Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1160

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2013
Datum publicatie
18-09-2013
Zaaknummer
201211522/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 augustus 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:47
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/400 met annotatie van prof. mr. A.T. Marseille
RV20130070 met annotatie van Geertsema K.E. Karen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211522/1/V1.

Datum uitspraak: 9 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 9 november 2012 in zaak nr. 10/30431 in het geding tussen:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarig kind,

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister).

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 november 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Hetgeen de staatssecretaris als grief 1 aanvoert en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

3. In grief 2 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, door een deskundige te benoemen voor het instellen van een nader onderzoek naar de herkomst van de vreemdeling, heeft miskend dat het aan de vreemdeling is om de aan haar aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken en dat de contra-expertise die de vreemdeling heeft laten verrichten de door haar gestelde herkomst uit Kirkuk niet eenduidig en zonder voorbehoud bevestigt. In grief 3 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank heeft miskend dat het rapport van het door haar benoemde Zwitserse taalbureau Lingua (hierna: Lingua) de door de vreemdeling gestelde herkomst uit Kirkuk evenmin eenduidig en zonder voorbehoud bevestigt en dat dit rapport daarom niet kan afdoen aan het rapport van taalanalyse van het Bureau Land en Taal (hierna: het BLT) van 23 juli 2009 (hierna: de taalanalyse).

3.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wijst de staatssecretaris een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 28, af, indien de desbetreffende vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

3.2. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 16 april 2010 in zaak nr. 200903085/1/V1) vloeit het volgende voort.

Indien bij de staatssecretaris twijfel is gerezen over de door een vreemdeling gestelde herkomst en als gevolg daarvan over diens gestelde identiteit en nationaliteit, kan de staatssecretaris, door een taalanalyse te laten verrichten, de desbetreffende vreemdeling tegemoetkomen in de op hem ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 rustende last om het door hem gestelde aannemelijk te maken.

In beginsel mag ervan worden uitgegaan dat een vanwege de staatssecretaris door het inzetten van het BLT verrichte taalanalyse tot stand is gekomen onder gedeelde verantwoordelijkheid van een ter zake deskundige linguïst die bij het BLT in dienst is en van wie de kwaliteit voldoende is gewaarborgd en een extern ingeschakelde taalanalist die op zorgvuldige wijze is geselecteerd en onder voortdurende kwaliteitscontrole staat. Niettemin moet de staatssecretaris, indien en voor zover hij tot het laten verrichten van een taalanalyse overgaat en deze aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er ingevolge artikel 3:2 van de Awb van vergewissen dat de taalanalyse - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

Indien de taalanalyse zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is, kan de desbetreffende vreemdeling, gegeven de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 op hem rustende last, de bij de staatssecretaris gerezen en door de taalanalyse niet weggenomen twijfel slechts door het laten verrichten van een contra-expertise alsnog trachten weg te nemen. Daartoe kan hij de opname van het voor de taalanalyse gevoerde gesprek door een deskundige laten beoordelen.

Om als contra-expertise te kunnen dienen, moet de op verzoek van een vreemdeling verrichte taalanalyse eveneens zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn.

Indien de uitkomst van de contra-expertise de door de desbetreffende vreemdeling gestelde herkomst niet bevestigt, wordt - gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 - de gerezen twijfel in elk geval niet weggenomen.

3.3. In het besluit van 9 augustus 2010, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste voornemen, heeft de staatssecretaris zich onder verwijzing naar de taalanalyse op het standpunt gesteld dat hij aan de verklaring van de vreemdeling dat zij haar gehele leven in Kirkuk heeft gewoond geen geloof hecht. Volgens de taalanalyse is de vreemdeling eenduidig niet te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap van Kirkuk in Centraal-Irak.

Naar aanleiding van de taalanalyse heeft de vreemdeling een onder begeleiding van De Taalstudio opgestelde contra-expertise van 23 juni 2010 (hierna: de contra-expertise) overgelegd, waarin de opsteller de conclusie van de taalanalyse betwist en concludeert: "This allows us with a reasonable amount of certainty to identify Kirkuk as the applicant's place of origin."

Met het besluit van 9 augustus 2010 heeft de staatssecretaris de vreemdeling een weerwoord van het BLT op de contra-expertise meegezonden.

Bij brief van 19 november 2010 heeft de vreemdeling een reactie van De Taalstudio en een reactie van de opsteller van de contra-expertise overgelegd.

Op 12 juli 2012 heeft Lingua op verzoek van de rechtbank een rapport uitgebracht over de herkomst van de vreemdeling, waarin Lingua concludeert: "Die Probandin kann aus sprachlicher Sicht in der Stadt Kirkuk sozialisiert worden sein. Die Evaluation des Alltagswissens der Probandin bezüglich ihrer Herkunftsangaben kann dieses Ergebnis weder stützen noch widerlegen."

Bij brief van 7 september 2012 heeft de staatssecretaris een weerwoord van het BLT op dit rapport overgelegd.

De vreemdeling heeft bij brief van 14 september 2012 op dit rapport gereageerd.

3.4. De rechtbank heeft overwogen dat de uitkomst van de contra-expertise tegengesteld is aan die van de taalanalyse en heeft daarin aanleiding gezien krachtens artikel 8:47, eerste lid, van de Awb een deskundige te benoemen voor het instellen van nader onderzoek naar de herkomst van de vreemdeling. Reeds omdat de onder 3.3 weergegeven uitkomst van de contra-expertise de vreemdeling niet buiten twijfel in het door haar gestelde herkomstgebied plaatst, vormt deze echter geen bevestiging als bedoeld onder 3.2. De staatssecretaris klaagt reeds daarom terecht dat de rechtbank in de contra-expertise ten onrechte aanleiding heeft gezien een deskundige te benoemen.

Grief 2 slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Grief 3 behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 9 augustus 2010 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5. De vreemdeling kan niet worden gevolgd in haar betoog dat de staatssecretaris haar met het laten verrichten van de taalanalyse niet is tegemoetgekomen in de op haar rustende bewijslast, maar haar aldus juist een zwaardere bewijslast heeft opgelegd. De vreemdeling heeft geen documenten overgelegd ter staving van haar gestelde herkomst, identiteit en nationaliteit en de staatssecretaris twijfelt aan haar gestelde herkomst en als gevolg daarvan aan haar gestelde identiteit en nationaliteit. Uit de hiervoor onder 3.2 vermelde uitspraak van 16 april 2010 volgt dan dat de staatssecretaris haar door een taalanalyse te laten verrichten, is tegemoetgekomen in de op haar rustende bewijslast, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.

6. De vreemdeling heeft tevergeefs aangevoerd dat zij bij terugkeer naar Kirkuk een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Nu de uitkomst van de contra-expertise de door de vreemdeling gestelde herkomst niet bevestigt, heeft de staatssecretaris zich onder verwijzing naar de taalanalyse deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de vreemdeling haar gestelde herkomst uit Kirkuk en haar identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt en haar asielrelaas daarom ongeloofwaardig is.

7. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden wordt niet toegekomen. Over die gronden heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin bestaat nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het besluit van 9 augustus 2010 waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Die gronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 9 november 2012 in zaak nr. 10/30431;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Schuurman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2013

282-760