Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1141

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201302306/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Zomerhuizenterreinen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302306/1/R2.

Datum uitspraak: 11 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Veere,

2. [appellant sub 2] en een ander, beiden wonend te [woonplaats], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2])

en

de raad van de gemeente Veere,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Zomerhuizenterreinen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 augustus 2013, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door S.M. den Haan en mr. M.J. Spierdijk, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is de vereniging Vereniging Van Eigenaren Duinpark Het Kustlicht, vertegenwoordigd door M.T.H.M. van Heumen en T.P. Saltzherr, als partij gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan is opgesteld in het kader van de actualiseringsplicht van de gemeente Veere. Het plan heeft betrekking op alle bestaande zomerhuizenterreinen in de gemeente Veere. Voorheen waren op deze zomerhuizenterreinen verschillende bestemmingsplannen van toepassing. Vanwege de uniformiteit en rechtsgelijkheid zijn deze terreinen in één bestemmingsplan opgenomen.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. [appellant sub 1] voert aan dat de raad in het Zienswijzenrapport ten onrechte niet op alle bezwaren is ingegaan.

3.1. In het Zienswijzenrapport is onder meer ingegaan op de bezwaren met betrekking tot het ontbreken van een bebouwingsvrije strook, het buiten de planbegrenzing laten van haar perceel, de toegestane speeltoestellen en het aspect geluid. Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, geeft op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Derhalve faalt het betoog dat de raad onvoldoende op de zienswijze is ingegaan.

4. Volgens [appellant sub 1] bevat het plan, anders dan het bestemmingsplan "Recreatie en Zomerhuizenterreinen Kustlicht II" (hierna: het vorige plan), ten onrechte geen regels ter bescherming van de aangelegde duinpartijen naast haar perceel aan de [locatie] te Zoutelande. Hiertoe voert zij aan dat in het verleden de aanleg en het behoud van duinpartijen als wezenlijke voorwaarde werd gezien om in te kunnen stemmen met de ontwikkeling van het recreatiepark Kustlicht II. [appellant sub 1] betwist het standpunt van de raad dat de instandhouding van de duinpartijen niet handhaafbaar is. Volgens haar kan dit zowel bestuursrechtelijk als privaatrechtelijk worden afgedwongen. Daarnaast acht zij de wens van de raad om tot een uniform planregime voor alle zomerhuizenterreinen te komen geen deugdelijk argument om de mogelijkheid om aangelegde duinpartijen weer af te graven te verruimen.

4.1. De raad stelt dat het vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk is dat het plan regels bevat inzake de bescherming van bedoelde duinpartijen. Volgens de raad bood het omgevingsvergunningenstelsel voor aanlegactiviteiten uit het vorige plan geen hoog beschermingsniveau.

4.2. Het perceel van [appellant sub 1] grenst aan de noord- en westzijde aan gronden die deel uitmaken van het zomerhuizenterrein Kustlicht II. Aan de desbetreffende gronden is in het plan de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" toegekend. Het perceel van [appellant sub 1] is thans onbebouwd. Ten westen van het perceel is recent een kinderspeelplaats gerealiseerd.

4.3. In de bij de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" behorende planregels is geen omgevingsvergunningenstelsel voor aanlegactiviteiten die verband houden met het geheel of gedeeltelijk afgraven van de aangelegde duinpartijen opgenomen en ook anderszins bevat het plan geen regels ter bescherming van deze duinpartijen. Het vorige plan bevatte in artikel 15 van de voorschriften wel een omgevingsvergunningenstelsel voor onder meer het geheel of gedeeltelijk afgraven, ophogen en verleggen van de aangelegde duinpartijen. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

Ter zitting heeft de raad desgevraagd toegelicht dat de aanleg van de duinpartijen destijds bedoeld was voor de inrichting van de percelen en het karakter van het recreatiepark. Omdat de privaatrechtelijke overeenkomst zoals deze tussen de betrokken partijen in 1994 in verband met de realisatie van het recreatiepark Kustlicht II is gesloten volgens de raad na de realisatie van het recreatiepark geen betekenis meer had, is in het vorige plan een omgevingsvergunningenstelsel voor aanlegactiviteiten opgenomen. De raad heeft ervoor gekozen dit stelsel niet opnieuw in het plan op te nemen. Nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken dat de duinpartijen van belang zijn voor de landschappelijke inpassing van het recreatiepark in de omgeving of dat de duinpartijen anderszins ruimtelijk gezien bescherming verdienen, acht de Afdeling het standpunt van de raad dat vanuit ruimtelijk oogpunt geen noodzaak bestaat om de duinpartijen te beschermen niet onredelijk.

