Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1154

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2013
Datum publicatie
18-09-2013
Zaaknummer
201209567/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2013-0254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209567/1/R1.

Datum uitspraak: 18 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te Medemblik,

2. [appellant sub 2], wonend te Middenbeemster, gemeente Beemster,

3. [appellanten sub 3], beide wonend te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster,

4. de stichting Stichting Beemstergroen, gevestigd te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster,

5. de stichting Stichting Nekkerzoom, gevestigd te Beemster, en de stichting Stichting Behoud Waterland, gevestigd te Waterland (hierna tezamen en in enkelvoud: de Stichting Nekkerzoom),

6. [appellant sub 6], wonend te Middenbeemster, gemeente Beemster,

7. [appellanten sub 7] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellanten sub 7]), beide wonend te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster,

8. [appellant sub 8], wonend te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster,

9. [appellant sub 9], wonend te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster,

10. [appellant sub 10 A] en [appellant sub 10 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 10]), beide wonend te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster,

11. [appellant sub 11], wonend te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster,

12. [appellant sub 12], wonend te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster,

13. de naamloze vennootschap Nederlandse Gasunie N.V., gevestigd te Groningen,

en

de raad van de gemeente Beemster,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellanten sub 3], de Stichting Beemstergroen, de Stichting Nekkerzoom, [appellant sub 6], [appellanten sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12] en de Gasunie beroep ingesteld.

[belanghebbende A] en [belanghebbende B] hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Nekkerzoom, [appellante sub 1] en [appellant sub 6] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 201210096/1/R1 ter zitting behandeld op 17 juli 2013 waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen. De raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1. Het beroep van de Gasunie, voor zover gericht tegen artikel 23, lid 23.3, onder b, van de planregels en tegen artikel 23, lid 23.6, voor zover hierin geen nadere voorwaarden met betrekking tot het verlenen van een omgevingsvergunning zijn opgenomen, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dat luidde ten tijde van belang, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, planregels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van de Gasunie, voor zover gericht tegen artikel 23, lid 23.3, onder b, van de planregels en tegen artikel 23, lid 23.6, voor zover hierin geen nadere voorwaarden met betrekking tot het verlenen van een omgevingsvergunning zijn opgenomen, is derhalve niet-ontvankelijk.

Inhoudelijk

2. Het plan voorziet in een actualisering van het planologische regime voor het buitengebied van Beemster dat sinds 1 december 1999 als landschappelijk cultuurhistorisch werelderfgoed is aangemerkt. Het plan heeft een overwegend conserverend karakter, maar voorziet tevens in enkele nieuwe ontwikkelingen. Het plangebied omvat de gehele droogmakerij De Beemster, exclusief de kernen Middenbeemster, Zuidoostbeemster en Westbeemster. Met het plan is beoogd de grote landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied te beschermen.

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 1]

4. Het beroep van [appellante sub 1] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Tuin" voor de gronden tussen de percelen [locatie 1] en [locatie 2]. Zij betoogt allereerst dat in de plantoelichting niet expliciet wordt ingegaan op de door haar gewenste woningbouw op voornoemde gronden. Verder stelt zij dat in de Nota overleg- en inspraakreacties en in de Nota van zienswijzen door de raad niet is gemotiveerd waarom aan de desbetreffende gronden een tuinbestemming is toegekend.

4.1. De raad is in de Nota van zienswijzen inhoudelijk ingegaan op hetgeen [appellante sub 1] in de door haar ingediende zienswijze heeft aangevoerd en verwijst hierbij tevens naar eerdere correspondentie met [appellante sub 1] waarin het standpunt van de gemeente is neergelegd. Gelet hierop faalt het betoog van [appellante sub 1] De Afdeling overweegt voorts dat geen verplichting bestaat om in de plantoelichting voor elk perceel afzonderlijk een belangenafweging op te nemen.

Het bieden van inspraak maakt verder geen deel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geregelde bestemmingsplanprocedure. Het onvoldoende weerleggen van de door [appellante sub 1] ingediende inspraakreactie heeft - wat daar ook van zij - daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

5. [appellante sub 1] voert verder aan dat geen ruimtelijke bezwaren bestaan tegen woningbouw op de desbetreffende gronden aan de Volgerweg, te meer nu van de zijde van het college van burgemeester en wethouders is verklaard dat woningbouw in de toekomst mogelijk is. Ten onrechte is de woningbouw volgens haar afhankelijk gesteld van de toekomstige onzekere ontwikkeling van het woningbouwplan ‘Zuidoostbeemster II’, terwijl hiervoor nog geen concrete plannen bestaan. Haar belangen zijn volgens [appellante sub 1] onvoldoende meegewogen, omdat zij al jaren ter plaatse woningbouw wenst te realiseren en al geruime tijd de bedrijfsactiviteiten op haar gronden gestaakt heeft. Zij stelt verder dat het bestreden besluit in strijd met het vertrouwensbeginsel is genomen, omdat door het college van burgemeester en wethouders in zijn brief van 23 juli 2009 beginselmedewerking is verleend. Voorts betoogt [appellante sub 1] dat zij de gronden niet zal gebruiken en inrichten als tuin, zodat de bestemming "Tuin" niet binnen de planperiode zal worden gerealiseerd.

5.1. Blijkens de verbeelding is aan de gronden tussen de percelen [locatie 1] en [locatie 2] de bestemming "Tuin" toegekend.

Ingevolge artikel 19, lid 19.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Tuin" bestemd voor tuinen.

5.2. In de op 10 juli 2012 door de raad vastgestelde "Structuurvisie Beemstermaat" (hierna: Structuurvisie Beemstermaat) staat dat vestiging van nieuwe particuliere woningen in het Beemster buitengebied (in het raster) niet toe wordt gestaan. Daarmee worden de openheid van het raster en doorzicht naar het open landschap gewaarborgd.

5.3. Niet in geschil is dat in 2009 door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Laagland Projectontwikkeling B.V. een principeverzoek is gedaan voor de herontwikkeling van de gronden tussen de percelen [locatie 1] en [locatie 2] voor woningbouw. Bij brief van 23 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten in beginsel geen medewerking te verlenen aan dit verzoek, omdat in het landelijk gebied een te grote mate van verdichting van het bebouwingslint aan de Volgerweg niet wenselijk werd geacht. De op grond van het toen geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994" aan de desbetreffende gronden toegekende bestemming "Handel en Nijverheid" werd eveneens onwenselijk geacht met het oog op de toekomstige ontwikkeling van woningbouwprojecten ‘Zuidoostbeemster I’ en ‘Zuidoostbeemster II’ in de nabije omgeving. Indien de woningbouwlocatie ‘Zuidoostbeemster II’ ontwikkeld zal worden, maken de desbetreffende gronden aan de Volgerweg geen deel meer uit van het landelijk gebied maar van bebouwd woongebied en kan woningbouw ook op deze gronden worden toegestaan. In de brief van 23 juli 2009 wordt aangegeven dat het college van burgemeester en wethouders slechts positief staat tegenover het verlenen van medewerking aan het realiseren van woningbouw op de gronden van [appellante sub 1] indien ook het woningbouwplan ‘Zuidoostbeemster II’ gerealiseerd zal worden. De benodigde bestemmingsplanwijziging voor de gronden tussen de percelen [locatie 1] en [locatie 2] zal bij het opstellen van een bestemmingsplan ten behoeve van het woningbouwplan ‘Zuidoostbeemster II’ worden meegenomen. Al het voorgaande wordt door het college van burgemeester en wethouders in de brief van 20 april 2011 bevestigd met de toevoeging dat woningbouw op de desbetreffende gronden op dit moment en voor de eerstkomende jaren (nog) niet aan de orde is, zodat een tuinbestemming de meest passende bestemming wordt gevonden.

5.4. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om aan de gronden tussen de percelen [locatie 1] en [locatie 2] geen woonbestemming toe te kennen. Daarbij wordt van belang geacht dat de desbetreffende gronden in het landelijk gebied zijn gelegen en dat verdichting van het bebouwingslint in dit landelijk gebied door de raad onaanvaardbaar wordt geacht en in strijd is met de uitgangspunten van de Structuurvisie Beemstermaat.

Ter zitting heeft de raad voorts verklaard dat tussen de gronden van [appellante sub 1] en het gebied waar het woningbouwplan ‘Zuidoostbeemster II’ is voorzien ruimtelijke samenhang bestaat, nu de gronden tussen de percelen [locatie 1] en [locatie 2] niet alleen voor woningbouw gebruikt zouden kunnen worden maar eventueel ook voor ontsluiting van het gebied ‘Zuidoostbeemster II’ of op een andere manier ten behoeve van dit gebied. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toekennen van een woonbestemming aan de gronden van [appellante sub 1] afhankelijk wordt gesteld van het realiseren van het woningbouwplan ‘Zuidoostbeemster II‘. Zolang het woningbouwplan ‘Zuidoostbeemster II’ niet zal worden gerealiseerd, is sprake van landelijk gebied en niet van bebouwd woongebied en wordt het toekennen van een woonbestemming aan de desbetreffende gronden van [appellante sub 1] niet wenselijk geacht vanwege de strijdigheid hiervan met de uitgangspunten van de Structuurvisie Beemstermaat. De Afdeling acht dit niet onredelijk.

Over het betoog van [appellante sub 1] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat de Afdeling van oordeel is dat in de brief van het college van burgemeester en wethouders van 23 juli 2009 geen toezegging staat dat aan de gronden tussen de percelen [locatie 1] en [locatie 2] een woonbestemming zal worden toegekend.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad wat betreft het niet opnemen van een woonbestemming in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de openheid van het landelijk gebied dan aan de belangen die [appellante sub 1] heeft bij het realiseren van woningbouw op haar gronden.

5.5. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellante sub 1] voorts niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Tuin" aan de gronden tussen de percelen [locatie 1] en [locatie 2] heeft kunnen toekennen. Nu ter zitting is gebleken dat op voornoemde gronden bomen, bosschages, groenvoorzieningen en struiken aanwezig zijn en verdere verwezenlijking van de tuinbestemming door de raad niet nodig wordt geacht, overweegt de Afdeling dat de huidige inrichting van de gronden tussen de percelen [locatie 1] en [locatie 2] in overeenstemming is met de bestemming "Tuin".

