Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1151

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2013
Datum publicatie
18-09-2013
Zaaknummer
201210096/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 augustus 2012, nr. 69537/72588, heeft het college besloten aan de raad van de gemeente Beemster een aanwijzing te geven ertoe strekkende dat de artikelen 3, lid 3.21, 3.22 en 3.29, en 4, lid 4.11 en 4.12, van de planregels geen deel blijven uitmaken van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", zoals dat op 17 juli 2012 is vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/78
OGR-Updates.nl 2013-0257
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210096/1/R1.

Datum uitspraak: 18 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de raad van de gemeente Beemster,

2. [appellant sub 2], wonend te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster,

3. [appellant sub 3], wonend te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster,

4. [appellant sub 4], wonend te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster,

5. [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]), wonend te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster,

6. [appellant sub 6], wonend te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2012, nr. 69537/72588, heeft het college besloten aan de raad van de gemeente Beemster een aanwijzing te geven ertoe strekkende dat de artikelen 3, lid 3.21, 3.22 en 3.29, en 4, lid 4.11 en 4.12, van de planregels geen deel blijven uitmaken van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", zoals dat op 17 juli 2012 is vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de raad, [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 4] en [appellant sub 6] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 201209567/1/R1 ter zitting behandeld op 17 juli 2013, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. T.J.W. Bult en G.H. Hefting, beiden werkzaam bij de gemeente, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J. Zwiers, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5], vertegenwoordigd door G.M. van der Velden, werkzaam bij AgriTeam Makelaars, [appellant sub 6], vertegenwoordigd door C. Wals, werkzaam bij Wals Advies en het college, vertegenwoordigd door mr. D. Westerwal en drs. S. Traudes-Noorlander, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kunnen, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen.

Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, kan, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, het college aan de raad een aanwijzing geven om binnen een daarbij te bepalen termijn een bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften omtrent de inhoud van dat bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, kan het college, onverminderd andere aan hem toekomende bevoegdheden, met betrekking tot een onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan waarover hij een zienswijze over het ontwerp heeft ingediend en deze niet volledig is overgenomen, aan de gemeenteraad een aanwijzing geven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wro, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. Het college vermeldt in de redengeving de aan het besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die de provincie beletten het betrokken provinciaal belang met inzet van andere aan haar toekomende bevoegdheden te beschermen.

Het plan

2. Het plan voorziet in een actualisering van het planologische regime voor het buitengebied van Beemster dat sinds 1 december 1999 als landschappelijk cultuurhistorisch werelderfgoed is aangemerkt. Het plan heeft een overwegend conserverend karakter, maar voorziet tevens in enkele nieuwe ontwikkelingen. Het plangebied omvat de gehele droogmakerij

De Beemster, exclusief de kernen Middenbeemster, Zuidoostbeemster en Westbeemster. Met het plan is beoogd de grote landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied te beschermen.

Het beroep van de raad

3. De raad betoogt dat de reactieve aanwijzing, voor zover deze inhoudt dat artikel 3, lid 3.29, van de planregels geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan, ten onrechte is gegeven.

De raad voert in dit verband aan dat agrarische hulpbedrijven in het landelijk gebied deel uitmaken van de agrarische activiteiten. Met de in artikel 3, lid 3.29, van de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid is beoogd het voor agrariërs mogelijk te maken zich te specialiseren tot agrarisch hulpbedrijf. Agrarische hulpbedrijven kunnen volgens de raad niet worden aangemerkt als verstedelijking als bedoeld in artikel 1, lid 38, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (hierna: de PRVS). Een agrarisch hulpbedrijf is, weliswaar indirect, evenals een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de PRVS, gericht op het voortbrengen van landbouwproducten en vervult als zodanig een belangrijke landbouwfunctie. De wijzigingsbevoegdheid levert volgens de raad juist een positieve bijdrage aan het voorkomen van verdere verstedelijking, nu hierin voorwaarden worden gesteld aan de sloop van overtollige agrarische bebouwing en een inrichtingsplan voor een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing is vereist. Daarnaast wordt volgens de raad verdere verstening door de wijzigingsbevoegdheid voorkomen, omdat iedere agrariër bij gebrek aan agrarische hulpbedrijven over een eigen machinepark moet beschikken. Voorts wijst de raad erop dat de gemeente Beemster slechts over een klein bedrijventerrein beschikt, zodat agrarische hulpbedrijven zich op het bedrijventerrein in Purmerend Noord zouden moeten vestigen, hetgeen zeer onpraktisch is.