In zijn belangenafweging heeft de raad verder gewicht toegekend aan de doelstelling van het plan. Blijkens de plantoelichting heeft de raad zich ten doel gesteld met het plan voor alle zomerhuizenterreinen in de gemeente te voorzien in een uniform en eenduidig planregime dat is gericht op deregulering. Het door [appellant sub 1] aangevoerde dat de zomerhuizenterreinen in ruimtelijk opzicht sterk van elkaar verschillen, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dit belang niet in redelijkheid in de belangenafweging heeft kunnen betrekken.

De raad heeft in de belangenafweging ook laten meewegen dat het omgevingsvergunningenstelsel uit het vorige plan beperkte bescherming bood, omdat kleinschalige aanpassingen aan de duinpartijen zonder meer mogelijk waren. Ter toelichting hierop heeft de raad gewezen op artikel 5, lid 2.6, van de voorschriften van het vorige plan, waarin is bepaald dat de gemiddelde hoogte van de duinen in dit gebied niet minder mag bedragen dan één meter, dat in acht werd genomen bij de beoordeling van een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 15 van de voorschriften van het vorige plan. Ingevolge laatstgenoemd planvoorschrift, voor zover thans van belang, mag een aanlegvergunning worden verleend indien aan de landschappelijke waarde van het gebied geen onevenredige schade wordt toegebracht. Gelet op het toetsingscriterium heeft de raad bij zijn afweging in redelijkheid kunnen betrekken dat van het omgevingsvergunningenstelsel een beperkte bescherming uitging.

Voor het oordeel dat de keuze van de raad om in het plan geen beschermingsregime voor de duinpartijen op te nemen onvoldoende is gemotiveerd, ziet de Afdeling gelet op het voorgaande geen aanleiding. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de Afdeling het niet onredelijk dat de raad geen aanleiding heeft gezien om in het plan opnieuw in een omgevingsvergunningenstelsel ter bescherming van aangelegde duinpartijen te voorzien. Dat de instandhouding van duinpartijen volgens [appellant sub 1] privaatrechtelijk zou kunnen worden afgedwongen, leidt niet tot een ander oordeel. Het betoog faalt.

5. [appellant sub 1] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een bebouwingsvrije strook aan de noord- en westzijde van haar perceel. Dit is volgens haar in het verleden toegezegd. Daartoe heeft [appellant sub 1] twee bij de privaatrechtelijke overeenkomst van 23 december 1994 behorende tekeningen overgelegd. Zij stelt dat met de verplichting tot de aanleg van duinpartijen verzekerd zou zijn dat een strook rondom haar perceel vrij zou blijven van bebouwing. Tevens stelt zij dat in het verleden besprekingen met de toenmalige burgemeester van de gemeente Valkenisse hebben plaatsgevonden waarin dit is toegezegd.

[appellant sub 1] kan zich er niet mee verenigen dat, nu geen bebouwingsvrije strook in acht is genomen, ter plaatse speelvoorzieningen mogen worden gerealiseerd. Zij vreest voor geluidsoverlast als gevolg van het gebruik van deze speelvoorzieningen.

5.1. De raad betwist dat sprake is van een toezegging op een onbebouwde strook. Indien daarvan al sprake zou zijn, dan had het volgens de raad op de weg van [appellant sub 1] gelegen om daarop bij het vorige plan een beroep te doen. Het vorige plan, dat is opgesteld ter uitvoering van de door [appellant sub 1] bedoelde overeenkomst, voorzag evenmin in een bebouwingsvrije strook, aldus de raad. Verder stelt de raad dat de regeling voor speeltoestellen voor alle zomerhuizenterrein geldt. Omdat het bestemmingsplan betrekking heeft op gebieden met overwegend recreatief gebruik ziet de raad geen reden om daar in dit geval van af te wijken.

5.2. Aan de gronden waar [appellant sub 1] een bebouwingsvrije strook wenst is in het plan de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor:

a. verblijfsrecreatie in de vorm van recreatiewoningen;

(…)

f. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals fietsverhuur, sport-, spel- en speelvoorzieningen, zwembaden, parkeer- en verkeersvoorzieningen, afvalverzamelingvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, erven, tuinen en nutsvoorzieningen.