6. [appellante sub 1] voert verder aan dat, nu geen woonbestemming aan haar gronden aan de Volgerweg is toegekend, een wijzigingsbevoegdheid had dienen te worden opgenomen op grond waarvan de bestemming "Tuin" had kunnen worden gewijzigd in de bestemming "Wonen". Zij wijst hierbij op het perceel [locatie 3] waaraan wel een wijzigingsbevoegdheid is toegekend die een woonbestemming mogelijk maakt. Verder betoogt [appellante sub 1] dat - indien geen woonbestemming kon worden opgenomen - aan haar gronden een bedrijfsbestemming had dienen te worden toekend, nu bedrijfsactiviteiten op grond van het voorheen geldende bestemmingplan "Landelijk Gebied 1994" waren toegestaan.

6.1. Niet in geschil is dat al een aantal jaren geen bedrijfsactiviteiten meer worden uitgeoefend op de gronden tussen de [locatie 1] en [locatie 2]. De raad stelt dat bedrijfsactiviteiten ter plaatse niet meer wenselijk worden geacht vanwege de effecten hiervan op de omliggende woningen. Niet is gebleken van een concreet voornemen deze bedrijfsactiviteiten binnen de planperiode te hervatten. Gelet hierop heeft de raad er naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid voor kunnen kiezen geen bedrijfsbestemming aan de gronden tussen de [locatie 1] en [locatie 2] toe te kennen.

Ten aanzien van de door [appellante sub 1] gemaakte vergelijking met het perceel [locatie 3] waaraan wel een wijzigingsbevoegdheid is toegekend die een woonbestemming mogelijk maakt, heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat aan het perceel [locatie 3] de bestemming "Agrarisch - hulpbedrijf" is toegekend en op dit perceel de Ruimte voor Ruimte-regeling van toepassing is. In verband met vrijkomende agrarische bebouwing kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming van gronden wijzigen onder de voorwaarde dat maximaal één vrijstaande nieuwe woning wordt gebouwd (bij voorkeur in of tegen bestaand bebouwd gebied), mits minimaal 1.000 m² van de voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt (incl. zekerstelling) en dit bijdraagt aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Ter zitting heeft de raad verklaard dat op de gronden tussen de percelen [locatie 1] en [locatie 2] geen agrarische bebouwing staat, zodat de Ruimte voor Ruimte-regeling niet op voornoemde gronden van toepassing is. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 1] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

7. Het beroep van [appellante sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

8. Ter zitting heeft [appellant sub 2] zijn beroep, voor zover gericht tegen het toekennen van de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch hulpbedrijf (sa-ahu)" aan de strook grond ten westen van het perceel [locatie 4] aansluitend aan de woonbestemming die aan het perceel [locatie 4] is toegekend, ingetrokken.

9. Het beroep van [appellant sub 2] is verder gericht tegen het toekennen van de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch hulpbedrijf (sa-ahu)" aan het perceel [locatie 5]. Ter zitting is door [appellant sub 2] toegelicht dat zijn bezwaren niet zozeer gericht zijn tegen deze aanduiding zelf, maar tegen het ontplooien van activiteiten door het bedrijf dat ter plaatse is gevestigd, zoals het leveren van producten en diensten aan bedrijven buiten de gemeente Beemster, het verrichten van branchevreemde werkzaamheden en het verkopen van branchevreemde materialen aan zowel niet-agrarische particulieren als aan de gemeente Beemster. Deze activiteiten vallen volgens hem niet onder de begripsomschrijving van een agrarisch hulpbedrijf, omdat zij niet uitsluitend of in overwegende mate gericht zijn op het verrichten van werkzaamheden voor en/of de levering van diensten aan agrarische bedrijven. Deze activiteiten brengen overlast voor [appellant sub 2] met zich waardoor zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast.

9.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 5] de bestemming "Agrarisch" met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch hulpbedrijf (sa-ahu)" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Agrarisch" onder meer bestemd voor agrarische bedrijven en een agrarisch hulpbedrijf ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - hulpbedrijf (sa-ahu)".

Ingevolge lid 1.1, onder h, moet onder een agrarisch hulpbedrijf of een agrarisch loonbedrijf worden verstaan een bedrijf dat uitsluitend of in overwegende mate gericht is op het verrichten van werkzaamheden voor en/of de levering van diensten aan agrarische bedrijven en verder ook als agrarisch bedrijf kan functioneren.

9.2. Ter zitting is door de raad gesteld dat de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) weliswaar niet van toepassing is op bestaande situaties, maar dat in deze situaties de VNG-brochure wel een indicatie kan geven van de mate van hinder bij bestaande conflictsituaties. In dit geval is sprake van een bestaand agrarisch hulpbedrijf en een bestaande woning. De kortste afstand tussen de woning van [appellant sub 2] en de gronden op het perceel [locatie 5] waar een agrarisch hulpbedrijf is toegestaan bedraagt ongeveer 35 m, zodat ter plaatse van deze woning aan de richtafstand uit de VNG-brochure van 30 m van een agrarisch hulpbedrijf met een bruto vloeroppervlakte van meer dan 500 m² tot de gevel van een woning in gemengd gebied wordt voldaan. De raad heeft voorts gemotiveerd uiteengezet dat de bestaande situatie aanvaardbaar is, nu niet is gebleken dat een agrarisch hulpbedrijf ter plaatse tot ernstige hinder leidt. Daarmee heeft de raad er naar het oordeel van de Afdeling blijk van gegeven dat hij de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch hulpbedrijf (sa-ahu)" heeft beoordeeld en het woon- en leefklimaat voor omwonenden bij die beoordeling heeft betrokken.

9.3. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels in samenhang bezien met artikel 1, lid 1.1, onder h, moet een agrarisch hulpbedrijf uitsluitend of in overwegende mate gericht zijn op het verrichten van werkzaamheden voor en/of de levering van diensten aan agrarische bedrijven. Voor zover verder door [appellant sub 2] is aangevoerd dat op het perceel [locatie 5] een bedrijf is gevestigd dat andere bedrijfsactiviteiten ontplooit dan de activiteiten die zijn toegestaan ingevolge voornoemde artikelen, overweegt de Afdeling dat dit een handhavingskwestie betreft die niet in de onderhavige procedure aan de orde is.

9.4. Voor het overige heeft [appellant sub 2] zich in zijn beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van zijn zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 2] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van zijn zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

9.5. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Het beroep van de Stichting Beemstergroen wat betreft de aansluiting van de Purmerenderweg op de N244 en het beroep van [appellanten sub 3]

10. Het beroep van de Stichting Beemstergroen is allereerst gericht tegen de voorziene aansluiting van de Purmerenderweg op de N244 op het perceel [locatie 6]. Volgens haar wordt in het onderhavige plan de mogelijkheid gecreëerd om deze aansluiting te realiseren, maar is deze aansluiting in strijd met het beeldkwaliteitsplan en onnodig omdat de Purmerenderweg voldoende breedte heeft om fietsverkeer veilig af te wikkelen.

10.1. Uit de verbeelding blijkt dat het perceel [locatie 6] buiten het plangebied valt. Dit betekent dat de toekomstige aansluiting van de Purmerenderweg op de N244, waartegen de Stichting Beemstergroen zich richt, niet in het onderhavige plan mogelijk wordt gemaakt. Gelet hierop mist het beroep van de Stichting Beemstergroen in zoverre feitelijke grondslag.

11. Het beroep van [appellanten sub 3] is gericht tegen de begrenzing van het plangebied, voor zover het perceel [locatie 6] niet in het plan is opgenomen. Zij voeren aan dat het perceel [locatie 6] wel in het voorontwerpbestemmingsplan was opgenomen, maar dat dit perceel zonder dat zij hierover geïnformeerd zijn buiten het ontwerpbestemmingsplan is gehouden. [appellanten sub 3] betogen verder dat zij in een nadeliger positie zijn komen te verkeren ten opzichte van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1994", nu door het niet opnemen van voornoemd perceel in het plan ter plaatse geen planologisch regime geldt en het eenvoudiger wordt om in de toekomst ter plaatse de aansluiting van de Purmerenderweg op de N244 te realiseren. Verder betogen zij dat deze aansluiting nog in geen enkel plan wordt mogelijk gemaakt, zodat het perceel [locatie 6] had dienen te worden opgenomen in het onderhavige plan. Ten slotte voeren zij aan dat de voorziene aansluiting hun woon- en leefklimaat zal aantasten en dat de noodzaak voor de aansluiting ontbreekt.

11.1. Blijkens de verbeelding valt het perceel [locatie 6] buiten het plangebied.

Gelet op de systematiek van de Wro komt de raad in beginsel beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

11.2. In hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Hierbij wordt van belang geacht dat niet is gebleken dat tussen de gronden in dit plangebied en het perceel [locatie 6] een zodanige samenhang bestaat dat de raad de begrenzing van dit plangebied niet zo heeft kunnen vaststellen en dit perceel in het plan had moeten betrekken. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat ten tijde van de vaststelling van het plan concrete plannen van de provincie Noord-Holland bestonden om een inpassingsplan vast te stellen voor onder meer het perceel [locatie 6] en dat thans het ontwerpinpassingsplan "N244", waarin de aansluiting van de Purmerenderweg op de N244 wordt mogelijk gemaakt, ter inzage heeft gelegen. Voor zover [appellanten sub 3] vrezen dat geen planologisch regime van toepassing is op het perceel [locatie 6], overweegt de Afdeling dat op dit perceel het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994" van toepassing blijft totdat een ander plan voor dit perceel wordt vastgesteld. Over het betoog van Kruit en [appellante sub 3 B] dat het ontwerpplan in zoverre ten onrechte is gewijzigd ten opzichte van het voorontwerp van het plan zonder hen daarover te informeren, overweegt de Afdeling dat dit niet leidt tot een rechtsonzekere situatie, nu op een voorontwerp, gelet op het karakter daarvan, niet het vertrouwen kan worden gebaseerd dat het plan overeenkomstig dat voorontwerp zal worden vastgesteld. De Wro noch enige andere bepaling verzet zich ertegen dat het ontwerpbestemmingsplan wordt gewijzigd ten opzichte van het voorontwerp van het plan. Tegen dergelijke wijzigingen kunnen zienswijzen worden ingediend en kan vervolgens beroep worden ingesteld.

Voor zover [appellanten sub 3] bezwaren hebben tegen de voorziene aansluiting, overweegt de Afdeling dat de aansluiting van de Purmerenderweg op de N244, waartegen [appellanten sub 3] zich richten, niet in het onderhavige plan mogelijk wordt gemaakt. Gelet hierop kunnen de bezwaren met betrekking tot deze aansluiting niet in de onderhavige procedure aan de orde komen.

