Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1139

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201307189/1/A3 en 201307189/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2012 heeft de staatssecretaris geweigerd aan [appellant] een verklaring omtrent het gedrag (hierna: vog) af te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307189/1/A3 en 201307189/2/A3.

Datum uitspraak: 5 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en (met toepassing van artikel 8:86 van die wet) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 juni 2013 in zaak nr. 13/1186 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2012 heeft de staatssecretaris geweigerd aan [appellant] een verklaring omtrent het gedrag (hierna: vog) af te geven.

Bij besluit van 20 februari 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juni 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. T. van Riel, advocaat te Breda, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.C. Wieringa, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is een vog een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel, waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte ervan, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de vog wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Bij de beoordeling van de aanvraag zijn de criteria toegepast die zijn gepubliceerd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2012 (Stcrt. 31 juli 2012, 16054; hierna: de Beleidsregels). Wanneer de aanvrager in de justitiële documentatie voorkomt, wordt de vraag of een verklaring kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.1 wordt bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de aanvrager een terugkijktermijn in acht genomen.

Volgens paragraaf 3.1.1 vindt de beoordeling van de aanvraag in beginsel plaats aan de hand van de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager gedurende de vier jaren, voorafgaand aan het moment van beoordeling, in de justitiële documentatie voorkomen. De terugkijktermijn wordt niet in duur beperkt, indien het justitiële gegevens betreft over misdrijven tegen de zeden, geregeld in de artikelen 240b tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht.

Volgens paragraaf 3.2 wordt de afgifte van de vog in beginsel geweigerd, indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid, waarvoor de vog is aangevraagd.

Volgens paragraaf 3.2.3 wordt bij die beoordeling een onderscheid gemaakt in risico’s voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties, proces, aansturen organisatie en personen. Met behulp van een algemeen zogenoemd screeningsprofiel en een aantal specifieke zodanige profielen worden de risico’s nader uitgewerkt. Op basis hiervan wordt beoordeeld of een justitieel gegeven van belang moet worden beschouwd voor het doel van de aanvraag.

Volgens paragraaf 3.2.4 wordt bij zedendelicten óók onderzocht of bij de uitoefening van de desbetreffende functie/taak/bezigheid een gezags- of afhankelijkheidsrelatie bestaat. Indien dat zo is, wordt altijd uitgegaan van het bestaan van een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid.

Volgens paragraaf 3.3 kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager bij het verstrekken van de vog heeft zwaarder weegt dan dat van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de vog afgegeven, hoewel aan het objectieve criterium wordt voldaan.

Volgens paragraaf 3.3.2 bestaat bij zedenmisdrijven slechts zeer beperkte ruimte om op basis van het subjectieve criterium alsnog tot afgifte van een vog te besluiten, wanneer het om een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie gaat. In het geval met betrekking tot de aanvrager in de tien jaren, voorafgaand aan het moment van de beoordeling, ter zake een zedenmisdrijf een strafzaak voorwaardelijk is geseponeerd, geldt een verscherpt toetsingskader, waarin als uitgangspunt wordt genomen dat de vog wordt geweigerd. De vog kan in dat geval slechts worden afgegeven, indien weigering evident disproportioneel zou zijn. Of dat zo is, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, aldus de passage.

Om vast te stellen of het aangetroffen antecedent een belemmering kan vormen voor de afgifte van de vog, past de staatssecretaris bij de Beleidsregels behorende screeningsprofielen, als bedoeld in voormelde paragraaf 3.2.3, toe. Het specifieke screeningsprofiel 'Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier' betreft functies, waarin personen zijn belast met de zorg voor personen en in een één op één relatie kunnen komen te verkeren met degenen die aan hun zorg zijn toevertrouwd. In deze relatie kan een al dan niet tijdelijke afhankelijkheid bestaan. Het risico bestaat dat van deze afhankelijkheid misbruik wordt gemaakt, waardoor het risico van onder andere zeden- en geweldsdelicten aanwezig is, aldus dit profiel.

3. [appellant] heeft om afgifte van een vog ten behoeve van een stage begeleiden cliënten bij Stichting Dichterbij te Uden verzocht.