5.3. Op de door [appellant sub 1] overgelegde tekeningen van Haskoning staat als omschrijving ‘wegenplan duinpark Het Kustlicht’. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat uit deze tekeningen, gelet op de aard daarvan, een toezegging over een bebouwingsvrije strook zoals bedoeld door [appellant sub 1] kan worden afgeleid. Met de enkele stelling dat de burgemeester van de toenmalige gemeente Valkenisse een toezegging over een bebouwingsvrije strook heeft gedaan, heeft [appellant sub 1] evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het onderhavige plan in een bebouwingsvrije strook rondom haar perceel zou voorzien. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

5.4. Op gronden met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" zijn gelet op artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder f, van de planregels speelvoorzieningen toegestaan. De raad heeft uiteengezet dat dit een algemene bepaling betreft die voor alle zomerhuizenterreinen geldt. De raad acht speelvoorzieningen binnen de recreatieve bestemming passend, omdat het gebruik van speelvoorzieningen een wezenlijk deel uitmaakt van het recreatieve gebruik. Hoewel niet uit te sluiten valt dat het toegestane gebruik van de gronden voor speelvoorzieningen voor enige mate van hinder kan zorgen, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid na afweging van alle belangen meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van speelvoorzieningen voor kinderen in dit gebied dan aan de nadelen die dit voor [appellant sub 1] meebrengt. Daarbij wordt betrokken dat het gebied een recreatief karakter heeft. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de speelvoorzieningen die in de nabijheid van het perceel van [appellant sub 1] kunnen worden opgericht niet een zodanig intensief gebruik van de gronden met zich zal brengen dat een onaanvaardbare toename van geluid zal plaatsvinden. Gelet hierop heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om, zoals [appellant sub 1] wenst, extra planregels voor dit gebruik vast te stellen.

6. [appellant sub 1] richt zich tegen de aanduiding "specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bebouwing" zoals dat bij de gewijzigde vaststelling van het plan is toegekend aan de voorzijde van de percelen waarop zich de woning Houtenburgseweg 5 en de recreatiewoningen Houtenburgseweg 7 tot en met 7i bevinden. Volgens [appellant sub 1] zijn de argumenten van de raad om deze strook bebouwingsvrij te houden niet deugdelijk, omdat de raad haar bezwaren op dat punt onjuist heeft opgevat. Verder stelt zij dat de bebouwing op onder meer de Houtenburgseweg 9c op enkele meters vanaf de weg is gesitueerd.

6.1. De raad vindt bebouwing aan de voorzijde van deze woningen ruimtelijk gezien niet aanvaardbaar.

6.2. Aan de desbetreffende strook grond is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" met daarbinnen de aanduiding "specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bebouwing" toegekend.

Ingevolge artikel 7.2, lid 7.2.1, onder b, van de planregels is ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bebouwing" geen bebouwing toegestaan.

6.3. Uit het Zienswijzenrapport volgt dat de bebouwingsvrije strook in het voortraject aan de orde is geweest waarbij de raad ervan uitging dat gedoeld werd op de strook voor de woningen aan de Houtenburgseweg 5 tot en met 7i. Het is de raad naar aanleiding van de ingediende zienswijze echter duidelijk geworden dat [appellant sub 1] met de bebouwingsvrije strook doelt op een strook aan de noord- en westzijde van haar perceel. De zienswijze heeft de raad evenwel aanleiding gegeven om aan de voorzijde van de woningen aan de Houtenburgseweg 5 tot en met 7i een bebouwingsvrije strook in het plan op te nemen, omdat bebouwing ter plaatse volgens de raad ruimtelijk gezien niet aanvaardbaar is. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat deze bebouwingsvrije strook abusievelijk niet in het ontwerpplan is opgenomen en dat hij door de zienswijze op deze omissie is gewezen. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat deugdelijke argumenten voor het toekennen van de bestreden aanduiding ontbreken, overweegt de Afdeling dat de keuze voor de bestreden aanduiding naar haar oordeel voldoende deugdelijk is gemotiveerd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de raad voor het bepalen van de bouwmogelijkheden in de strook aansluiting heeft gezocht bij de mogelijkheden uit het vorige plan. Daarnaast acht de Afdeling van belang dat de raad ter zitting nader heeft uiteengezet dat bebouwing in deze strook verkeerstechnisch ongewenst en ruimtelijk onlogisch is, hetgeen de Afdeling niet onredelijk voorkomt.

Over de door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking met andere percelen aan de Houtenburgseweg waaronder de Houtenburgseweg 9c, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat de door [appellant sub 1] genoemde situaties betrekking hebben op bestaande recreatiewoningen in het recreatiepark Kustlicht II alwaar een andere bebouwingssystematiek geldt. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 1] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Gelet hierop slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestreden aanduiding heeft kunnen toekennen.