3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat agrarische hulpbedrijven geen agrarische bedrijven zijn zoals bedoeld in de PRVS, aangezien de bedrijfsvoering niet agrarisch van aard is. Een agrarisch hulpbedrijf is niet gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, houtteelt daaronder begrepen, of het houden van dieren. Nu het provinciale beleid is gericht op duurzaam ruimtegebruik, met als doel het openhouden van landschappen, is het uitgangspunt dat agrarische hulpbedrijven op een bedrijventerrein worden gevestigd in plaats van in het landelijk gebied. In uitzonderingsgevallen, indien nut en noodzaak van een specifiek bedrijf zijn aangetoond, kan een agrarisch hulpbedrijf in het landelijk gebied worden toegestaan. Het college kan zich er niet mee verenigen dat de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid categoraal van aard is, waarbij in het geheel geen aandacht is besteed aan de noodzaak van deze verstedelijking. Er is evenmin aandacht besteed aan de mogelijkheid elders binnen bestaand bebouwd gebied loonbedrijven te situeren en niet is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteitseisen van artikel 15 van de PRVS in acht zijn genomen. Gezien het vorenstaande is volgens het college van een uitzonderingssituatie in het onderhavige geval geen sprake. Het college wijst er voorts op dat agrarische hulpbedrijven niet vallen onder de in artikel 17 van de PRVS vermelde kleinschalige functies die bij beëindiging van een agrarisch bedrijf zonder meer zijn toegestaan.

3.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.29, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Agrarisch" wijzigen in de bestemming "Agrarisch - Hulpbedrijf" al dan niet in combinatie met de aanduiding "agrarisch" met inachtneming van de volgende regels:

a. het betrokken agrarisch bedrijf is/wordt beëindigd en hervatting daarvan is in redelijkheid niet meer te verwachten;

b. overtollige agrarische bebouwing wordt gesloopt;

c. in een inrichtingsplan dient de ruimtelijke en landschappelijke inpassing van het agrarische hulpbedrijf te worden vastgelegd.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, voor zover thans van belang, zijn de voor "Agrarisch - Hulpbedrijf" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch hulpbedrijf, al dan niet in combinatie met een agrarisch bedrijf, met daarbij behorende bouwwerken waaronder bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen, open terreinen, waaronder wegen en paden, opslag-, los-, laad-, en parkeerplaatsen, groen en watervoorzieningen.

Ingevolge artikel 1, lid 1.1, onder k, wordt onder agrarisch hulpbedrijf of agrarisch loonbedrijf een bedrijf verstaan dat uitsluitend of in overwegende mate gericht is op het verrichten van werkzaamheden voor en/of de levering van diensten aan agrarische bedrijven en verder ook als agrarisch bedrijf kan functioneren.

Ingevolge artikel 1, onder 38, van de PRVS wordt onder verstedelijking verstaan alle functies die verband houden met wonen, bedrijvigheid, glastuinbouw, voorzieningen, bovengrondse en ondergrondse infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen, voor zover deze het oprichten van bebouwing mede mogelijk maken.

Ingevolge artikel 1, onder 3, wordt onder agrarisch bedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, houtteelt daaronder begrepen, of het houden van dieren.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan onverminderd het bepaalde in de artikelen 12 en 13 niet in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking, als bedoeld in artikel 1, in het landelijk gebied.

Ingevolge het tweede lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan het college, gehoord de Adviescommissie voor Ruimtelijke Ontwikkeling, ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan slechts in de mogelijkheid dat agrarische gebouwen inclusief de agrarische bedrijfswoning(en) en uitgezonderd kassen, al dan niet als nevenfunctie, op het bouwperceel worden gebruikt voor kleinschalige vormen van (bijzondere) huisvesting, werken, recreatie en zorgfuncties indien:

a. de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven en de woonfunctie van omringende woningen niet wordt beperkt:

b. de mogelijkheid van buitenopslag in relatie tot niet-agrarisch gebruik wordt geregeld in het bestemmingsplan;

c. de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie;

