Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1123

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201304621/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "CNB Locatie" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304621/1/R6.

Datum uitspraak: 11 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Lisse,

en

de raad van de gemeente Lisse,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "CNB Locatie" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2013, waar de raad, vertegenwoordigd door M.A.M. Randsdorp en A. Koornneef, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan heeft betrekking op het terrein in het centrum van Lisse waar tot 2006 de Coöperatieve Nederlandse bloembollencentrale (CNB) was gevestigd. Het plangebied wordt begrensd door de Molenstraat, de Lisbloemstraat, de Tulpenstraat en de Grachtweg. Het grootste deel van het plangebied heeft de bestemming "Wonen".

3. Het beroep van [appellante] is gericht tegen de mogelijkheid die het plan biedt voor de bouw van appartementen tot een maximale bouwhoogte van 14 meter, op gronden gelegen achter haar woning aan de [locatie A]. Zij betoogt dat de bouw van de appartementen zal leiden tot aantasting van het uitzicht vanuit en belemmering van de licht- en luchttoetreding tot haar woning. Zij betoogt verder dat de raad ten onrechte geen bouwtechnische alternatieven in de besluitvorming heeft betrokken. De te verwachten aantasting van haar woongenot zal naar zij vreest leiden tot waardevermindering van haar woning.

4. De raad stelt zich op het standpunt dat hoogte en omvang van de bebouwing die in het plan wordt mogelijk gemaakt passend zijn voor deze locatie, in aanmerking nemend dat het gaat om stedelijk gebied en dat in de naaste omgeving, waaronder de Molenstraat, vergelijkbare bouwhoogten gelden. Volgens de raad doen zich geen onevenredige belemmeringen van licht- en luchttoetreding voor. Voor zover sprake zou zijn van waardevermindering wijst de raad op de mogelijkheid een verzoek tot planschadevergoeding in te dienen als het bestemmingsplan eenmaal in rechte onaantastbaar is.

5. Onbestreden is dat de kortste afstand tussen het gebouw waar de woning van [appellante] deel van uitmaakt en de plaats waar het plan de bouw van een appartementengebouw mogelijk maakt ongeveer 9 meter bedraagt.

De Afdeling acht aannemelijk dat de bouw van appartementen op deze afstand zal leiden tot beperking van het uitzicht vanuit de woning van [appellante] aan de oostzijde en tot enige vermindering van de inval van zonlicht ter plaatse, maar ziet geen grond voor de verwachting dat die gevolgen zodanig zijn dat de raad het plan niet redelijkerwijs aldus heeft kunnen vaststellen. Daarbij betrekt de Afdeling dat niet in geschil is dat op grond van de gemeentelijke bouwverordening en het voorheen geldende bestemmingsplan "Centrum 1986" voor deze locatie een maximale bouwhoogte van 15 meter gold en dat het genoemde bestemmingsplan voorzag in een toegestaan bebouwingsoppervlak dat vergelijkbaar is met het oppervlak waarin het nu voorliggende plan voorziet. Voorts is van belang dat, zoals de raad onbestreden heeft gesteld, een afstand van 9 meter tussen gebouwen onderling niet ongebruikelijk is in de bebouwde omgeving van Lisse. Verder volgt uit de bezonningsstudie die de raad ten behoeve van het plan heeft laten opstellen dat de in het plan voorziene bebouwing, uitgaande van de maximale bouwmogelijkheden ervan, in het bijzonder tussen ongeveer 9.00 en ongeveer 12.00 uur 's ochtends zal leiden tot vermindering van zonlichtinval, maar dat buiten dit tijdvak geen verschil optreedt wat betreft de bezonning in de huidige en de nieuwe situatie. De resultaten van de bezonningsstudie heeft [appellante] niet bestreden.

Dat het plan zal leiden tot een belemmering van enige betekenis van de toetreding van lucht tot de woning van [appellante] acht de Afdeling niet aannemelijk, gezien de afstand van de woning tot de grens met het bestemmingsvlak waar de appartementen zijn voorzien.

6. Bouwtechnische alternatieven betreffen niet de bouwmogelijkheden die het plan biedt, maar de wijze van uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Voor zover [appellante] bedoelt te betogen dat ten onrechte niet voor een lichtere steensoort is gekozen voor het voorziene appartementengebouw, wijst de Afdeling erop dat dit een welstandsaspect betreft, dat alleen kan worden getoetst in een eventuele procedure tegen een voor de bouw van dat gebouw te verlenen omgevingsvergunning. Om die reden blijft dit aspect hier buiten beschouwing.

7. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellante] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Oudenaarden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013

568.