7. Verder voert [appellant sub 1] aan dat haar perceel ten onrechte buiten het plan is gehouden, terwijl door het gemeentebestuur is toegezegd dat een recreatiewoning op haar perceel mogelijk zou worden gemaakt. Zij wijst op een brief van 22 oktober 2010 waarin Verbree Advies deze toezegging schriftelijk heeft bevestigd aan haar en het college van burgemeester en wethouders.

7.1. De raad stelt dat het voornemen bestaat om recreatieve bebouwing toe te staan op het perceel. Omdat nog geen overeenstemming is bereikt over de gewenste vorm van de bouwmogelijkheden en de financiële uitvoerbaarheid, heeft de raad besloten het perceel niet op te nemen in het plan.

7.2. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

7.3. Niet in geschil is dat de raad in beginsel planologische medewerking wil verlenen aan het toestaan van recreatieve bouwmogelijkheden op het perceel. Dit betekent op zichzelf evenwel niet dat de raad dit in het onderhavige plan mogelijk had moeten maken. Bij de keuze om het perceel niet in het plan op te nemen heeft de raad in redelijkheid in aanmerking kunnen nemen dat ten tijde van de vaststelling van het plan nog geen sprake was van een concreet bouwplan. Hierbij is van belang dat uit het verhandelde ter zitting en de stukken is gebleken dat geen duidelijkheid bestond over het gewenste aantal woningen en de aard van de woningen en dat daaromtrent tussen partijen geen overeenstemming was bereikt. Daarbij komt dat, naar niet is betwist, ten tijde van de vaststelling van het plan geen duidelijkheid bestond over de financiële uitvoerbaarheid van de gewenste ontwikkeling.

In de overgelegde brief, die door Verbree Advies is opgesteld ter bevestiging en ter ondertekening van de door [appellant sub 1] en de vertegenwoordiger van het college van burgemeester en wethouders gemaakte afspraken, is vermeld dat namens het gemeentebestuur is toegezegd dat recreatieve bebouwing op het perceel mogelijk zou worden gemaakt voor zover dat in het vermogen van het gemeentebestuur ligt. Blijkens de brief heeft Verbree Advies als bemiddelaar tussen [appellant sub 1] en het college van burgemeester en wethouders opgetreden. Met deze brief heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat dit plan in een bepaalde gewenste ontwikkeling zou voorzien. Daarbij acht de Afdeling van belang dat in die brief staat dat nog nader overleg dient plaats te vinden. In de brief wordt ook niet aan het onderhavige bestemmingsplan gerefereerd. Bovendien is de brief niet door partijen ondertekend. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt

In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat tussen het perceel van [appellant sub 1] en de gronden in het plangebied een zodanige ruimtelijke samenhang bestaat dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

8. Voor zover [appellant sub 1] zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze, overweegt de Afdeling dat in het Zienswijzenrapport is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 1] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

9. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

10. [appellant sub 2] is eigenaar van het zomerhuis met nummer 62 dat is gelegen op het zomerhuizenterrein Vebenabos. Hij kan zich niet verenigen met de maximale oppervlakte voor zijn zomerhuis van 100 m². Een uitbreiding van deze oppervlakte naar 120 m² doet volgens [appellant sub 2] geen afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteiten en het groene karakter van het terrein. De raad heeft dit ten onrechte niet nader gemotiveerd, zo betoogt hij. Daarnaast voert [appellant sub 2] aan dat met een oppervlakte van 120 m² een verbetering van het wooncomfort kan worden gerealiseerd.

In een aanvullend stuk heeft [appellant sub 2] te kennen gegeven dat hij een verruiming van de maximaal toegestane oppervlakte wenst met het oog op het realiseren van een overkapping van een bestaand terras.

10.1. De raad heeft de maximale oppervlakte voor een recreatiewoning van 80 m² uit het vorige plan in het onderhavige plan vergroot naar 100 m². Vanwege het groene karakter en de ruimtelijke kwaliteit van het gebied wil de raad een verdere uitbreiding van deze oppervlakte niet toestaan. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het zomerhuizenterrein Vebenabos in het bos ligt.