11.3. Het beroep van [appellanten sub 3] is ongegrond.

Het beroep van de Stichting Nekkerzoom en het beroep van de Stichting Beemstergroen voor het overige

12. Ter zitting hebben de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen het betoog dat de wijzigingsbevoegdheden uit de artikelen 3, lid 3.25, 4, lid 4.14, 5, lid 5.11, 6, lid 6.11, 7, lid 7.13, en 8, lid 8.13, van de planregels in strijd zijn met artikel 16, eerste lid, onder c, van de Provinciale Ruimtelijke verordening Structuurvisie (hierna: PRVS) ingetrokken.

13. De beroepen van de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen zijn gericht tegen artikel 8 van de planregels. De Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen betogen dat de bestemming "Bedrijf" ruimere (bouw)mogelijkheden kent dan op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994" was toegestaan. Volgens hen was de ‘Lijst van toegelaten bedrijfstypen’ waar in artikel 9 van de voorschriften behorende bij het voorheen geldende bestemmingsplan naar werd verwezen nooit vastgesteld door de raad, zodat geen enkel bedrijfstype en daarbij behorende bebouwing was toegestaan op percelen met de bestemming "Handel en Nijverheid". Zij stellen dat enkel activiteiten die reeds in 1994 werden verricht op grond van het overgangsrecht behorende bij het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994" gedoogd konden worden. In het onderhavige bestemmingsplan worden echter verschillende bedrijfstypen mogelijk gemaakt, zodat sprake is van een onaanvaardbare verruiming van (bouw)mogelijkheden. Verder voeren de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen aan dat de bedrijven op de percelen [locatie 7] en [locatie 8] en [locatie 9] niet vallen onder één van de categorieën van de ‘Lijst van toegelaten bedrijfstypen’, welke lijst als bijlage 1 behorende bij de planregels is opgenomen.

13.1. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Bedrijf" onder meer bestemd voor bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 behorende bij de planregels (‘Lijst van toegelaten bedrijfstypen’) met daarbij behorende bouwwerken waaronder bedrijfsgebouwen en woningen ten behoeve van het bedrijf, tenzij staat aangegeven dat een woning niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten".

13.1.1. Ingevolge artikel 9, lid 9.1, van de voorschriften behorende bij het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994" waren gronden met de bestemming "Handel en Nijverheid" bestemd voor bedrijfstypen die zijn genoemd in de bij de voorschriften behorende ‘Lijst van toegelaten bedrijfstypen’ (..). Eveneens waren de gronden bestemd voor de bij de bedrijfstypen behorende bouwwerken waaronder bedrijfswoningen en open terreinen.

13.1.2. Het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994" is door de raad op 24 maart 1994 vastgesteld en op 1 november 1994 door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland gedeeltelijk goedgekeurd. De Afdeling stelt vast dat de ‘Lijst van toegelaten bedrijfstypen’ waar in artikel 9 van de planvoorschriften behorende bij het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994" naar wordt verwezen, is opgenomen als bijlage bij de voorschriften. Met de vaststelling van voornoemd bestemmingsplan zijn naar het oordeel van de Afdeling eveneens de bij het bestemmingsplan behorende bijlagen vastgesteld. Gelet hierop mist het betoog van de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen dat de ‘Lijst van toegelaten bedrijfstypen’ waar in artikel 9 van de voorschriften behorende bij het voorheen geldende bestemmingsplan naar werd verwezen nooit is vastgesteld door de raad feitelijke grondslag.

13.2. Door de raad is ter zitting verklaard dat de bedrijven op de percelen [locatie 7] en [locatie 8] en [locatie 9] vallen onder één van de categorieën van de ‘Lijst van toegelaten bedrijfstypen’ en dat geen verzwaring van bedrijfsactiviteiten heeft plaatsgevonden ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994". De Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen hebben met hetgeen zij hebben aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat deze bedrijven niet onder één van de categorieën vallen.

Voor zover verder deze bedrijven meer bedrijfsactiviteiten zouden ontplooien dan de activiteiten die zijn toegestaan ingevolge de ‘Lijst van toegelaten bedrijfstypen’, overweegt de Afdeling dat dit een handhavingskwestie betreft die niet in de onderhavige procedure aan de orde is.

13.3. De beroepen van de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen zijn in zoverre ongegrond.

14. De beroepen van de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen zijn verder gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "maximum bebouwingspercentage terrein 44%" voor het perceel [locatie 7]. Zij voeren aan dat de bouwmogelijkheden op dit perceel ten onrechte zijn vergroot, nu in het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994" een maximaal bebouwingspercentage van 15 was opgenomen. Verder betogen de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen dat op 25 oktober 2012 door het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een kantoorgebouw op het perceel [locatie 7] waardoor sprake is van een bebouwingspercentage van 48,5, maar dat de verwachting is dat dit besluit vanwege het door hen ingestelde beroep hiertegen geen stand zal houden omdat het besluit in strijd is met de uitgangspunten van het onderhavige bestemmingsplan en met de PRVS. Gelet hierop kan ook het in het onderhavige bestemmingsplan opgenomen bebouwingspercentage van 44 voor het perceel [locatie 7] niet in stand blijven.

14.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 7] de aanduiding "maximum bebouwingspercentage terrein 44%" toegekend.

Ingevolge artikel 8, lid 8.4, van de planregels wordt ten aanzien van de bebouwing binnen het bouwvlak bepaald dat het maximale bebouwde oppervlak niet meer mag bedragen dan het percentage dat op de verbeelding staat aangeven.

14.2. Op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994" mocht maximaal 15% van de voor bebouwing bestemde terreinoppervlakte van het perceel [locatie 7] worden bebouwd. Bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van 2 oktober 2000 is onder vrijstelling van dit bestemmingsplan bouwvergunning verleend voor het oprichten van een opslagloods, waardoor in afwijking van dit bestemmingsplan maximaal 35% van deze gronden mocht worden bebouwd. Niet in geschil is dat de verleende bouwvergunning thans in rechte onaantastbaar is en dat de bestaande bebouwing op het perceel [locatie 7] met en overeenkomstig bouwvergunningen is gebouwd. Met betrekking tot overeenkomstig de bouwvergunning gebouwde bouwwerken staat voorop dat deze in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, als zodanig dienen te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden als een dienovereenkomstige bestemmingsregeling op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe regeling zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarvan is in dit geval niet gebleken. In dit verband is van belang dat vast staat dat het bouwvlak van het perceel [locatie 7] in het onderhavige bestemmingsplan is verkleind ten opzichte van het bouwvlak dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994" was opgenomen. Door de raad is verklaard dat om deze reden het bebouwingspercentage is omgerekend naar 44. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat is uitgegaan van de bestaande met bouwvergunningen gebouwde bebouwing op gronden met de bestemming "Bedrijf" en dat in voornoemd percentage niet de bestaande woning en de bebouwing die is toegestaan op grond van de op 25 oktober 2012 verleende omgevingsvergunning zijn opgenomen. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Gelet hierop faalt het betoog van de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen.

14.3. Wat betreft het betoog van de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen dat de op 25 oktober 2012 verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een kantoorgebouw op het perceel [locatie 7] niet in stand zal blijven en dat dit ook gevolgen heeft voor het onderhavige plan, overweegt de Afdeling dat de vraag of de omgevingsvergunning voor bouwen in strijd is met de uitgangspunten van het onderhavige bestemmingsplan en met de PRVS aan de orde komt in de procedure over de omgevingsvergunning en in de bestemmingsplanprocedure niet ter beoordeling staat.

14.4. De beroepen van de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen zijn in zoverre ongegrond.

15. De beroepen van de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen zijn verder gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Nekkerweg 79. Zij betogen dat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994" aan voornoemd perceel een agrarische bestemming was toegekend. In strijd met artikel 12 van de PRVS, waarin is bepaald dat een bestemmingsplan in het landelijk gebied niet voorziet in een nieuw bedrijventerrein, is echter aan het perceel Nekkerweg 79 een bedrijfsbestemming toegekend.

15.1. Blijkens de verbeelding is aan het gehele perceel Nekkerweg 79 de bestemming "Bedrijf" toegekend en aan een gedeelte van dit perceel de functieaanduiding "caravanstalling".

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder a en d, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Bedrijf" bestemd voor bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 behorende bij de planregels (‘Lijst van toegelaten bedrijfstypen’) en een caravanstalling, uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding "caravanstalling".

15.2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder 13, van de PRVS moet onder landelijk gebied worden verstaan het gebied, niet zijnde Bestaand Bebouwd Gebied.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a en b, wordt als Bestaand Bebouwd Gebied aangewezen:

a het gebied, als zodanig aangegeven op kaart 2 en op de digitale verbeelding ervan en

b de bestaande of de bij een - op het moment van inwerkingtreden van de verordening - geldend bestemmingsplan toegelaten woon- of bedrijfsbebouwing en kassen, waaronder mede begrepen de daarbij behorende bebouwing ten behoeve van openbare voorzieningen, verkeersinfrastructuur alsmede stedelijk water en stedelijk groen van een stad, dorp of kern.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de PRVS voorziet een bestemmingsplan niet in een nieuw bedrijventerrein of een nieuwe kantoorlocatie of een uitbreiding van een bestaand terrein in het landelijk gebied.

Ingevolge het tweede lid, zoals dat luidde ten tijde van belang, kan het college van gedeputeerde staten - gehoord de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling - ontheffing verlenen van het verbod, genoemd in het eerste lid, voor de aanleg van een nieuw bedrijventerrein en kantoorlocatie indien het nieuwe bedrijventerrein of kantoorlocatie in overeenstemming is met de geldende provinciale planningsopgave, als bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid.

15.3. Niet in geschil is dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994" aan het perceel Nekkerweg 79 een agrarische bestemming was toegekend. Ter zitting is gebleken dat de raad niet heeft onderzocht in hoeverre het feitelijke, diverse, gebruik van het perceel slechts door de bestemming "Bedrijf" kon worden toegestaan. Er heeft daartoe geen ruimtelijke afweging plaatsgevonden. Reeds hierom ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Nekkerweg 79, niet is vastgesteld met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De beroepen van de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

16. De beroepen van de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen zijn verder gericht tegen het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel Volgerweg 74 en tegen het toekennen van de aanduiding "bouwvlak" aan de agrarische percelen [locatie 10], 75 en 78. Zij betogen dat op het perceel Volgerweg 74 al jaren geen bedrijf meer is gevestigd, maar alleen een caravanstalling. Op de percelen [locatie 10], 75 en 78 zijn volgens de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen eveneens geen agrarische bedrijven meer gevestigd, maar slechts woningen.