d. eventuele extra parkeerplaatsen op het eigen bouwperceel worden gerealiseerd;

e. ingeval van bijzondere huisvesting uitsluitend sprake is van afhankelijke woonruimten of woningen als onderdeel van zorgfuncties;

f. ingeval van recreatiefuncties permanente bewoning wordt verboden, en;

g. ingeval van functiewijziging naar burgerwoning na volledige agrarische bedrijfsbeëindiging dit uitsluitend gesitueerd wordt in het voormalige agrarische hoofdgebouw waarbij karakteristieke boerderijen gesplitst mogen worden indien geen afbreuk wordt gedaan aan het oorspronkelijke karakter van de bebouwing.

Ingevolge het tweede lid is het college bevoegd nadere regels vast te stellen over de aard en omvang van de toe te laten niet-agrarische functies.

3.3. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat een agrarisch hulpbedrijf niet kan worden gelijkgesteld met een agrarisch bedrijf zoals bedoeld in artikel 1, onder 3, van de PRVS. Een agrarisch hulpbedrijf is niet gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, houtteelt daaronder begrepen, of het houden van dieren. Hoewel agrarische hulpbedrijven een faciliterende rol vervullen ten opzichte van agrarische bedrijven, kan, anders dan de raad betoogt, naar het oordeel van de Afdeling niet worden gesteld dat een agrarisch hulpbedrijf een landbouwfunctie vervult, daar de bedrijfsvoering niet-agrarisch van aard is. Het college heeft agrarische hulpbedrijven terecht aangemerkt als verstedelijking als bedoeld in artikel 1, onder 38, van de PRVS, nu deze bedrijven vallen onder het in dat artikel genoemde begrip bedrijvigheid en het in zoverre een functie betreft die het oprichten van bebouwing mede mogelijk maakt. Voorts heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat agrarische hulpbedrijven niet vallen onder de in artikel 17 van de PRVS genoemde kleinschalige functies die bij beëindiging van een agrarisch bedrijf zonder meer zijn toegestaan. Ten slotte heeft het college terecht geconstateerd dat geen ontheffing van de PRVS is aangevraagd dan wel verleend op grond van artikel 14, tweede lid, van de PRVS, zoals dit luidde ten tijde van belang.

Gezien het vorenstaande heeft het college in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing ten aanzien van artikel 3, lid 3.29, van de planregels kunnen uitgaan. De raad heeft niet aannemelijk gemaakt dat op voorhand vast staat dat door het opnemen van een categorale wijzigingsbevoegdheid voor agrarische hulpbedrijven per saldo minder verstening optreedt dan bij een afzonderlijke toetsing op perceelsniveau. Het college heeft van belang kunnen achten dat het als gevolg van de categorale aard van de wijzigingsbevoegdheid niet mogelijk is om nut en noodzaak van het realiseren van agrarische hulpbedrijven vast te stellen en te beoordelen of de ruimtelijke kwaliteitseisen van artikel 15 van de PRVS in acht worden genomen. De Afdeling wijst er in dit verband op dat het college zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat het vaststellen van nut en noodzaak van het realiseren van een agrarisch hulpbedrijf en het beoordelen van de vraag of is voldaan aan de ruimtelijke kwaliteitseisen wel mogelijk zou zijn indien de wijzigingsbevoegdheid in het plan zou zijn opgenomen ten aanzien van bepaalde vastgestelde percelen. In dat geval kan per specifiek perceel worden vastgesteld of aan de vereisten van de PRVS is voldaan.

3.4. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

4. [appellant sub 2] voert aan dat de reactieve aanwijzing, voor zover deze inhoudt dat artikel 3, lid 3.22 van de planregels geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan, ten onrechte is gegeven. [appellant sub 2] betoogt dat uitbreiding van de caravanstalling op zijn perceel in de toekomst mogelijk moet blijven.

4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat nieuwe caravanstallingen en uitbreiding van bestaande caravanstallingen in het buitengebied niet kunnen worden aangemerkt als een agrarische activiteit. Caravanstalling is een stedelijke functie en dient derhalve op een bedrijventerrein plaats te vinden. Het stallen van caravans kan de herstructurering van het landelijk gebied en de glastuinbouw volgens het college in belangrijke mate hinderen.