De staatssecretaris heeft op het verzoek het screeningsprofiel "Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier" toegepast. Hij heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat uit de justitiële documentatie is gebleken dat op 23 januari 2012 jegens [appellant] een zaak wegens ontucht met een wilsonbekwame, als bedoeld in artikel 247, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, tussen 1 oktober en 31 oktober 2010, voorwaardelijk is geseponeerd met een schriftelijke waarschuwing en een proeftijd van één jaar wegens "gewijzigde omstandigheden" en "gering feit". De proeftijd is op 23 januari 2013 geëindigd. Omdat jegens [appellant] in de tien jaren, voorafgaand aan de beoordeling, een zedendelict is geseponeerd, als bedoeld in de Beleidsregels, is voldaan aan het objectieve criterium. In de functie, waarvoor de vog is gevraagd, kunnen afhankelijkheidsrelaties voorkomen. Daarom wordt een vog slechts afgegeven, indien weigering evident disproportioneel is. Dat is volgens de staatssecretaris niet het geval.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door de staatssecretaris te volgen in het oordeel dat voldaan is aan het objectieve criterium, heeft miskend dat uit de wijze van afdoening van het justitiële gegeven kan worden afgeleid dat de kans op herhaling ervan is uitgesloten. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris in wat door hem naar voren is gebracht geen aanleiding heeft hoeven zien om de weigering evident disproportioneel te achten, nu het niet volgen van een stage voor hem een belemmering vormt om zijn opleiding met goed gevolg te kunnen afronden. Ten aanzien van de aard en ernst van het delict heeft de rechtbank miskend dat destijds sprake is geweest van een misverstand. Door de waarschuwing van de officier van justitie is hij zich bovendien bewuster geworden van zijn rol en het feit dat het belangrijk is om zijn professionele distantie te bewaren, ook in privéaangelegenheden. Ook is van belang dat hij ten tijde van het justitiële gegeven jongvolwassene was en hem geen straf is opgelegd. Zijn belang bij de afgifte van een vog had moeten prevaleren boven dat van de bescherming van de samenleving. Gelet op de aard van het delict, de gewijzigde omstandigheden, zijn persoonlijke ontwikkeling, de wijze waarop het justitiële gegeven is afgedaan en zijn belang bij de afgifte, is de weigering evident disproportioneel. Voorts heeft de rechtbank het tijdsverloop tussen het voorwaardelijk sepot en de aanvraag ten onrechte relatief kort geacht, nu aan het sepot een proeftijd van een jaar was verbonden, aldus [appellant].

4.1. Niet in geschil is dat [appellant] in de functie, waarvoor de vog is aangevraagd, belast zou zijn met het welzijn en de veiligheid van personen. Gelet hierop en op het screeningsprofiel 'Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier' en de daarbij in aanmerking genomen risico's, heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er, indien het justitiële gegeven wordt herhaald in de uitoefening van de functie, een risico is voor de veiligheid van de personen, waarmee [appellant] in aanraking komt. In dit verband is niet van belang of er een reëel gevaar is voor herhaling van het strafbare feit.

De rechtbank heeft evenzeer terecht geen aanleiding gevonden om te oordelen dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de weigering niet evident disproportioneel is. Daartoe heeft zij terecht in aanmerking genomen dat de staatssecretaris daarbij betekenis heeft mogen toekennen aan het feit dat [appellant] ten tijde van het strafbare feit meerderjarig was en het tijdsverloop binnen de termijn van tien jaren relatief kort is. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris de aard van het strafbare feit bij de beoordeling van het subjectieve criterium heeft mogen betrekken. De staatssecretaris heeft aan het belang van de bescherming van kwetsbare groeperingen in de samenleving, wegens de aard waarop het justitiële gegeven betrekking heeft, meer gewicht toegekend dan aan dat van [appellant] bij afgifte van een vog. Gelet op het feit dat het om een zedendelict gaat, [appellant] ten tijde van het plegen ervan meerderjarig was en het relatief korte tijdsverloop tussen het voorwaardelijke sepot en de aanvraag, heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris niet in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het algemeen belang bij bescherming van de samenleving dan aan dat van [appellant] bij het verkrijgen van de vog. Dat aan het sepot een proeftijd van een jaar was verbonden, maakt niet dat de staatssecretaris daarbij ten onrechte van een relatief kort tijdsverloop is uitgegaan.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B. Nell, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Nell

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2013

597.