16.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel Volgerweg 74 de bestemming "Bedrijf" toegekend en aan de percelen [locatie 10], 75 en 78 de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "bouwvlak".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Agrarisch" bestemd voor agrarische bedrijven.

Ingevolge lid 3.4, onder a, sub 1, en onder b, sub 1, mogen bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.

16.2. Niet in geschil is dat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994" aan het perceel Volgerweg 74 een bedrijfsbestemming was toegekend en aan de percelen [locatie 10], 75 en 78 een agrarische bestemming met een bouwvlak. De raad heeft gesteld dat uit de inventarisatie, die voorafgaand aan het opstellen van het plan is gehouden, volgt dat op het perceel Volgerweg 74 nog steeds een bedrijf is gevestigd en op de percelen [locatie 10], 75 en 78 nog steeds agrarische bedrijven zijn gevestigd. Voorts heeft [belanghebbende B] als eigenaar van het perceel [locatie 10] bij brief van 3 juli 2013 verklaard dat dit perceel en de daarbij behorende bebouwing worden gebruikt voor agrarische bedrijvigheid. De Afdeling ziet in hetgeen de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen hebben aangevoerd geen aanleiding aan het voorgaande te twijfelen.

16.3. De beroepen van de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen zijn in zoverre ongegrond.

17. De beroepen van de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen zijn verder gericht tegen het toekennen van de bestemming "Agrarisch" aan het perceel Vredenburghweg 3. Zij betogen dat op voornoemd perceel een groothandel landbouwwerktuigen is gevestigd die niet kan worden aangemerkt als een agrarisch bedrijf.

17.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel Vredenburghweg 3 de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Agrarisch" bestemd voor agrarische bedrijven.

Ingevolge artikel 1, lid 1.1, onder j, moet onder een agrarisch bedrijf worden verstaan een aan het buitengebied gebonden bedrijf groter dan 10 NGE, waar uitsluitend of in hoofdzaak door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren producten worden voortgebracht, waaronder mede wordt verstaan de met die activiteiten qua aard vergelijkbare activiteiten zoals paarden fokken/melken.

17.2. De Afdeling stelt vast dat op het perceel Vredenburghweg 3 een groothandel in landbouwwerktuigen is gevestigd. Nu op voornoemd perceel niet uitsluitend of in hoofdzaak door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren producten worden voortgebracht, valt deze groothandel in landbouwwerktuigen naar het oordeel van de Afdeling niet onder het begrip ‘agrarisch bedrijf’ als bedoeld in artikel 1, lid 1.1, onder j, van de planregels. Gelet hierop is aan voornoemd perceel ten onrechte de bestemming "Agrarisch" toegekend.

17.3. In hetgeen de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel Vredenburghweg 3, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen van de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

18. De beroepen van de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen zijn verder gericht tegen de in het plan opgenomen bouwvlakken van (agrarische) bedrijven. Zij betogen dat veel bouwvlakken beduidend groter zijn dan de bestaande bebouwing en wijzen hierbij op de percelen [locatie 10], [locatie 8], 75, 77, 78, Nekkerweg 78 en Zuiderweg 64. Volgens hen worden hierdoor de kernkwaliteiten en de Universele waarden van het gebied als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de PRVS aangetast en volgt uit dit artikel dat bouwvlakken strak om de bestaande bebouwing heen hadden moeten liggen.

18.1. Ingevolge artikel 20, eerste lid en onder a, van de PRVS is als Nationaal Landschap nader begrensd het gebied ‘Laag Holland’, zoals aangegeven op kaart 5 en op de digitale verbeelding ervan.

Ingevolge het derde lid is als werelderfgoed begrensd het Unesco-werelderfgoed ‘De Beemster’ zoals aangegeven op kaart 5 en op de digitale verbeelding ervan.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, mag een bestemmingsplan uitsluitend voorzien in nieuwe functies en uitbreiding van de bebouwing van bestaande functies binnen de gebieden als bedoeld in artikel 20 voor zover deze de kernkwaliteiten en/of Uitzonderlijke Universele waarden behouden of versterken, als bedoeld in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (hierna: Leidraad).

18.2. Vast staat dat het plangebied binnen het Nationaal Landschap ‘Laag Holland’ ligt en is opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van Unesco.

18.3. Het betoog van de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen komt erop neer dat voor de toepassing van artikel 22, eerste lid, van de PRVS de zinsnede "uitbreiding van de bebouwing van bestaande functies" in feitelijke zin moet worden opgevat. De Afdeling volgt hen in dit standpunt niet. In de toelichting bij artikel 22 zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het standpunt van de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen dat bij toepassing van deze bepaling gekeken moet worden naar de bestaande bebouwing. De Afdeling overweegt dat een redelijke uitleg van artikel 22, eerste lid, van de PRVS met zich brengt dat onder uitbreiding van de bebouwing van bestaande functies moet worden verstaan uitbreiding van bebouwing die onder meer op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan was toegestaan. Hierbij betrekt de Afdeling dat in de toelichting van artikel 9 van de PRVS, hoewel deze bepaling niet ziet op kernkwaliteiten en/of Uitzonderlijke Universele waarden maar op Bestaand Bebouwd Gebied, door provinciale staten van Noord-Holland te kennen is gegeven dat voor hen het uitgangspunt is om zoveel mogelijk recht te doen aan geldende bestemmingsplannen en om bestaande rechten gestand te doen en dat in de toelichting verder staat dat onder het begrip "bebouwing" onder meer moet worden verstaan bebouwing die is toegestaan door het college van gedeputeerde staten in goedkeuringsbesluiten ten aanzien van bestemmingsplannen. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van uitbreiding van de bebouwing van bestaande functies als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de PRVS indien de thans toegekende bouwmogelijkheden reeds in het voorheen geldende bestemmingsplan waren opgenomen.

18.4. De raad heeft ter zitting onbetwist gesteld dat de bouwvlakken op de percelen [locatie 10], 75, 77, 78, Nekkerweg 78 en Zuiderweg 64 zijn overgenomen uit het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994" of zelfs zijn verkleind en dat deze bouwvlakken thans niet volledig bebouwd zijn. Gelet op hetgeen in 18.3 is overwogen is naar het oordeel van de Afdeling met het overnemen van de bouwvlakken uit het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied 1994" geen sprake van uitbreiding van bebouwing als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de PRVS, nu de mogelijkheid tot bebouwing reeds in dat bestemmingsplan werd geboden.

18.5. Wat betreft het perceel Volgerweg 71 heeft de raad ter zitting te kennen gegeven dat het bouwvlak op dit perceel is vergroot ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994", maar dat hierdoor de kernkwaliteiten en de Universele waarden niet zullen worden aangetast nu de aanwezige sloten en de verkavelingsstructuur behouden blijven. In hetgeen de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen hebben aangevoerd wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel.

18.6. De beroepen van de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen zijn in zoverre ongegrond.

19. De beroepen van de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen zijn verder gericht tegen de wijzigingsbevoegdheden uit artikel 3, lid 3.23, lid 3.24 en lid 3.26, en uit artikel 4, lid 4.13, van de planregels. Zij voeren aan dat in lid 3.23 en in lid 3.24 niet is opgenomen dat de landschappelijke en natuurlijke waarden niet mogen worden aangetast. Voorts betogen zij dat de voorwaarde onder f. van lid 3.26 onvoldoende verzekert dat de kernkwaliteiten en Universele waarden van het gebied niet aangetast zullen worden. Zij voeren verder aan dat een vergroting van de oppervlakte van het bouwvlak naar maximaal 1,5 ha als bedoeld in lid 4.13 een forse aanslag op het landschap betekent en dat niet is verzekerd dat de kernkwaliteiten en Universele waarden van het gebied niet worden geschaad.

19.1. Blijkens de verbeelding is aan het gehele plangebied de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" toegekend.

Ingevolge artikel 28, lid 28.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Waarde - Cultuurhistorie" bestemd voor het behoud van de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden en de overige bestemmingen die daaraan zijn toegewezen op basis van de verbeelding.

Ingevolge lid 28.3 kan het bevoegd gezag voor de bouw van bouwwerken bij afwijking van de bouwregels of bij toepassing van een wijzigingsbevoegdheid ten dienste van de op de verbeelding aangegeven onderliggende bestemming eisen dat:

a. de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport overlegt waaruit blijkt dat de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het terrein dat wordt verstoord in voldoende mate is vastgesteld en met deze waarden actief rekening wordt gehouden;

b. alvorens de afwijking wordt verleend, advies wordt ingewonnen bij een door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige;

c. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied.

Ingevolge artikel 3, lid 3.23, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Agrarisch" wijzigen ten behoeve van de vormverandering van het bouwvlak, met inachtneming van de volgende regels:

a. totale oppervlakte van het bouwvlak niet mag worden vergroot;

b. de afstand tot aan het verlengde van de voorste bestemmingsgrens van de aangrenzende bestemming "Tuin" mag niet worden verkleind.

Ingevolge lid 3.24 kan het college van burgemeester en wethouders de aanduiding "bouwvlak" binnen de bestemming "Agrarisch" wijzigen ten behoeve van de vergroting van het bouwvlak van reële agrarische bedrijven, waarbij de volgende algemene regels gelden:

a. de agrarische noodzaak dient te worden aangetoond door middel van een bedrijfsplan dat ter advisering wordt voorgelegd aan een commissie of instantie van deskundigen;

b. de totale oppervlakte van het bouwvlak mag niet meer gaan bedragen dan 1,5 ha;

c. de diepte van een bouwvlak mag niet meer gaan bedragen dan 200 m;

d. de afstand tot aan de voorste bestemmingsgrens van de aangrenzende bestemming "Tuin" mag niet worden verkleind;

e. de zijdelingse afstand tot de aanwezige sloten mag niet minder bedragen dan 3,6 m;

f. de zijdelingse afstand tot een aanwezige kopergravuresloten mag niet minder bedragen dan 7,2 m;

g. in een inrichtingsplan dient de ruimtelijke en landschappelijke inpassing van het vergrote bouwvlak te worden vastgelegd.

Ingevolge artikel lid 3.26, aanhef en onder f, kan het college van burgemeester en wethouders binnen de bestemming "Agrarisch", ten behoeve van volwaardige agrarische bedrijven, gronden aanwijzen voor de vestiging van nieuwe agrarische bouwvlakken, onder de voorwaarde dat de natuur en landschapswaarden niet in onevenredige mate worden geschaad.

