanente bewoning in een vaartuig met de maatvoering van haar nieuwe vaartuig moet worden toegestaan, laat onverlet dat het grotere nieuwe vaartuig in dit geval wordt gebruikt voor niet-permanente bewoning en aldus het met de bestemming strijdige gebruik wordt vergroot.

4. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken van concrete ondubbelzinnige toezeggingen door een daartoe bevoegde persoon, waaraan door [appellante] rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend en de rechtbank voorts haar beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte heeft verworpen. Daartoe voert zij aan dat zij telefonisch overleg met ambtenaren van de gemeente heeft gehad, en deze ambtenaren haar hebben bevestigd dat zij het nieuwe vaartuig op de plek mocht afmeren. Op basis van deze bevestiging heeft zij opdracht gegeven tot het bouwen van het nieuwe vaartuig voor een bedrag van € 200.000,00. Bovendien heeft het college in het besluit van 14 juli 2011 het standpunt ingenomen dat de maatvoering van een nieuw vaartuig op grond van het opgewekte vertrouwen wordt toegestaan en is haar de gevraagde ligplaatsvergunning verleend, aldus [appellante]. Voorts heeft het college naar aanleiding van het tegen het besluit van 14 juli 2011 gemaakte bezwaar, onder verwijzing naar de op 3 maart 2011 algemeen bekend gemaakte "Nota van Uitganspunten voor het bestemmingsplan woonschepen in Aalsmeer" van 28 december 2010, waarin staat vermeld dat de maatvoering binnen het stedelijk gebied tot maximaal 18x6x5 meter wordt gehanteerd, ten overstaan van de bezwaarschriftencommissie het standpunt ingenomen dat het gewekte vertrouwen moet worden gehonoreerd. Daarbij heeft het college voorts gesteld dat vanaf de bekendmaking van de Nota een aantal aanvragen zijn gehonoreerd, aldus [appellante].

4.1. In het besluit van 14 juli 2011 heeft het college het standpunt ingenomen dat [appellante] er in dit specifieke geval op mocht vertrouwen dat de door haar gevraagde maatvoering van 18x6x4 meter was toegestaan en kon worden vergund. Blijkens het verweer van het college bij de bezwaarschriftencommissie naar aanleiding van het door Zandvliet gemaakte bezwaar heeft het college, gelet op het bij [appellante] gewekte vertrouwen, handhaving van de verlening van de ligplaatsvergunning bepleit. Reeds hierom heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college het vertrouwensbeginsel niet heeft geschonden. [appellante] had er echter rekening mee moeten houden dat naar aanleiding van het door Zandvliet gemaakte bezwaar en het advies van de bezwaarschriftencommissie, waarin is opgenomen dat gelet op de maatvoering van het nieuwe vaartuig artikel 41, eerste lid, van de planvoorschriften toepassing mist en de ligplaatsvergunning ingevolge artikel 5:25, vierde lid, aanhef en onder c, van de Apv, moet worden geweigerd, het college de aanvraag van [appellante] tot verlening van een ligplaatsvergunning alsnog moest afwijzen. Daarbij heeft de rechtbank terecht overwogen dat het dwingendrechtelijke karakter van deze bepaling geen ruimte laat om de door [appellante] gestelde vermogensschade bij de beoordeling van de afwijzing te betrekken. Gelet hierop komt de omstandigheid dat [appellante] het nieuwe vaartuig heeft laten bouwen, voordat de ligplaatsvergunning onherroepelijk was geworden, voor haar risico.

Nu het gebruik van het nieuwe vaartuig in strijd is met het bestemmingsplan, wordt aan de vraag of de maatvoering van het nieuwe vaartuig in overeenstemming is met het huidige beleid, dan wel of grond bestaat om ten gunste van [appellante] van de maatvoering als neergelegd in dat beleid af te wijken, niet toegekomen.

Voor zover [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het besluit van 31 januari 2012 heeft genomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel, wordt overwogen dat in hoger beroep niet wordt bestreden dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, het college in het verweerschrift in beroep de gelijkheid van de door [appellante] genoemde gevallen gemotiveerd heeft weerlegd.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Beerse

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2013

382-671.