Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1147

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201209027/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6037, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 april 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister) een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/364
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209027/1/V1.

Datum uitspraak: 2 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 21 augustus 2012 in zaak nr. 11/38559 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister) een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 29 november 2011 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 augustus 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Ingevolge artikel 20, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, genieten de burgers van de Unie de rechten en hebben zij de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald en hebben zij, onder andere, het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, worden afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel, waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd (hierna: mvv-vereiste).

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

3. In grief 5 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn beroep op het arrest van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) van 8 maart 2011, C-34/09, Ruiz Zambrano (hierna: het arrest Ruiz Zambrano; www.curia.europa.eu), niet slaagt omdat zijn ex-partner en hun kinderen niet feitelijk worden verplicht om het grondgebied van de Unie te verlaten. Hiertoe voert de vreemdeling aan dat zijn ex-partner, ook met van overheidswege en door maatschappelijke instellingen geboden hulp en ondersteuning, feitelijk niet in staat is om voor hun kinderen te zorgen en Bureau Jeugdzorg, indien hij Nederland dient te verlaten, zal verzoeken tot hun uithuisplaatsing. In dit verband wijst hij onder meer op de door hem overgelegde brieven van Bureau Jeugdzorg van 18 november 2010 en 17 maart, 25 mei en 29 december 2011.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 maart 2012 in zaak nr. 201105729/1/V1), is uit de overwegingen van het Hof in het arrest van 15 november 2011, C-256/11, Dereci e.a. (hierna: het arrest Dereci; www.curia.europa.eu), waarin een nadere uitleg wordt gegeven van het arrest Ruiz Zambrano, af te leiden dat bij de beantwoording van de vraag of een burger van de Unie die gezinsleven uitoefent met een burger van een derde land, zijn uit artikel 20 van het VWEU voortvloeiende recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, slechts beperkte betekenis toekomt aan het recht op bescherming van het gezinsleven. Zoals volgt uit punt 68 en 69 van het arrest Dereci, wordt dit recht niet als zodanig door artikel 20 van het VWEU beschermd, maar door andere internationaal-, Unie-, en nationaalrechtelijke regelingen en bepalingen, zoals artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, Unierechtelijke verblijfsrichtlijnen en artikel 15 van de Vw 2000.

Bij de beantwoording van genoemde vraag is onder meer de wens van gezinsleden om als gezin in Nederland of in de Unie te verblijven dus eveneens van beperkt belang. De situatie dat de burger van de Unie zijn recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, doet zich slechts voor als de burger van de Unie zodanig afhankelijk is van de burger van een derde land, dat hij als gevolg van de besluitvorming van de staatssecretaris geen andere keus heeft dan met de burger van het derde land buiten de Unie te verblijven.

3.2. Indien het gezin bestaat uit één ouder die burger is van een derde land en één ouder die burger van de Unie is, en ook een minderjarig kind dat burger van de Unie is, komt, zo leidt de Afdeling af uit punt 65 van het arrest Dereci en de verwijzing daarin naar de punten 43 en 44 van het arrest Ruiz Zambrano, bij de beantwoording van vorenbedoelde vraag betekenis toe aan het gegeven dat Nederlanders in Nederland in beginsel aanspraak kunnen maken op verstrekking van een uitkering uit de openbare kas. Voorts wordt van overheidswege en door maatschappelijke instellingen hulp en ondersteuning bij - bijvoorbeeld - zorg en opvoeding geboden.

Van leden van een dergelijk gezin kan dan ook worden verlangd dat zij gebruik maken van de mogelijkheid deze aanspraken en hulp te ontvangen, als daarmee kan worden voorkomen dat een burger van de Unie feitelijk wordt verplicht niet alleen Nederland, maar het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten. Van de situatie dat een burger van de Unie niettemin zijn recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven, wordt ontzegd, zal in dergelijke gevallen dan ook slechts sprake zijn, indien de burger van het derde land aannemelijk maakt dat de andere ouder, ook indien deze van vorenbedoelde mogelijkheid om aanspraken en hulp te ontvangen gebruik maakt, feitelijk niet geacht kan worden voor het kind zorg te dragen, zodat verblijf voor het kind bij die ouder in Nederland of de Unie, zonder die vreemdeling, in wezen onmogelijk is. In dat geval zal het kind immers gedwongen zijn de ouder die burger van een derde land is, te volgen naar buiten het grondgebied van de Unie.

