Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:113

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
201201393/1/V4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:460, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201393/1/V4.

Datum uitspraak: 26 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 10 januari 2012 in zaak nr. 11/23805 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 januari 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van reisdocumenten niet aan hem is toe te rekenen. Daartoe betoogt hij, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het niet aannemelijk is dat de vreemdeling geen indicatief bewijs van de gestelde reis heeft kunnen overleggen en dat hij zich onder verwijzing naar verschillende aspecten van het reisverhaal in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling geen gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over zijn reisroute heeft afgelegd.

3. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de desbetreffende vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij hij aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Volgens paragraaf C4/3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals deze gold ten tijde van belang, wordt, wanneer is vastgesteld dat op één of meer elementen op grond waarvan de beoordeling van de asielaanvraag plaatsvindt documenten ontbreken, onderzocht of het aannemelijk is dat het ontbreken van documenten niet aan de desbetreffende asielzoeker is toe te rekenen. Indien wordt vastgesteld dat ten aanzien van één van de elementen identiteit, nationaliteit, reisroute of asielrelaas documenten ontbreken en dat dit is toe te rekenen aan de asielzoeker, is dit reeds voldoende voor de algemene conclusie dat sprake is van 'het toerekenbaar ontbreken van documenten'.

Verder vermeldt paragraaf C4/3.6.3 onder het aandachtspunt "Reisroute" bij onderdeel a dat het in beginsel niet geloofwaardig is dat een asielzoeker geen enkel indicatief bewijs van de reis kan overleggen. Zowel bij een reis over land als een reis per vliegtuig is het onaannemelijk dat een asielzoeker niets aan indicatief bewijs in zijn bezit heeft. Zelfs hotelrekeningen, telefoonkaarten, buitenlands geld of suikerzakjes van een luchtvaartmaatschappij en dergelijke kunnen al als indicatie dienen. Bij onderdeel b is opgenomen dat in het geval een asielzoeker geen documenten inzake de reisroute overlegt, maar omtrent de reisroute en het ontbreken van documenten een consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaring aflegt, hij blijk geeft van wil tot medewerking aan de vaststelling van de reisroute. Wanneer de verifieerbare elementen blijken te kloppen, kan volgens onderdeel b de conclusie zijn dat het volledig ontbreken van documenten inzake de reisroute niet aan de asielzoeker is toe te rekenen. Onder onderdeel c is vermeld dat verklaringen die inhouden dat een asielzoeker geen documenten heeft en niets meer weet van de reis niet geloofwaardig zijn. Het is aan de asielzoeker om aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk op een dergelijke wijze heeft gereisd. Dit bewijs kan alsnog geleverd worden door consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent de reis (nauwkeurige omschrijving vervoermiddel en verloop van de reis).

Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2008 in zaak nr. 200708544/1 volgt dat de rechter het standpunt van de minister over de toerekenbaarheid van het ontbreken van documenten terughoudend dient te toetsen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 4 februari 2010 in zaak nr. 200904160/1/V3), zal, indien aan een vreemdeling één van de omstandigheden, genoemd onder artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000 is tegengeworpen, van de verklaringen een positieve overtuigingskracht moeten uitgaan om de daarin gestelde feiten alsnog geloofwaardig te achten.

4. Niet in geschil is dat de vreemdeling geen reisdocument, dan wel enig bewijs, direct of indicatief, heeft overgelegd dat de gestelde reisroute ondersteunt. Evenmin heeft de vreemdeling verklaringen afgelegd die zodanig consistent, gedetailleerd en verifieerbaar zijn dat aan de hand daarvan de gevolgde reisroute kan worden gereconstrueerd. Weliswaar is aannemelijk geacht dat de vreemdeling aanzienlijke delen van zijn reis in een afgesloten vrachtwagen heeft afgelegd en heeft hij over die vrachtwagens kunnen verklaren, doch de staatssecretaris heeft hem in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat hij over die onderdelen van zijn reis gedurende welke hij zich, naar hij heeft verklaard, niet in een vrachtwagen bevond, in het bijzonder de drie weken die hij in een appartement in Istanbul stelt te hebben verbleven en het vervoer van en naar dat appartement, alsmede het laatste deel van zijn reis naar Ter Apel, geen voldoende gedetailleerde en verifieerbare verklaringen heeft afgelegd.

Gelet op het in 3 weergegeven door de staatssecretaris gehanteerde beoordelingskader en de door de rechtbank in acht te nemen terughoudende toetsing is de rechtbank ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat het ontbreken van reisdocumenten aan de vreemdeling kan worden tegengeworpen en hij zich dientengevolge ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat van zijn asielrelaas positieve overtuigingskracht dient uit te gaan. De overweging van de rechtbank dat de staatssecretaris over het verblijf in Istanbul niet heeft doorgevraagd, miskent dat het aan de vreemdeling is zijn reisroute aannemelijk te maken en dat hij daartoe, met de in het eerste gehoor gevolgde vraagstelling, afdoende in de gelegenheid is gesteld.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

6. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 10 januari 2012 in zaak nr. 11/23805;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Verbeek

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2013

574