Ingevolge artikel 4, lid 4.13, aanhef en onder b, kan het college van burgemeester en wethouders de aanduiding "bouwvlak" binnen de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" wijzigen ten behoeve van de vergroting van het bouwvlak van reële agrarische glastuinbouwbedrijven onder de voorwaarde dat de totale oppervlakte van het bouwvlak niet meer mag gaan bedragen dan 1,5 ha.

19.2. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de PRVS mag een bestemmingsplan uitsluitend voorzien in nieuwe functies en uitbreiding van de bebouwing van bestaande functies binnen de gebieden als bedoeld in artikel 20 voor zover deze de kernkwaliteiten en/of Uitzonderlijke Universele waarden behouden of versterken, als bedoeld in de Leidraad.

In de Leidraad staat dat binnen het Nationaal Landschap ‘Laag Holland’ de landschapstypen droogmakerijen en veenweide zijn te onderscheiden. De kernkwaliteiten die vallen onder deze landschapstypen zijn:

- de grote openheid van het landschap;

- de rijkdom aan weide- en moerasvogels;

- het oude geometrische inrichtingspatroon in de droogmakerijen;

- de veenpakketten;

- de middeleeuwse strokenverkavelingen en de historische watergangen in het veenweidegebied;

- een groot aantal archeologische locaties;

- karakteristieke dijk- en lintdorpen.

Specifiek voor het gebied De Beemster (eveneens Unesco werelderfgoed) staat in de Leidraad dat de ruimtelijke hoofdstructuur van dit gebied gerespecteerd moet worden.

19.3. Nu artikel 22, eerste lid, van de PRVS betrekking heeft op bestemmingsplannen waarin wordt voorzien in nieuwe functies of uitbreiding van de bebouwing van bestaande functies en de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 3, lid 3.23, van de planregels slechts ziet op het veranderen van de vorm van een bouwvlak en als voorwaarde heeft dat de totale oppervlakte van het bouwvlak niet mag worden vergroot, is de Afdeling van oordeel dat artikel 22, eerste lid, van de PRVS niet van toepassing is op lid 3.23 van de planregels.

19.4. Naar het oordeel van de Afdeling is met de wijzigingsbevoegdheden van artikel 3, lid 3.24, en artikel 4, lid 4.13, van de planregels en met de wijzigingsvoorwaarde van artikel 3, lid 3.26, onder f, onvoldoende gewaarborgd dat de kernkwaliteiten en de Universele waarden van het gebied bij het vergroten van agrarische bouwvlakken van reële agrarische bedrijven of het mogelijk maken van nieuwe agrarische bouwvlakken behouden of versterkt worden als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de PRVS. Nu in lid 3.24 en lid 4.13 niets staat opgenomen over het behouden of versterken van de aanwezige waarden en in lid 3.26, onder f, slechts staat dat natuur en landschapswaarden niet in onevenredige mate mogen worden geschaad, wordt volgens de Afdeling niet allen niet uitgesloten dat de aanwezige waarden geschaad kunnen worden, maar is evenmin geborgd dat deze waarden worden behouden of versterkt.

Voor zover de raad ter zitting heeft gewezen op artikel 28, lid 28.3, van de planregels, overweegt de Afdeling dat hierin staat opgenomen dat bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid het bevoegd gezag kan eisen dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport overlegt waaruit blijkt dat de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het terrein dat wordt verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld en met deze waarden actief rekening wordt gehouden en dat het bevoegd gezag kan eisen dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied. Nu in lid 28.3 echter geen verplichting is opgenomen voor het bevoegd gezag om voornoemde eisen te stellen, wordt met dit artikel eveneens niet uitgesloten dat de aanwezige waarden geschaad kunnen worden en is door deze bepaling evenmin geborgd dat deze waarden worden behouden of versterkt.

Gelet op het voorgaande is het plan in zoverre in strijd met artikel 22, eerste lid, van de PRVS vastgesteld.

19.5. In hetgeen de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de artikel 3, lid 3.24 en lid 3.26, en artikel 4, lid 4.13, van de planregels, is vastgesteld in strijd met artikel 22, eerste lid, van de PRVS. De beroepen van de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

20. Het beroep van de Stichting Nekkerzoom is ten slotte gericht tegen de artikelen 3, lid 3.25, 4, lid 4.14, 5, lid 5.11, 6, lid 6.11, 7, lid 7.13 en 8, lid 8.13, van de planregels. Het beroep van de Stichting Beemstergroen is eveneens tegen voornoemde artikelen gericht. Zij betogen dat door herhaalde toepassing van deze wijzigingsbevoegdheden een groot aantal woningen mag worden gerealiseerd zonder dat verzekerd is dat deze woningen op een juiste manier in het landschap worden ingepast. De kernkwaliteiten en Universele waarden als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de PRVS worden volgens hen onvoldoende beschermd.

20.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.25, onder a en onder d, aanhef en onder 3, artikel 4, lid 4.14, onder a en onder d, aanhef en onder 3, artikel 5, lid 5.11, onder a en onder d, aanhef en onder 3, artikel 6, lid 6.11, onder a en onder d, aanhef en onder 3, artikel 7, lid 7.13, onder a en onder d, aanhef en onder 3, en artikel 8, lid 8.13, onder a en onder d, aanhef en onder 3, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders in verband met vrijkomende agrarische bebouwing of met vrijkomende bedrijfsbebouwing de bestemming van gronden wijzigen onder de voorwaarden dat nieuwe functies geen afbreuk mogen doen aan de bestaande stedenbouwkundige, cultuurhistorische of groenblauwe kwaliteiten of karakteristieken van het gebied en dat maximaal één vrijstaande nieuwe woning wordt gebouwd (bij voorkeur in of tegen bestaand bebouwd gebied), mits minimaal 1.000 m² van de voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt (incl. zekerstelling) en dit bijdraagt aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

20.2. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen niet aannemelijk gemaakt dat bij toepassing van de door hen genoemde wijzigingsbevoegdheden de kernkwaliteiten en Universele waarden van het gebied onvoldoende worden behouden of versterkt. Dat de wijzigingsbevoegdheden herhaald kunnen worden toegepast waardoor een groot aantal woningen zou kunnen worden gerealiseerd maakt het voorgaande niet anders, nu iedere keer dat één van de wijzigingsbevoegdheden wordt toegepast opnieuw de voorwaarde geldt dat de nieuwe functie geen afbreuk mag doen aan de bestaande stedenbouwkundige, cultuurhistorische of groenblauwe kwaliteiten of karakteristieken van het gebied.

20.3. De beroepen van de Stichting Nekkerzoom en de Stichting Beemstergroen zijn in zoverre ongegrond.

21. Het beroep van de Stichting Beemstergroen is verder gericht tegen de begrenzing van het plangebied, voor zover de gronden ten oosten van de Purmerenderweg, ten zuiden van het Noorderpad en ten westen van de Oostdijk niet in het plan zijn opgenomen. Zij voert aan dat dit agrarisch gebied met veel groen eveneens behoort tot het Nationale Landschap ‘Laag Holland’ en is opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van Unesco, zodat het onderhavige plan de waarden in dit gebied ook had dienen te beschermen.

21.1. Gelet op de systematiek van de Wro komt de raad in beginsel beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

21.2. In hetgeen de Stichting Beemstergroen heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Hierbij wordt van belang geacht dat niet is gebleken dat tussen de gronden in dit plangebied en de gronden ten oosten van de Purmerenderweg, ten zuiden van het Noorderpad en ten westen van de Oostdijk een zodanige samenhang bestaat dat de raad de begrenzing van dit plangebied niet zo heeft kunnen vaststellen en dit perceel in het plan had moeten betrekken.

Het beroep van [appellant sub 6]

22. [appellant sub 6] kan zich niet verenigen met artikel 1, lid 1.1, onder j, van de planregels. Hij voert hiertoe aan dat niet is gemotiveerd waarom eerst bij een minimale omvang van 10 NGE sprake zou zijn van een agrarisch bedrijf. Volgens [appellant sub 6] had de begripsomschrijving zoals opgenomen in het voorontwerpbestemmingsplan moeten worden gehandhaafd. Het bedrijf van [appellant sub 6] heeft een omvang van ongeveer 9 NGE. [appellant sub 6] vreest dat gelet op de omvang van zijn bedrijf uitbreiding ervan in de toekomst wellicht niet mogelijk is.

22.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.1, onder j, van de planregels wordt onder agrarisch bedrijf een aan het buitengebied gebonden bedrijf groter dan 10 NGE verstaan waar uitsluitend of in hoofdzaak door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren producten worden voortgebracht, waaronder mede wordt verstaan de met die activiteiten qua aard vergelijkbare activiteiten zoals paarden fokken/melken.

22.2. In het voorontwerpbestemmingsplan van 5 april 2011 werd in artikel 1, lid 1.1, onder e, van de planregels onder agrarisch bedrijf een aan het buitengebied gebonden bedrijf verstaan waar uitsluitend of in hoofdzaak door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren producten worden voortgebracht, waaronder mede wordt verstaan de met die activiteiten qua aard vergelijkbare activiteiten.

22.3. Ter zitting is van de zijde van de raad toegelicht dat met de minimale omvang van 10 NGE is aangesloten bij hetgeen in het algemeen wordt beschouwd als de minimale omvang van een reëel agrarisch bedrijf. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad gelet hierop in redelijkheid in de begripsomschrijving van een agrarisch bedrijf in de planregels een minimale omvang kunnen opnemen. Hierbij wordt betrokken dat van de zijde van de raad is uiteengezet dat, indien [appellant sub 6] zijn bedrijf op termijn zou willen uitbreiden, hij op dat moment in de gelegenheid zal worden gesteld aan te tonen wat de bedrijfsgrootte is.