10.2. Aan het zomerhuis is in het plan de bestemming "Groen" met een bouwvlak toegekend waarbinnen de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - verblijfsrecreatie" is opgenomen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. groen, water, sport- en speelvoorzieningen en voet- en fietspaden;

b. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - verblijfsrecreatie": ten hoogste 1 recreatiewoning;

(…)

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, van de planregels gelden voor een recreatiewoning de volgende bouwregels:

a. de goot- en bouwhoogte van een recreatiewoning mag niet meer bedragen dan 2,8 m respectievelijk 7 m;

b. een recreatiewoning met de bijbehorende bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

c. in afwijking van het bepaalde in lid 3.1, onder b, zijn ter plaatse van de aanduiding "twee-aaneen" 2 recreatiewoningen toegestaan;

d. de oppervlakte van een recreatiewoning, inclusief bijbehorende bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 100 m²;

e. de bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen behorende bij een recreatiewoning bedraagt ten hoogste 3 m;

f. vrijstaande bijgebouwen zijn niet toegestaan.

Ingevolge artikel 1.44 van de planregels wordt in dit plan onder het begrip overkapping verstaan: een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.

10.3. In paragraaf 2.1.10 van de plantoelichting staat dat het bungalowpark Vebenabos op ongeveer 200 meter van het strand ligt en door de aanwezige bomen een groene uitstraling heeft. Vanwege de uitstraling van een bos met individuele huizen is een afwijkende plansystematiek toegepast ten opzichte van de overige terreinen, te weten: de hoofdbestemming is "Groen" en daarbinnen is voor de aanwezige recreatiewoningen de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - verblijfsrecreatie" opgenomen. Om enige kwaliteitsverbetering te kunnen doorvoeren heeft elke recreatiewoning een bouwvlak toegekend gekregen waarbinnen het hoofd- en bijgebouw is gesitueerd. Het bouwvlak is volgens de plantoelichting niet als keurslijf rondom de bestaande bebouwing gelegd, maar er is enige ruimte geboden voor wijziging van het bouwvolume. De plantoelichting vermeldt verder dat het bouwvolume is gelimiteerd door in de planregels een maximum oppervlakte van 100 m² op te nemen.

10.4. De Afdeling overweegt dat uit de stukken blijkt dat het zomerhuizenterrein Vebenabos een groene uitstraling heeft. Wat betreft het door [appellant sub 2] gestelde dat de vergroting van de oppervlakte naar 120 m² geen afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van het terrein omdat de afstanden tussen de woningen nog zeer ruim blijven, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat de ruimtelijke kwaliteit niet alleen wordt bepaald door de afstand tussen bebouwing, maar ook door de verhouding tussen enerzijds bebouwd en verhard oppervlak en anderzijds de groene omgeving. De raad heeft in dit verband uiteengezet dat de voorgestelde vergroting een uitbreiding van bebouwing op het zomerhuizenterrein van 50% mogelijk zou maken ten opzichte van het vorige plan op grond waarvan een maximale oppervlakte van 80 m² voor recreatiewoningen gold. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een vergroting van de maximale oppervlakte van recreatiewoningen naar 120 m² ten koste gaat van de ruimtelijke kwaliteit van het zomerhuizenterrein. Gelet op het Zienswijzenrapport bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad dit standpunt niet voldoende heeft gemotiveerd.

Voor zover het [appellant sub 2] onduidelijk is of een overkapping onder het bebouwde oppervlak valt, overweegt de Afdeling dat de oppervlakte van een overkapping gelet op artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder d, van de planregels wordt meegerekend bij het bepalen van de maximaal toegestane oppervlakte van 100 m².

Voorts ziet de Afdeling, gelet op het bouwvlak en gelet op de bouwregels zoals neergelegd in artikel 3, lid 3.2.2, van de planregels, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voldoende mogelijkheden biedt om een recreatiewoning met een aanvaardbaar wooncomfort te kunnen realiseren. Hierbij acht zij tevens van belang dat [appellant sub 2] niet heeft gemotiveerd waarom de bouwmogelijkheden niet toereikend zijn om in te kunnen spelen op de huidige en toekomstige comfort- en kwaliteitseisen.

Gelet op het voorgaande heeft de raad met het oog op het behoud van de ruimtelijke kwaliteit op het zomerhuizenterrein in redelijkheid een maximale oppervlakte van 100 m² voor een recreatiewoning kunnen vaststellen.

10.5. [appellant sub 2] heeft in een aanvullend stuk een vraag gesteld over de mogelijkheid van vergunningvrij bouwen. Voor zover [appellant sub 2] daarmee uitleg wil over de regeling voor vergunningvrij bouwen zoals neergelegd in het Besluit omgevingsrecht, overweegt de Afdeling dat deze procedure zich daar niet voor leent.

10.6. Voor zover [appellant sub 2] in het beroepschrift voor het overige verwijst naar de inhoud van de zienswijze, overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 2] heeft in het beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

10.7. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Proceskostenveroordeling

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van der Hoorn

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013

586.