3.3. De beantwoording van de vraag of de burger van het derde land aannemelijk heeft gemaakt dat zich deze situatie voordoet, vergt een beoordeling door de staatssecretaris van de, gelet op artikel 4:2 van de Awb, door de burger van het derde land in de bestuurlijke fase aan te voeren, feiten en omstandigheden van het geval. De uitkomst van die beoordeling kan door de rechter zonder terughoudendheid worden getoetst.

3.4. Niet in geschil is dat de ex-partner van de vreemdeling en hun kinderen de status van burger van de Unie bezitten, zodat zij zich, ook ten opzichte van de lidstaat Nederland, op de bij die status behorende rechten kunnen beroepen.

3.5. De staatssecretaris heeft zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2012 in zaak nr. 201011743/1/V1, op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde stukken niet volgt dat de therapie die de ex-partner ondergaat niet effectief is en de uithuisplaatsing van de kinderen dientengevolge permanent zou zijn alsmede dat de uit het mvv-vereiste voortvloeiende verplichting Nederland te verlaten in beginsel tijdelijk van aard is, zodat de kinderen hun uit artikel 20 van het VWEU voortvloeiende recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven niet wordt ontzegd.

3.6. In voormelde brieven van Bureau Jeugdzorg is vermeld dat de kinderen sinds 2008 cliënt zijn bij Bureau Jeugdzorg wegens de psychiatrische problematiek van de ex-partner en dat laatstgenoemde pedagogisch onmachtig is om voor de kinderen te zorgen. Sinds de opheffing van de vreemdelingenbewaring op 2 december 2010 is de vreemdeling, die over goede pedagogische vaardigheden beschikt en een positieve invloed heeft op de kinderen en hun ontwikkeling, bij zijn ex-partner en hun kinderen ingetrokken, waarbij is geconstateerd dat hij een ondersteunende en actieve rol in de gezinssituatie heeft. Voorts is daarin vermeld dat de aanwezigheid van de vreemdeling in het gezin de uithuisplaatsing van de kinderen eind 2010 kon voorkomen en de gezinssituatie nog steeds zodanig is dat, wanneer de vreemdeling Nederland dient te verlaten, de kinderen uit huis zullen worden geplaatst omdat de ex-partner, die afhankelijk is van medicamenteuze behandeling en therapie ondergaat bij de GGZ, niet in staat is om de kinderen alleen op te voeden.

Uit de door de vreemdeling overgelegde stukken blijkt dat de ex-partner van de vreemdeling hulp en ondersteuning bij de zorg voor en opvoeding van hun kinderen ontvangt maar desondanks volgens Bureau Jeugdzorg niet in staat is om hen alleen op te voeden. De verwijzing van de staatssecretaris naar voormelde uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2012 in zaak nr. 201011743/1/V1 treft derhalve geen doel. Met voormelde brieven heeft de vreemdeling aannemelijk gemaakt dat zijn ex-partner feitelijk niet geacht kan worden voor hun kinderen zorg te dragen en dat de kinderen, die ten tijde van het bestreden besluit onderscheidenlijk drie, vijf en zes jaar oud waren, zodanig van hem afhankelijk zijn, dat zij als gevolg van de besluitvorming van de staatssecretaris geen andere keus hebben dan met de vreemdeling buiten het grondgebied van de Unie te verblijven. De enkele stelling van de staatssecretaris, dat dit verblijf buiten het grondgebied van de Unie mogelijk niet permanent zou zijn, maakt dit niet anders.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De overige grieven behoeven geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het beroep gegrond verklaard en het besluit van 29 november 2011 vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 21 augustus 2012 in zaak nr. 11/38559;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie en Asiel van 29 november 2011, kenmerk 0108-20-4114;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1449,00 (zegge: veertienhonderd negenenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 384,00 (zegge: driehonderdvierentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.J.H. Goldstein-Cassé, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Goldstein-Cassé

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2013

588