4.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarische bedrijven;

b. de verkoop of het ten verkoop aanbieden van producten afkomstig van het betrokken agrarisch bedrijf;

c. horecavoorzieningen in de categorieën I, II en III zoals genoemd in de bij dit plan behorende "Lijst van toegelaten horecatypen" ter plaatse van de aanduiding "horeca";

d. agrarisch hulpbedrijf ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - hulpbedrijf";

e. transportbedrijf ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - transportbedrijf";

f. delfstofwingebied, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - delfstofwingebied";

g. caravanstalling, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "caravanstalling";

h. erfpad met bijbehorende beplanting ter plaatse van de aanduiding "pad";

i. wonen ten behoeve van het bedrijf, tenzij staat aangegeven dat een woning niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten";

j. erven.

alsmede voor:

k. ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - rijksmonument" het behoud en bescherming van rijksmonumenten;

l. ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek" het behoud en bescherming van karakteristieke bouwwerken.

Ingevolge lid 3.11 zijn binnen de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de aanduiding "caravanstalling" bestaande caravanstallingen toegestaan, met dien verstande dat de oppervlakte voor het stallen van caravans niet meer mag bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "(cs)".

Ingevolge lid 3.22, voor zover thans van belang, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.11 voor het gebruik van een groter oppervlak voor de stalling van caravans dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "caravanstalling".

4.3. Aan het perceel van [appellant sub 2] aan de [locatie 1] te Zuidoostbeemster zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "caravanstalling" toegekend. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de reactieve aanwijzing niet ziet op de reeds bestaande caravanstalling op het perceel van [appellant sub 2].

Voor zover [appellant sub 2] zich niet met de reactieve aanwijzing kan verenigen voor zover deze inhoudt dat artikel 3, lid 3.22 van de planregels geen deel blijft uitmaken van het plan, omdat hij de omvang van de bestaande caravanstalling op zijn perceel in de toekomst wil kunnen uitbreiden, wordt als volgt overwogen. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat caravanstalling een stedelijke functie betreft als bedoeld in artikel 1, onder 38, van de PRVS, nu caravanstalling kan worden geschaard onder het in dat artikel genoemde begrip bedrijvigheid. Gelet hierop is het bestemmingsplan, voor zover het voorziet in uitbreidingsmogelijkheden van bestaande caravanstallingen, in strijd met artikel 14, eerste lid, van de PRVS. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij uitbreiding van bestaande caravanstallingen van verstedelijking in vorenbedoelde zin geen sprake is. Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling bij het geven van de reactieve aanwijzing ten aanzien van artikel 3 lid 3.22 van de planregels voorts kunnen betrekken dat het ook gelet op het behoud van het open karakter van het agrarische landschap onwenselijk is bestaande caravanstallingen uit te breiden.

4.4. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 6]

5. [appellant sub 6] voert aan dat de reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven voor zover deze het bestaand gebruik van zijn perceel ten behoeve van detailhandel en caravanstalling, met name wat de omvang daarvan betreft, in de weg staat. De bestaande bebouwing op zijn perceel ligt volgens [appellant sub 6] binnen bestaand bebouwd gebied en het gebruik van een caravanstalling past hier in. Het perceel is reeds sinds lange tijd in gebruik als tuincentrum in combinatie met een (binnen)stalling voor caravans. Er is derhalve geen sprake van een nieuwe caravanstalling maar van voortzetting van bestaande stallingsactiviteiten.

5.1. [appellant sub 6] heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij de beroepsgrond dat de PRVS onverbindend is, niet handhaaft.

5.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

5.3. Aan het perceel van [appellant sub 6] aan de [locatie 2] te Zuidoostbeemster zijn de bestemming "Detailhandel - Tuincentrum" en de aanduiding "caravanstalling" toegekend. Ter zitting is van de zijde van het college toegelicht dat de reactieve aanwijzing geen betrekking heeft op planregels die zien op de bestemming "Detailhandel - Tuincentrum" en dat de reactieve aanwijzing zich evenmin richt tegen het toekennen van de aanduiding "caravanstalling" aan het perceel van [appellant sub 6]. De reactieve aanwijzing staat het bestaande gebruik van het perceel ten behoeve van detailhandel en stallingsdoeleinden gelet hierop niet in de weg en heeft geen betrekking op de voor [appellant sub 6] relevante delen van het bestemmingsplan. De conclusie is dat [appellant sub 6] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en dat hij daartegen geen beroep kan instellen.