22.4. Het beroep van [appellant sub 6] is in zoverre ongegrond.

23. [appellant sub 6] betoogt voorts dat aan het naast zijn perceel aan de [locatie 11] te [plaats] gelegen perceel [locatie 12], waaraan de bestemming "Agrarisch" is toegekend, ten onrechte tevens de aanduiding "horeca" is toegekend. In dit verband voert hij aan dat het toekennen van die aanduiding in strijd is met de artikelen 14 en 17 van de PRVS en met de Structuurvisie Noord-Holland. Voorts wijst [appellant sub 6] er op dat hij op zijn perceel een fruitteeltbedrijf exploiteert. De boomgaard wordt met gewasbeschermingsmiddelen bespoten waarbij drift vrijkomt die ernstige gezondheidsrisico’s met zich brengt. Volgens [appellant sub 6] moet om die reden een afstand van 50 m worden gehanteerd tussen de perceelsgrens van de boomgaard en voor bestrijdingsmiddelen gevoelige objecten zoals het op het perceel [locatie 12] te [plaats] gelegen restaurant. De raad heeft zich volgens [appellant sub 6] ten onrechte op het standpunt gesteld dat door het plaatsen van windhagen en het gebruik van andere spuittechnieken een spuitzone van 50 m niet noodzakelijk is. Volgens [appellant sub 6] is geen sprake van een goede ruimtelijke ordening en een goed woon- en leefklimaat nu geen spuitzone in het plan is opgenomen. Er is door de raad ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om van de indicatieve afstand van 50 m af te wijken. Als gevolg van het ontbreken van een spuitzone komt het voortbestaan van zijn bedrijf volgens [appellant sub 6] in gevaar, aangezien hij zijn bedrijf niet langer kan exploiteren zonder dat dit invloed heeft op de huidige bedrijfsvoering. Nu in het plan geen spuitzone is opgenomen, had hierin een voorwaardelijke verplichting moeten worden opgenomen waarbij het restaurant verplicht wordt om de noodzakelijke ruimtelijke relevante maatregelen te treffen waardoor de drift niet zal neerslaan op het restaurant. De mogelijkheden hieromtrent zijn volgens [appellant sub 6] ten onrechte niet door de raad onderzocht.

23.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat wanneer windhagen worden geplaatst en betere spuittechnieken worden gehanteerd, een kleinere afstand dan 50 m kan worden aangehouden. Het opnemen van een 50 m-zone in het plan is volgens de raad bovendien niet nodig, omdat er gezien de wettelijke verplichtingen die voor het fruitteeltbedrijf van [appellant sub 6] gelden, sprake zou moeten zijn van een situatie waarin drift wordt voorkomen dan wel bijna volledig beperkt. De raad wijst in dit verband op de artikelen 78 en 80 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Bij toepassing van de bestaande wet- en regelgeving wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen volgens de raad al zodanig beperkt, dat [appellant sub 6] geen belang heeft bij een spuitzone rondom de boomgaard van 50 m.

23.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder c, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor horecavoorzieningen in de categorieën I, II en III zoals genoemd in de bij dit plan behorende "Lijst van toegelaten horecatypen" ter plaatse van de aanduiding "horeca".

Ingevolge artikel 1, onder 38, van de PRVS wordt onder verstedelijking verstaan alle functies die verband houden met wonen, bedrijvigheid, glastuinbouw, voorzieningen, bovengrondse en ondergrondse infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen, voor zover deze het oprichten van bebouwing mede mogelijk maken.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan, onverminderd het bepaalde in de artikelen 12 en 13, ook niet in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking, als bedoeld in artikel 1 van de verordening, in het landelijk gebied.

Ingevolge artikel 17 voorziet een bestemmingsplan slechts in de mogelijkheid dat agrarische gebouwen inclusief de agrarische bedrijfswoning(en) en uitgezonderd kassen, al dan niet als nevenfunctie, op het bouwperceel worden gebruikt voor kleinschalige vormen van (bijzondere) huisvesting, werken, recreatie en zorgfuncties indien:

a. door de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven en de woonfunctie van omringende woningen niet wordt beperkt;

b. de mogelijkheid van buitenopslag in relatie tot niet-agrarisch gebruik wordt geregeld in het bestemmingsplan;

c. de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie;

d. eventuele extra parkeerplaatsen op het eigen bouwperceel worden gerealiseerd;

e. ingeval van bijzondere huisvesting uitsluitend sprake is van afhankelijke woonruimten of woningen als onderdeel van zorgfuncties;

f. ingeval van recreatiefuncties permanente bewoning wordt verboden en;

g. in geval van functiewijziging naar burgerwoning na volledige agrarische bedrijfsbeëindiging dit uitsluitend gesitueerd wordt in het voormalige agrarische hoofdgebouw waarbij karakteristieke boerderijen gesplitst mogen worden indien geen afbreuk wordt gedaan aan het oorspronkelijke karakter van de bebouwing.

23.3. [appellant sub 6] heeft er in verband met zijn standpunt dat sprake is van strijd met de Structuurvisie Noord-Holland uitsluitend op gewezen dat hierin is vermeld dat in Noord-Holland een vitale en duurzame agrarische sector dient te worden behouden. Nu [appellant sub 6] echter niet heeft onderbouwd waarom dit als gevolg van het toestaan van horeca op het perceel [locatie 12] te [plaats] niet langer mogelijk is, kan hij naar het oordeel van de Afdeling niet worden gevolgd in zijn betoog.

23.4. Ter zitting is van de zijde van de raad desgevraagd aangegeven dat bij het vaststellen van het plan niet is bezien of het toestaan van horeca op de voor "Agrarisch" aangewezen gronden ter plaatse van het perceel [locatie 12] te [plaats], in overeenstemming is met de PRVS.

Naar het oordeel van de Afdeling is niet uitgesloten dat met het toestaan van horeca op het desbetreffende perceel sprake is van verstedelijking als bedoeld in artikel 14 van de PRVS, aangezien horeca valt onder het begrip "bedrijvigheid" als bedoeld in artikel 1, onder 38, van de PRVS en deze functie tevens het oprichten van bebouwing mede mogelijk maakt.

Ten aanzien van de vraag of het toestaan van horeca in strijd is met artikel 17 van de PRVS, wordt voorts overwogen dat het restaurant op het perceel [locatie 12] is gevestigd in een reeds bestaande landbouwschuur. Ingevolge artikel 17 van de PRVS voorziet een bestemmingsplan slechts onder voorwaarden in de mogelijkheid dat een agrarisch gebouw, al dan niet als nevenfunctie, op het bouwperceel wordt gebruikt voor kleinschalige recreatie. Niet is gebleken dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. De raad heeft ten onrechte niet bezien of het toekennen van de aanduiding "horeca" aan het perceel [locatie 12] te [plaats] in strijd is met de artikelen 14 en 17 van de PRVS.

23.5. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 6] dat de raad in het plan ten onrechte geen spuitzone heeft opgenomen, nu zijn boomgaard met gewasbeschermingsmiddelen wordt bespoten waarbij drift vrijkomt die ernstige gezondheidsrisico’s met zich kan brengen voor personen die zich bevinden ter plaatse van de horecagelegenheid die op grond van het plan is toegestaan ter plaatse van de [locatie 12], wordt als volgt overwogen.

De Afdeling stelt vast dat er geen wettelijke voorschriften zijn over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige objecten, zoals woningen. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen een fruitteeltbedrijf en gevoelige functies zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De toepasselijkheid in dit geval van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en daarop gebaseerde regelgeving staat hieraan niet in de weg, aangezien deze regels enerzijds en de Wro anderzijds elk een eigen werkingssfeer hebben. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 23 september 2009, in zaak nr. 200900570/1/R2, is toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid in de fruitsector waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk. Dit brengt echter niet reeds met zich dat een kortere afstand in dit geval niet redelijk zou kunnen zijn, indien aan deze afstand een deugdelijke motivering ten grondslag is gelegd. Niet in geschil is dat tussen de boomgaard van [appellant sub 6] en het restaurant aan de [locatie 12] een afstand van 12,5 m ligt. Dat er volgens de raad gelet op de huidige wettelijke verplichtingen een situatie zou moeten zijn dat met name drift wordt voorkomen dan wel dat deze bijna volledig wordt beperkt, wat hier ook van zij, kan niet als een deugdelijke motivering worden aangemerkt, nu deze wettelijke verplichtingen niet met zich brengen dat gevoelige functies als een horecagelegenheid in het kader van een goede ruimtelijke ordening geen bescherming behoeven. De raad heeft bovendien niet nader onderzocht wat in dit geval de effecten zijn van het plaatsen van windhagen en benutting van betere spuittechnieken. Gelet op het voorgaande heeft de raad onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom een afstand van 12,5 m toereikend is om ter hoogte van het restaurant op het perceel [locatie 12] te [plaats] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen.

23.6. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover aan het perceel [locatie 12] te [plaats] de aanduiding "horeca" is toegekend, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 6] is gegrond, zodat het betreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellanten sub 7]

24. [appellanten sub 7] voert aan dat de Ruimte voor Ruimte-regeling zoals vermeld in artikel 16 van de PRVS niet correct is uitgewerkt in de artikelen 3, lid 3.25, 4, lid 4.14, 5, lid 5.11, 6, lid 6.11 en 7, lid 7.13 van de planregels. Volgens [appellanten sub 7] zijn de desbetreffende planregels restrictiever dan artikel 16 van de PRVS voorschrijft.

24.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de PRVS kan een bestemmingsplan voorzien in de mogelijkheid van nieuwe woningen ter compensatie van storende bebouwing of functies buiten het bestaand bebouwd gebied als voorzien is in een Ruimte voor Ruimte-regeling.

Deze regels voorzien in ieder geval in:

a. een vermindering van het bebouwde oppervlak door een netto-afname van bebouwing;

b. zekerstelling dat de herstructurering van de te saneren locatie inclusief de sloop van de hiervoor bedoelde bebouwing of functies plaats heeft;

c. niet meer woningen worden toegestaan dan noodzakelijk is om de sloop van bedoelde bebouwing of functies te realiseren; de compensatie vanuit het ruimte voor ruimte beleid dient bij voorkeur plaats te vinden in of tegen bestaand bebouwd gebied.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, voorziet een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op Nationale Landschappen, als bedoeld in artikel 20 in een regeling, als bedoeld in artikel 16, eerste lid.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, is, voor zover thans van belang, als Nationaal Landschap nader begrensd het gebied Laag Holland (inclusief werelderfgoed De Beemster).

24.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.25, onder d, aanhef en onder 3, artikel 4, lid 4.14, onder d, aanhef en onder 3, artikel 5, lid 5.11, onder d, aanhef en onder 3, artikel 6, lid 6.11, onder d, aanhef en onder 3 en artikel 7, lid 7.13, onder d, aanhef en onder 3, kan het college van burgemeester en wethouders in verband met vrijkomende agrarische bebouwing de bestemming van gronden wijzigen onder de voorwaarde dat maximaal één vrijstaande nieuwe woning wordt gebouwd (bij voorkeur in of tegen bestaand bebouwd gebied), mits minimaal 1.000 m² van de voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt (incl. zekerstelling) en dit bijdraagt aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

Ingevolge artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, in onderlinge samenhang bezien met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de PRVS, dient het plan, nu het betrekking heeft op werelderfgoed De Beemster, te voorzien in een Ruimte voor Ruimte-regeling als bedoeld in het eerste lid van artikel 16 van de PRVS.

