Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1150

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2013
Datum publicatie
18-09-2013
Zaaknummer
201208493/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2010 heeft het college een vergunning als bedoeld in artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) verleend en een vergunning als bedoeld in artikel 19d van die wet geweigerd voor een wijziging van een veehouderij aan de [locatie] te Markelo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2013/141 met annotatie van H.E. Woldendorp
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208493/1/A4.

Datum uitspraak: 18 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Markelo, gemeente Hof van Twente,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2010 heeft het college een vergunning als bedoeld in artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) verleend en een vergunning als bedoeld in artikel 19d van die wet geweigerd voor een wijziging van een veehouderij aan de [locatie] te Markelo.

Bij besluit van 23 mei 2011 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de verleende vergunning gehandhaafd onder aanvulling van de motivering.

Bij uitspraak van 31 oktober 2011 in zaak nr. 201107367/2/R2 heeft de Afdeling het besluit van 23 mei 2011 vernietigd.

Bij besluit van 12 juli 2012 heeft het college het bezwaar van [appellant], opnieuw daarop beslissend, gedeeltelijk gegrond verklaard en zowel een vergunning als bedoeld in artikel 16 van de Nbw 1998 als een vergunning als bedoeld in artikel 19d van die wet verleend.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met de zaken nrs. 201203714/1 ter zitting behandeld op 11 februari 2013, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Orie, K.H. Messelink Msc, H.G. Bos, R. van Leeuwen en A.M. Rensen, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. D. Pool, gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Bij tussenuitspraak van 22 mei 2013 in zaak nr. 201208493/1/T1/A4 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 12 juli 2012 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 25 juni 2013 heeft het college gevolg gegeven aan deze opdracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het college niet toereikend heeft gemotiveerd waarom de vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 kon worden verleend, gezien de mogelijke gevolgen voor het Natura 2000-gebied Engbertsdijkvenen. De Afdeling heeft het college vervolgens primair opgedragen om te beoordelen of het betoog van [belanghebbende] dat de wijziging van de veehouderij niet leidt tot een verhoging van de stikstofdepositie op het gebied Engbertsdijkvenen grond is om de vergunning krachtens artikel 19d in stand te laten.

2. Het college heeft in zijn brief van 25 juni 2013 uiteengezet dat bij besluiten van 10 maart 1998, 19 juli 2000 en 27 november 2001 de milieuvergunningen voor veehouderijen aan de [locatie A] te Ambt Delden, de [locatie B] te Holten en [locatie C] te Markelo geheel dan wel gedeeltelijk zijn ingetrokken ten behoeve van de bedrijfsvoering van de veehouderij waarvoor thans vergunning is verleend. Rekening houdend met deze intrekkingen, daalt per saldo de stikstofdepositie op het gebied Engbertsdijkvenen. Gelet hierop staat volgens het college vast dat de vergunningverlening geen negatieve effecten zal hebben voor het gebied, zodat de vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 in stand kan blijven.

3. [appellant] en anderen hebben naar aanleiding van de brief van 25 juni 2013 geen zienswijze naar voren gebracht over de daarin gegeven beoordeling. De Afdeling ziet, in aanmerking genomen dat geen zienswijze naar voren is gebracht, geen aanleiding voor het oordeel dat deze beoordeling niet toereikend is. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college met zijn brief van 25 juni 2013 het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld.

4. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is gezien de tussenuitspraak gegrond voor zover het is gericht tegen de krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 verleende vergunning. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. Omdat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld, zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover vernietigd, in stand blijven. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is voor het overige ongegrond.

5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover dat door [appellant A], [appellant B] en [appellant C] is ingesteld en betrekking heeft op de krachtens artikel 16 van de Nbw 1998 verleende vergunning;

II. verklaart het beroep, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 12 juli 2012, kenmerk 2012/0147474 en A11-123, voor zover het de daarbij krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 verleende vergunning betreft;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder III vermelde besluit, voor zover vernietigd, in stand blijven;

V. verklaart het beroep, voor zover ontvankelijk, voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.180,00 (zegge: elfhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2013

262-732.