Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1127

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201305058/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 februari 2013 heeft het college aan de [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het uitbreiden van de melkrundveehouderij aan de [locatie] te Raalte.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 19d
Natuurbeschermingswet 1998 19g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6264
BR 2013/140 met annotatie van H.E. Woldendorp
JOM 2013/695
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201305058/1/R2.

Datum uitspraak: 11 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de Vereniging Stedelijk Leefmilieu, Groen- en Milieubeheer (hierna: MOB en de vereniging), beide gevestigd te Nijmegen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2013 heeft het college aan de [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het uitbreiden van de melkrundveehouderij aan de [locatie] te Raalte.

Bij besluit van 24 april 2013, kenmerk 2013/0140447 A13-076, heeft het college het door MOB en de vereniging hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben MOB en de vereniging beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Partijen hebben toestemming, als bedoeld in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verleend, waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover relevant, is het verboden zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Ingevolge artikel 19g, eerste lid, kan, indien een passende beoordeling is voorgeschreven, een vergunning als bedoeld in artikel 19d slechts worden verleend indien het college zich op grond van die passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

2. In de omgeving van de veehouderij bevinden zich de Natura 2000-gebieden Boetelerveld, Sallandse Heuvelrug en de Uiterwaarden IJssel. Deze gebieden zijn door de Europese Commissie bij beschikking van 7 december 2004 op de lijst van gebieden van communautair belang geplaatst. Niet in geschil is dat de aangevraagde situatie leidt tot een toename van stikstofdepositie op deze gebieden ten opzichte van de referentiedatum 7 december 2004 en dat de vergunning ingevolge artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998 alleen kan worden verleend indien het college zich op grond van een passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken gebieden niet zullen worden aangetast.

3. Het college heeft bij het verlenen van de gevraagde vergunning en bij het besluit op bezwaar aansluiting gezocht bij het "Beleidskader Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen" (hierna: het Beleidskader) en de aan de hand daarvan vastgestelde "Beleidsregel Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen Overijssel" (hierna: de Beleidsregel). Het college staat op het standpunt dat toepassing van de Beleidsregel en het Beleidskader tezamen kan worden aangemerkt als een passende beoordeling en dat het zich op grond van die beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken gebieden niet zullen worden aangetast.

4. MOB en de vereniging betogen onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2013, in zaak nr. 201107526/1/T1/A4 dat het college de gevraagde vergunning ten onrechte met toepassing van het Beleidskader en de Beleidsregel in bezwaar heeft gehandhaafd.

5. Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van 22 mei 2013 overweegt de Afdeling dat het college zich met de enkele verwijzing naar het Beleidskader en de Beleidsregel, in strijd met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998, niet ervan heeft verzekerd dat het project niet zal leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden.

6. De beroepsgrond slaagt. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 19g van de Nbw 1998 te worden vernietigd.

8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 24 april 2013, kenmerk 2013/0140447 A13-076;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., en de Vereniging Stedelijk Leefmilieu, Groen- en Milieubeheer in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel aan de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., en de Vereniging Stedelijk Leefmilieu, Groen- en Milieubeheer het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Verbeek

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013

388.