In artikel 16, eerste lid, van de PRVS is vermeld aan welke voorwaarden een Ruimte voor Ruimte-regeling in ieder geval moet voldoen.

Naar het oordeel van de Afdeling is met de in eerdervermelde planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheden aan deze voorwaarden voldaan. Hierin is immers opgenomen dat maximaal een vrijstaande nieuwe woning mag worden gebouwd, bij voorkeur in of tegen bestaand bebouwd gebied en minimaal 1.000 m² van de voormalige bedrijfsbebouwing moet worden gesloopt inclusief een zekerstelling. Bovendien moet de bestemmingswijziging bijdragen aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. De raad heeft voormelde planregels naar het oordeel van de Afdeling gelet hierop in redelijkheid kunnen vaststellen. Voor zover [appellanten sub 7] betoogt dat de in de planregels opgenomen Ruimte-voor Ruimte-regeling restrictiever is dan artikel 16 van de PRVS, wordt overwogen dat het de raad vrij staat de Ruimte voor Ruimte-regeling in de planregels strikter te formuleren dan artikel 16 van de PRVS voorschrijft. Niet is gebleken dat [appellanten sub 7] hierdoor in zijn belangen is geschaad.

24.3. Het beroep van [appellanten sub 7] is in zoverre ongegrond.

25. [appellanten sub 7] betoogt voorts dat op de verbeelding behorende bij het plan aan zijn perceel, waaraan de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" is toegekend, ten onrechte niet de aanduiding "caravanstalling" is toegekend, nu aan hem bij besluit van 23 juli 2012 een omgevingsvergunning voor het bouwen van een caravanstalling is verleend.

25.1. De Afdeling stelt vast dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van een caravanstalling op het perceel [locatie 13] te [plaats] slechts 13 dagen na de vaststelling van het plan is verleend. Nu de plannen voor het realiseren van een caravanstalling op het perceel voldoende concreet waren, heeft de raad hiermee naar het oordeel van de Afdeling bij de vaststelling van het plan ten onrechte geen rekening gehouden.

25.2. In hetgeen [appellanten sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover aan het perceel [locatie 13] te [plaats] niet de aanduiding "caravanstalling" is toegekend, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellanten sub 7] is gegrond, zodat het betreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 8]

26. Voor zover [appellant sub 8] betoogt dat de Ruimte voor Ruimte-regeling zoals vermeld in artikel 16 van de PRVS niet correct is opgenomen in de artikelen 3, lid 3.25, 4, lid 4.14, 5, lid 5.11, 6, lid 6.11 en 7, lid 7.13 van de planregels, wordt onder verwijzing naar de onder 24.2 gegeven motivering overwogen dat deze beroepsgrond faalt.

26.1. Het beroep van [appellant sub 8] is in zoverre ongegrond.

27. [appellant sub 8] betoogt voorts dat aan het aan hem in eigendom toebehorende perceel genummerd […] ten onrechte niet de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" is toegekend, terwijl dit perceel in de toekomst zou kunnen worden gebruikt voor glastuinbouw.

27.1. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat aan het perceel [...] op grond van het voorheen geldende plan de bestemming "Tuincentrum" was toegekend. Aangezien dit tuincentrum niet meer bestaat, diende aan het perceel een andere bestemming te worden toegekend. De raad heeft ervoor gekozen aan het perceel de bestemmingen "Agrarisch" en "Wonen" toe te kennen. In de enkele omstandigheid dat het desbetreffende perceel in de toekomst volgens [appellant sub 8] wellicht voor glastuinbouw zou kunnen worden gebruikt, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien voor het toekennen van de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" aan het perceel [...]. Hierbij betrekt de Afdeling dat van concrete plannen tot het realiseren van een glastuinbouwbedrijf ter plaatse niet is gebleken.

27.2. Het beroep van [appellant sub 8] is in zoverre ongegrond.

28. Voorts voert [appellant sub 8] aan dat aan hem op 16 juli 2010 ontheffing is verleend voor een caravanstalling met een oppervlakte van 3.700 m² op zijn perceel [locatie 14] te [plaats]. Volgens hem is gelet hierop in het plan aan zijn perceel, waaraan de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" is toegekend, ten onrechte niet de aanduiding "caravanstalling" toegekend.

28.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanduiding "caravanstalling" per abuis niet is toegekend aan het perceel van [appellant sub 8]. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

28.2. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor de gronden aan de [locatie 14] te Zuidoostbeemster waaraan niet tevens de aanduiding "caravanstalling" met een oppervlakte van 3.700 m² is toegekend, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 8] is in zoverre gegrond, zodat het betreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De beroepen van [appellant sub 10] en [appellant sub 9]

29. [appellant sub 10] en [appellant sub 9] betogen dat de Ruimte voor Ruimte-regeling zoals vermeld in artikel 16 van de PRVS niet correct is opgenomen in de artikelen 3, lid 3.25, 4, lid 4.14, 5, lid 5.11, 6, lid 6.11 en 7, lid 7.13 van de planregels. Onder verwijzing naar de onder 24.2 gegeven motivering wordt overwogen dat deze beroepsgrond faalt.

29.1. De beroepen van [appellant sub 10] en [appellant sub 9] zijn ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 11]

30. Voor zover [appellant sub 11] in zijn beroepschrift heeft verwezen naar de inhoud van zijn zienswijze, overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op de zienswijze. [appellant sub 11] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van zijn zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

31. [appellant sub 11] heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij de beroepsgronden dat de planregeling ter zake van de bebouwingsmogelijkheid van zijn perceel met 50% strijdig is met de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 (hierna: de SVBP 2008) en dat ten onrechte 457 m² van zijn gebouwen, waaronder kassen, onder het overgangsrecht is gebracht, niet handhaaft.

32. [appellant sub 11] voert aan dat de bebouwingsmogelijkheid van 50% ten aanzien van zijn perceel aan de [locatie 15] te [plaats] in het onderhavige plan is gekoppeld aan een bebouwingsvlak met een oppervlakte van 10.800 m², zodat thans 5.400 m² aan gebouwen is toegestaan, terwijl dit op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied 1994" 6.680 m² was. Hierdoor is de mogelijkheid om 1.280 m² aan bebouwing te realiseren komen te vervallen, terwijl een goede ruimtelijke onderbouwing hiervoor volgens [appellant sub 11] ontbreekt.

32.1. Aan het perceel [locatie 15] te [plaats] is de bestemming "Detailhandel - Tuincentrum" toegekend.

Ingevolge artikel 11, lid 11.2, aanhef en onder b, van de planregels mogen op de voor "Detailhandel - Tuincentrum" aangewezen gronden uitsluitend ten behoeve van deze bestemming bouwwerken worden gebouwd waarbij ten aanzien van de bebouwing binnen het bouwvlak wordt bepaald dat het maximale bebouwde oppervlak niet meer mag bedragen dan het percentage dat op de verbeelding staat aangegeven.

Ingevolge lid 11.5, aanhef en onder g, mag de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan 50% van het voor bebouwing aangewezen erf van de woning, met voor bijgebouwen en overkappingen een maximum van 48 m², met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen" de oppervlakte niet meer mag bedragen dan de oppervlakte van het aanduidingsgebied.

32.2. Ten aanzien van de bebouwingsmogelijkheden voor het perceel van [appellant sub 11] heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het bestemmingsvlak voor het perceel van [appellant sub 11] voor de bestemming "Tuincentrum" in het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994" gelijk is aan het bestemmingsvlak voor de bestemming "Detailhandel - Tuincentrum" in het thans aan de orde zijnde plan. Het bijbehorende bebouwingsvlak is in het onderhavige plan echter kleiner. Nu op grond van zowel het voorheen geldende plan als het onderhavige plan een bebouwingspercentage geldt van 50%, zijn de bebouwingsmogelijkheden in het onderhavige plan volgens de raad ten onrechte verkleind ten opzichte van het voorheen geldende plan.

Ten aanzien van de redactie van de bebouwingspercentageregeling als vermeld in artikel 11, lid 11.5, aanhef en onder g, van de planregels heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat dit artikel betrekking zou moeten hebben op bedrijfsbebouwing in relatie tot het tuincentrum en niet gemaximaliseerd zou moeten zijn tot 48 m² dan wel tot het aanduidingsgebied. Volgens de raad is het in dat artikel opgenomen percentage niet correct.

32.3. Nu de raad zich gezien het vorenstaande in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het betreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

33. [appellant sub 11] kan zich voorts niet verenigen met het plan voor zover daarin voor kassen een maximale goothoogte van 3,5 m is bepaald. Hierbij voert hij aan dat een goothoogte van 5 m gelet op zijn bedrijfsvoering noodzakelijk is. [appellant sub 11] wenst de bestaande kassen in de nabije toekomst te vervangen door kassen met meer gangbare afmetingen en daaraan gerelateerde technieken en bedrijfsvoering. Hij wijst er voorts op dat zijn bedrijf bomen, heesters en struiken verkoopt met een hoogte variërend tussen de 4 m en 5 m.

[appellant sub 11] wijst er verder op dat in het plan voor de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch - Glastuinbouw" goothoogtes van onderscheidenlijk 4 m en 6 m zijn bepaald, terwijl ten aanzien van de bestemming "Detailhandel - Tuincentrum" de goothoogte via de verbeelding nader is geregeld, waarbij de goothoogte varieert van 3,5 m tot 4,5 m. Volgens [appellant sub 11] is gezien het vorenstaande sprake van een gevarieerde regeling die vanwege de ruimtelijke uitstraling op de omgeving niet wordt gerechtvaardigd. In het onderhavige geval is bij het bepalen van de maximale goothoogte ten onrechte geen rekening gehouden met de bedrijfsvoering van [appellant sub 11].

33.1. Ingevolge artikel 11, lid 11.3, onder a, sub 2, van de planregels, voor zover thans van belang, mag de goothoogte van het bedrijfsgebouw niet meer bedragen dan op de verbeelding staat aangegeven.

Blijkens de verbeelding bedraagt de maximaal toegestane goothoogte voor het perceel [locatie 15] te [plaats] 3,5 m.