5.4. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 3]

6. [appellant sub 3] betoogt dat de reactieve aanwijzing, voor zover deze inhoudt dat de uitbreidingsmogelijkheden van bestaande caravanstallingen worden verslechterd, ten onrechte is gegeven.

6.1. Ingevolge lid 4.1. zijn de voor "Agrarisch - Glastuinbouw" aangewezen gronden bestemd voor:

a. glastuinbouwbedrijven:

b. de verkoop of het ten verkoop aanbieden van producten afkomstig van het betrokken agrarisch bedrijf;

c. kas ter plaatse van de aanduiding "kas";

d. caravanstalling, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "caravanstalling";

met daarbij behorende:

e. bouwwerken waaronder bedrijfswoningen, agrarische bedrijfsgebouwen en kassen;

f. warmtesilo’s en overige bouwwerken, geen gebouw zijnde;

g. onbebouwde agrarische gronden;

h. wegen en paden;

i. groen- en watervoorzieningen;

j. open terreinen, zoals parkeer-, opslag-, laad-, en losplaatsen;

k. waterberging en waterbassins.

alsmede voor:

l. ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - rijksmonument" het behoud en bescherming van rijksmonumenten;

m. ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek" het behoud en bescherming van karakteristieke bouwwerken.

Ingevolge lid 4.10 zijn binnen de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" ter plaatse van de aanduiding "caravanstalling" bestaande caravanstallingen toegestaan, met dien verstande dat de oppervlakte voor het stallen van caravans niet meer mag bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "(cs)".

Ingevolge artikel 4, lid 4.11, voor zover thans van belang, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 4.1 en lid 4.9 onder d, voor het gebruik van vrijkomende agrarische bebouwing voor de stalling van caravans, waarbij de oppervlakte aan caravanstalling per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 5.000 m².

Ingevolge lid 4.12, voor zover thans van belang, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 4.11 voor het gebruik van een groter oppervlak voor de stalling van caravans dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "caravanstalling".

6.2. De Afdeling gaat er, gelet op de systematiek van het plan, van uit dat in artikel 4, lid 4.12, van de planregels per abuis is verwezen naar lid 4.11 in plaats van lid 4.10.

6.3. Aan het perceel van [appellant sub 3] aan de [locatie 3] te Zuidoostbeemster is de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" toegekend. Voorts is aan [appellant sub 3] op 16 juli 2010 een binnenplanse ontheffing verleend ten behoeve van het exploiteren van een caravanstalling op zijn perceel. Ter zitting is van de zijde van de raad erkend dat gelet hierop ten onrechte niet de aanduiding "caravanstalling" aan het perceel van [appellant sub 3] is toegekend. Ter zitting is van de zijde van het college toegelicht dat de reactieve aanwijzing zich niet richt tegen de bestaande caravanstalling op het perceel van [appellant sub 3].

Voor zover [appellant sub 3] aanvoert dat hij zich niet met de reactieve aanwijzing kan verenigen voor zover deze inhoudt dat artikel 4, lid 4.12, van de planregels geen deel blijft uitmaken van het plan, omdat hij de omvang van de bestaande caravanstalling op zijn perceel in de toekomst wil kunnen uitbreiden, wordt als volgt overwogen. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat caravanstalling een stedelijke functie betreft als bedoeld in artikel 1, onder 38, van de PRVS, nu caravanstalling kan worden geschaard onder het in dat artikel genoemde begrip bedrijvigheid. Gelet hierop is het bestemmingsplan, voor zover het voorziet in uitbreidingsmogelijkheden van bestaande caravanstallingen, in strijd met artikel 14, eerste lid, van de PRVS. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij uitbreiding van bestaande caravanstallingen van verstedelijking in vorenbedoelde zin geen sprake is. Gezien het vorenstaande heeft het college in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing ten aanzien van artikel 4, lid 4.12, van de planregels kunnen uitgaan.

6.4. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

7. [appellant sub 4] voert aan dat de reactieve aanwijzing, voor zover deze inhoudt dat artikel 4, lid 4.11, van de planregels geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", ten onrechte is gegeven. Om verpaupering van glastuinbouwbedrijven te voorkomen, kan caravanstalling in de huidige economische tijd volgens [appellant sub 4] een goede aanvulling op het inkomen van glastuinders vormen.

