Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1128

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201306143/1/A1 en 201306143/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2012 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306143/1/A1 en 201306143/2/A1.

Datum uitspraak: 6 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 18 juni 2013 in zaak nrs. 13/1032 en 13/941 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (voorheen: de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2012 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Bij besluit van 13 februari 2013 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juni 2013 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 augustus 2013, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. L.H. Krajenbrink, werkzaam bij het CBR, is verschenen.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 134, eerste lid, stelt het CBR zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast.

Ingevolge het tweede lid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Ingevolge het derde lid deelt het CBR, indien het voornemens is om het rijbewijs ongeldig te verklaren, dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen. De aan dit tweede onderzoek verbonden kosten, waarvan de hoogte bij ministeriële regeling wordt vastgesteld, komen ten laste van betrokkene.

Ingevolge artikel 27, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, als bedoeld in artikel 134, derde lid (lees: tweede lid), van de Wvw 1994, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

Volgens paragraaf 8.8. "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" van die bijlage is voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring — op basis van een specialistisch rapport — geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

3. Vast staat dat [appellant] op 23 november 2011 is aangehouden te Sittard en dat het alcoholgehalte van zijn adem toen 805 µg/l bedroeg.

Naar aanleiding van een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994, heeft het CBR [appellant] onderworpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid.

Dit onderzoek heeft op 27 juli 2012 plaatsgevonden. De psychiater, H.J.A. Mans, die hem heeft onderzocht heeft in het verslag van bevindingen (hierna: het rapport) de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin gesteld. Naar aanleiding van deze conclusie heeft het CBR het besluit van 26 september 2012 genomen.

4. In het rapport is vermeld dat in de omstandigheid dat [appellant] nog in staat was om één kilometer te rijden met een alcoholpromillage van 1,852 ‰, een aanwijzing wordt gevonden voor verhoogde alcoholtolerantie.

Verder is in het rapport vermeld dat [appellant] beschikt over een beperkt verantwoordelijkheidsgevoel aangezien hij wist dat hij teveel had gedronken om nog te mogen rijden maar desondanks in de auto is gaan rijden.

Voorts is in het rapport ten aanzien van het drinkpatroon van [appellant] in het jaar voorafgaand aan zijn aanhouding vermeld dat deze op de dagen buiten het weekend, tien dagen per maand, drie à vier halve liters bier van 19:00 uur/20:00 uur tot rond middernacht dronk. Volgens het rapport wijst de inname van dit aantal halve liters bier op één avond op alcoholmisbruik.

Verder is in het rapport vermeld dat bij [appellant] overgewicht is vastgesteld. Volgens het rapport is dit een geneeskundige aandoening die, in combinatie met de overige bevindingen van dit onderzoek, kan wijzen in de richting van alcoholmisbruik.

Voorts is in het rapport vermeld dat [appellant] na zijn aanhouding zijn alcoholgebruik heeft gewijzigd in die zin dat hij alleen nog drinkt op vrijdag en zaterdag. Hij drinkt dan twee à drie glazen bier, met wel eens een uitschieter van tien à vijftien glazen bier. Dat gebeurde met het Europees Kampioenschap wel vaker, aldus het rapport.

5. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het rapport zodanige gebreken vertoont dat het CBR zich daar bij zijn besluitvorming niet op heeft mogen baseren. Hij voert daartoe aan dat in de conclusie van het rapport de omstandigheden die geen indicaties of contra-indicaties opleveren voor de conclusie alcoholmisbruik in ruime zin niet kenbaar zijn betrokken en dat de door Mans gestelde diagnose onvoldoende onderbouwd is. Hij verwijst daarbij naar een door hem overgelegde brief van psychiater H.E. Sanders van 3 januari 2012 waarin deze naar aanleiding van een door hem uitgevoerd onderzoek tot de conclusie komt dat er geen aanwijzingen zijn voor een diagnosticeerbare psychiatrische stoornis. Verder verwijst [appellant] naar een door hem overgelegde e-mail van Sanders van 24 mei 2013 waarin deze reageert op de conclusies van het rapport.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 6 maart 2013 in zaak nr. 201205938/1/A3), bestaat in een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld, slechts aanleiding om de ongeldigverklaring niet in stand te laten indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren. Daarbij is het niet aan het CBR en niet aan de bestuursrechter om te beoordelen of voor het psychiatrisch oordeel voldoende feitelijke grondslag bestaat, aldus de Afdeling.

5.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet gebleken is dat het rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming in zodanige mate gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

Het betoog van [appellant] dat in de conclusie van het rapport de omstandigheden die geen indicaties of contra-indicaties opleveren voor de conclusie alcoholmisbruik in ruime zin niet kenbaar zijn betrokken, leidt niet tot een ander oordeel. Met de voorzieningenrechter is de voorzitter van oordeel dat uit het rapport blijkt dat Mans eerst al zijn bevindingen, ook de voor [appellant] positieve, heeft geduid en dat hij op grond van een aantal bevindingen de conclusie alcoholmisbruik in ruime zin gerechtvaardigd heeft geacht. Uit de omstandigheid dat Sanders tot een andere diagnose komt dan Mans, kan niet worden afgeleid dat Mans bij het stellen van zijn diagnose uitsluitend omstandigheden heeft betrokken die wijzen in de richting van alcoholmisbruik. Deze verschillende diagnoses kunnen eerder worden verklaard wegens de verschillende verklaringen die [appellant] bij beide onderzoeken heeft afgelegd, onder meer ten aanzien van zijn alcoholgebruik voor en na zijn aanhouding en zijn rijgedrag vlak voor zijn aanhouding.

Verder leidt het betoog van [appellant] dat de door Mans gestelde diagnose onvoldoende onderbouwd is, evenmin tot een ander oordeel. Gelet op voormelde verschillende verklaringen in beide onderzoeken kan aan de conclusie van Sanders dat de door Mans gestelde diagnose onvoldoende onderbouwd is, niet de betekenis worden gehecht die [appellant] daaraan toegekend wil zien. Voor zover [appellant] zelf van mening is dat bij de conclusie van het rapport uitsluitend omstandigheden zijn betrokken die onvoldoende wetenschappelijk zijn onderbouwd, kan dat niet leiden tot het daarmee door hem beoogde doel, reeds omdat [appellant] geen keurend arts is als bedoeld in paragraaf 8.8. van de Regeling.

6. [appellant] betoogt ten slotte, onder verwijzing naar zijn bezwaarschrift van 6 november 2012, dat het strijdig is met een redelijke en billijke belangenafweging om de nadelige consequenties van het niet ontvangen van de brief van het CBR, waarin hem is meegedeeld dat hij bevoegd is om een tweede onderzoek te verlangen als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de Wvw 1994, op hem af te wentelen en dat de in bezwaar en in beroep aangevoerde gronden als hier herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd. Deze betogen zijn een herhaling van hetgeen hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is hierop in de aangevallen uitspraak gemotiveerd ingegaan. In hoger beroep heeft [appellant] geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. In hetgeen [appellant] in zoverre heeft aangevoerd, bestaat dan ook geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2013

543.