33.2. De raad heeft toegelicht dat de goothoogte voor percelen met de bestemming "Detailhandel - Tuincentrum" per specifieke locatie is vastgesteld, waarbij uitgangspunt is dat de bestaande bebouwing op het perceel leidend is. Om die reden is in het ontwerpbestemmingsplan de maximaal toegestane bouwhoogte bepaald op 3 m. Naar aanleiding van de door [appellant sub 11] ingediende zienswijze is de goothoogte in het plan vervolgens bepaald op 3,5 m. De raad heeft benadrukt dat het landelijk gebied haar open karakter dient te behouden en dat een goothoogte van 5 m een grote invloed heeft op de beleving van het landschap. Ter zitting is voorts van de zijde van de raad aangegeven dat in de planregels behorende bij het voorheen geldende plan een afwijkingsbevoegdheid was opgenomen op grond waarvan onder voorwaarden een goothoogte van 5 m mogelijk was. Volgens de raad had het voor de hand gelegen een dergelijke afwijkingsbevoegdheid ook in het onderhavige plan op te nemen.

Nu de raad zich gezien het vorenstaande in zoverre eveneens op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het betreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

34. Voorts betoogt [appellant sub 11] dat hij op verschillende plaatsen op zijn bedrijfsterrein kassen in gebruik heeft voor stallingsdoeleinden voor caravans. Op de verbeelding is volgens [appellant sub 11] aan een te klein gedeelte van zijn perceel de aanduiding "caravanstalling" toegekend.

34.1. Op het perceel van [appellant sub 11] is volgens de raad vanuit planologisch en brandveiligheidsoogpunt een caravanstalling toegestaan met een oppervlakte van 4.311 m² en een caravanstalling met een oppervlakte van 1.406 m². Ten onrechte is volgens de raad op de verbeelding aan een te klein gedeelte van het perceel de aanduiding "caravanstalling" toegekend.

De raad stelt zich in zoverre, zonder dat is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan. De Afdeling is derhalve van oordeel dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het betreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

35. [appellant sub 11] voert voorts aan dat aan de gronden met de bestemming "Detailhandel - Tuincentrum" de aanduiding "caravanstalling" is toegekend, terwijl in de planregels die zien op de bestemming "Detailhandel - Tuincentrum" niet is vermeld dat deze zijn bestemd voor "caravanstalling" ter plaatse van de aanduiding "caravanstalling". Volgens [appellant sub 11] is gelet hierop sprake van een systeemfout, omdat de verbeelding en de planregeling ten onrechte niet aan elkaar zijn gekoppeld.

35.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat in de planregels, behorende bij de bestemming "Detailhandel - Tuincentrum" ten onrechte geen relatie is aangebracht met de gronden, voorzien van de aanduiding "caravanstalling". In zoverre stelt de raad zich op een ander standpunt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan terwijl niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven. Het bestreden besluit is gelet hierop wat dit onderdeel betreft genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het betreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 12]

36. [appellant sub 12] voert aan dat ingevolge artikel 3, lid 3.9 onder d, van de planregels de buitenopslag van caravans als strijdig gebruik wordt aangemerkt, terwijl reeds sinds 1989 met medeweten van het gemeentebestuur zowel in de kassen als daarbuiten opslag van caravans op zijn perceel aan de [locatie 16] te [plaats] plaatsvindt. Buitenopslag van caravans is volgens [appellant sub 12] in het voorjaar en najaar noodzakelijk, omdat veel caravans worden gestald en na korte tijd weer opgehaald.

Voorts dient volgens [appellant sub 12] aan zijn perceel niet langer de bestemming "Agrarisch" maar de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "caravanstalling" te worden toegekend nu zijn bedrijf niet langer voor agrarische doeleinden wordt gebruikt.

36.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a en g, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijven en caravanstalling, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "caravanstalling".

Ingevolge lid 3.9, aanhef en onder d, wordt onder strijdig gebruik verstaan het geplaatst hebben van mobiele kampeermiddelen buiten de periode van 1 maart tot en met 31 oktober.

36.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid de aanduiding "caravanstalling" uitsluitend kunnen toekennen aan de op het perceel van [appellant sub 12] aanwezige caravanstalling, voor zover dit de binnenstalling van caravans betreft. Hierbij heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat structurele buitenstalling van caravans ruimtelijk niet kan worden verantwoord vanwege de aantasting van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden die hiermee gepaard gaat. Aan het perceel van [appellant sub 12] is voorts de bestemming "Agrarisch" toegekend. Gelet hierop heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het perceel niet onevenredig in gebruik mag worden genomen door een niet-agrarische functie, zodat caravanstalling van ondergeschikt belang dient te zijn en niet het karakter van het perceel mag bepalen. De Afdeling neemt bij het vorenstaande in aanmerking dat incidentele buitenstalling in verband met de logistiek van het halen en brengen van stallingsobjecten niet onder structurele buitenstalling valt en derhalve wel is toegestaan.

Voorts bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad ten onrechte niet de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "caravanstalling" aan het perceel heeft toegekend. In dit verband heeft de raad in redelijkheid van belang kunnen achten dat geen concrete aanvraag voor aanpassing van de bestemming is ingediend.

36.3. Het beroep van [appellant sub 12] is ongegrond.

Het beroep van de Gasunie

37. Het beroep van de Gasunie is verder gericht tegen het niet toekennen van de dubbelbestemming "Leiding - Gas" aan een gedeelte van de bestaande aardgastransportleiding die ten westen van de A7 en ten zuiden van de Oosthuizersloot ligt. Zij betoogt dat de bestaande aardgastransportleiding in strijd met artikel 14 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen niet als zodanig op de verbeelding is weergegeven, terwijl de raad in de Nota van zienswijzen heeft aangegeven dat de verbeelding zal worden aangepast overeenkomstig de bestaande situatie. Volgens de Gasunie heeft de raad het plan op dit punt ten onrechte niet gewijzigd vastgesteld en had de dubbelbestemming "Leiding - Gas" aan het desbetreffende gedeelte van de bestaande aardgastransportleiding toegekend moeten worden.

37.1. De raad stelt in de Nota van zienswijzen dat de ligging van de aardgastransportleiding zal worden gecorrigeerd. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding die door de raad is gewaarmerkt als behorend bij zijn besluit van 10 juli 2012 en ter inzage is gelegd. De raad heeft dit in het verweerschrift erkend. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit. In hetgeen de Gasunie aanvoert ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

37.2. Het beroep van de Gasunie is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel dient te worden vernietigd.

Opdracht

38. De Afdeling ziet voorts aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zoals dat luidde ten tijde van belang, op te dragen binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen ter zake van de plandelen genoemd in 23.6, 25.2, 28.2, 32.3, 33.2, 34.1, 35.1 en 37.2 een nieuw besluit te nemen en daarbij te bepalen dat de voorbereiding daarvan niet overeenkomstig de eisen bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb hoeft te geschieden.

39. Uit het oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling voorts aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

40. De raad dient ten aanzien van de Stichting Nekkerzoom, [appellant sub 6] en [appellant sub 11] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 8], [appellanten sub 7], de Gasunie en de Stichting Beemstergroen is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 10], [appellant sub 9] en [appellant sub 12] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Ten aanzien van het verzoek van [appellant sub 11] om de raad te veroordelen in de kosten voor het opmaken van een deskundigenbericht overweegt de Afdeling dat [appellant sub 11] de opgave van deze kosten niet heeft gespecificeerd en onderbouwd. Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt daarom in zoverre afgewezen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de naamloze vennootschap Nederlandse Gasunie N.V., voor zover gericht tegen artikel 23, lid 23.3, onder b, van de planregels en tegen artikel 23, lid 23.6, van de planregels, voor zover hierin geen nadere voorwaarden met betrekking tot het verlenen van een omgevingsvergunning zijn opgenomen, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van de stichting Stichting Beemstergroen, de stichting Stichting Nekkerzoom en de stichting Stichting Behoud Waterland, [appellant sub 6], [appellanten sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 11] en de naamloze vennootschap Nederlandse Gasunie N.V. gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Beemster van 10 juli 2012, voor zover het betreft:

a. het niet toekennen van de dubbelbestemming "Leiding - Gas" aan een gedeelte van de bestaande aardgastransportleiding ten westen van de A7 en ten zuiden van de Oosthuizersloot te Noordoostbeemster;

b. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Nekkerweg 79 te Zuidoostbeemster;

c. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel Vredenburghweg 3 te Zuidoostbeemster;

d. artikel 3, lid 3.24 en lid 3.26, van de planregels;

e. artikel 4, lid 4.13, van de planregels;

f. het niet toekennen van de aanduiding "caravanstalling" aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor het perceel [locatie 13] te [plaats];

g. het niet toekennen van de aanduiding "caravanstalling" aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor het perceel [locatie 14] te Zuidoostbeemster;

h. artikel 11, lid 11.5, aanhef en onder g, van de planregels;

i. de omvang van het bebouwingsvlak van het plandeel met de bestemming "Detailhandel - Tuincentrum" voor het perceel [locatie 15] te [plaats];

j. het niet in de planregels opnemen van een afwijkingsbevoegdheid ten aanzien van de maximaal toegestane goothoogte voor de bestemming "Detailhandel - Tuincentrum";

k. de weergave op de verbeelding van de oppervlakte van het gedeelte van het plandeel met de bestemming "Detailhandel - Tuincentrum" voor het perceel [locatie 15] te [plaats] waaraan de aanduiding "caravanstalling" is toegekend;

l. het in de planregels die zien op de bestemming "Detailhandel - Tuincentrum" niet voorzien in een relatie met de gronden die zijn voorzien van de aanduiding "caravanstalling";

IV. draagt de raad van de gemeente Beemster op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen met betrekking tot de plandelen genoemd onder III., onder a., f., g., h., i., j., k. en l. en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. draagt de raad van de gemeente Beemster op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III. b., c., d. en e. worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. verklaart de beroepen van [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellanten sub 3], [appellanten sub 10], [appellant sub 9] en [appellant sub 12] geheel en de beroepen van de stichting Stichting Beemstergroen, de stichting Stichting Nekkerzoom en de stichting Stichting Behoud Waterland, [appellant sub 6], [appellanten sub 7], [appellant sub 8] en [appellant sub 11] voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Beemster tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

a. de stichting Stichting Nekkerzoom en de stichting Stichting Behoud Waterland tot een bedrag van € 975,08 (zegge: negenhonderdvijfenzeventig euro en acht cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. [appellant sub 6] tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. [appellant sub 11] tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Beemster aan de hierna te noemen appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de stichting Stichting Nekkerzoom en de stichting Stichting behoud Waterland, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de naamloze vennootschap Nederlandse Gasunie N.V.;

c. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de stichting Stichting Beemstergroen;

d. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 6];

e. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellanten sub 7], met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

f. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 8];

g. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 11].

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, ambtenaar van staat.

w.g. Helder w.g. Melenhorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2013

490-634.