7.1. Aan het perceel van [appellant sub 4] aan de [locatie 4] te Zuidoostbeemster is onder meer de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" toegekend. Aan het perceel is niet tevens de aanduiding "caravanstalling" toegekend.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat caravanstalling een stedelijke functie betreft als bedoeld in artikel 1, onder 38, van de PRVS, nu caravanstalling valt onder het in dat artikel genoemde begrip bedrijvigheid. Het college heeft zich gelet hierop met juistheid op het standpunt gesteld dat artikel 4, lid 4.11, van de planregels, dat ziet op de mogelijkheid vrijkomende agrarische bebouwing te gebruiken voor nieuwe caravanstallingen, in strijd is met artikel 14, eerste lid, van de PRVS. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college hierbij met name van belang kunnen achten dat het als gevolg van de categorale aard van de afwijkingsbevoegdheid niet mogelijk is om nut en noodzaak van het realiseren van nieuwe caravanstallingen vast te stellen dan wel te beoordelen of de ruimtelijke kwaliteitseisen van artikel 15 van de PRVS in acht worden genomen. Gezien het vorenstaande heeft het college in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing ten aanzien van artikel 4, lid 4.11, van de planregels kunnen uitgaan. In de omstandigheid dat caravanstalling een goede aanvulling is op het inkomen van glastuinders heeft het college naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding hoeven zien voor een andere conclusie.

7.2. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5]

8. [appellant sub 5] voert aan dat zijn caravanstallingsbedrijf in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Indien zijn caravanstallingsbedrijf als nieuw bedrijf dient te worden beschouwd, dan kan [appellant sub 5] zich niet verenigen met de reactieve aanwijzing, voor zover deze inhoudt dat de artikelen 3, lid 3.21 en 3.22 en 4, lid 4.11 en 4.12 van de planregels geen deel blijven uitmaken van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Volgens [appellant sub 5] is caravanstalling een uitstekend alternatief voor het gebruik van tuinbouwkassen in het buitengebied.

8.1. Aan het perceel van [appellant sub 5] aan de [locatie 5] te Zuidoostbeemster is onder meer de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" toegekend. Voor zover de reactieve aanwijzing ziet op de planregels behorende bij de bestemming "Agrarisch", heeft deze geen betrekking op de voor [appellant sub 5] relevante delen van het bestemmingsplan. De conclusie is dat [appellant sub 5] voor zover de reactieve aanwijzing ziet op artikel 3, lid 3.21 en 3.22, van de planregels, geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en dat hij daartegen geen beroep kan instellen. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

8.2. De Afdeling overweegt voorts dat de vraag of aan het perceel van [appellant sub 5] ten onrechte niet de aanduiding "caravanstalling" is toegekend, niet in de onderhavige procedure, maar in de procedure omtrent het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" aan de orde kan komen. Vast staat dat aan het perceel van [appellant sub 5] niet de aanduiding "caravanstalling" is toegekend. Gelet hierop is [appellant sub 5] evenmin belanghebbende bij het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op artikel 4, lid 4.12, van de planregels. Het desbetreffende artikel houdt een afwijkingsbevoegdheid in die onder voorwaarden het gebruik van een groter oppervlak voor de stalling van caravans mogelijk maakt dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "caravanstalling". Nu aan het perceel van [appellant sub 5] niet de aanduiding "caravanstalling" is toegekend, betreft artikel 4, lid 4.12, van de planregels geen voor [appellant sub 5] relevant deel van het bestemmingsplan.

Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

8.3. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 5] dat de reactieve aanwijzing, voor zover deze inhoudt dat artikel 4, lid 4.11, van de planregels geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", ten onrechte is gegeven, wordt onder verwijzing naar de onder 7.1. gegeven motivering, overwogen dat deze beroepsgrond faalt.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

9. Gezien het vorenstaande heeft het college in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

10. In hetgeen de raad, [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5], voor zover ontvankelijk, hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. De beroepen zijn ongegrond.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 6] geheel en [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B] gedeeltelijk niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, ambtenaar van staat.

w.g. Helder w.g. Melenhorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2013

490.